Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6223

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
15/050405-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitsluiting processen-verbaal van stemherkenning.

De rechtbank concludeert dat, hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte een aandeel heeft gehad in de handel van cocaïne door medeverdachte, het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat verdachte (samen met een ander of anderen) in cocaïne heeft gehandeld.

Dit betekent dat verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/050405-19 (P)

Uitspraakdatum: 19 juni 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juni 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

De politierechter heeft de zaak onder het parketnummer 15/050405-19 naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 december 2018 tot en met 28 februari 2019 in de gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft zij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat in getapte gesprekken van dealtelefoon [telefoonnummer 1] de stem van verdachte is herkend als gebruiker van meerdere telefoonnummers. Deze herkenning is gedaan door twee verbalisanten die duidelijk hebben omschreven waaraan zij de stem van verdachte herkennen en hoe zij deze stem kennen. Ter terechtzitting is gehoord dat verdachte een specifiek stemgeluid heeft. Specifieke stemherkenning door verbalisanten is dus goed mogelijk geweest.

Daarnaast is van belang de ontmoeting, geregeld via de dealtelefoon, tussen verdachte en medeverdachte op 28 februari 2019. Uit observatie is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] een korte periode samen in een auto hebben gezeten. Bij de daaropvolgende aanhouding is bij verdachte een groot geldbedrag aangetroffen en in de onderbroek van de [medeverdachte] 23 wikkels cocaïne. Ook is de dealtelefoon onder de medeverdachte in beslag genomen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld. Uit een observatie verricht op de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: de dealtelefoon), zijnde [medeverdachte] , is gebleken dat op 28 februari 2019 omstreeks 21:05 uur tot omstreeks 21:10 uur op een parkeerplaats in Zaandijk, in een auto, een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn medeverdachte. Voorafgaand aan deze ontmoeting is contact geweest tussen de dealtelefoon en ‘ [naam verdachte en partieel nummer] ’ (de rechtbank begrijpt: het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ) over een ontmoeting op een parkeerplaats om 21:00 uur. Gelet op het voorgaande kan het telefoonnummer [telefoonnummer 2] aan verdachte worden toegeschreven.

Bij de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte kort na voornoemde ontmoeting had verdachte een geldbedrag bij zich van € 3106,20 en werd bij zijn medeverdachte in zijn onderbroek 23 wikkels cocaïne aangetroffen. Of bij de ontmoeting sprake is geweest van een uitwisseling van geld en cocaïne tussen verdachte en zijn medeverdachte kan, op grond van hetgeen zich verder in het dossier bevindt, niet worden vastgesteld. In het telefoongesprek dat is gevoerd voorafgaand aan de ontmoeting van verdachte en de medeverdachte is immers slechts gesproken over ‘dingen bij elkaar hebben’ en ‘het misschien vandaag al doen’ en het maken van een afspraak om 21:00 uur (p. 113). De rechtbank acht dit onvoldoende om te komen tot het oordeel dat in het telefoongesprek is gesproken over drugshandel. Het dossier bevat slechts één ander gesprek dat is gevoerd tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en de dealtelefoon. Dat was op 6 februari 2019 (p. 105). Ook in dat gesprek is slechts gesproken over het maken van een afspraak en de omstandigheid dat ‘een gast zit te wachten’.

Met de dealtelefoon zijn meerdere gesprekken gevoerd met verschillende telefoonnummers die in verband zouden kunnen worden gebracht met de handel in cocaïne. Deze gesprekken zijn opgenomen. De vraag is of verdachte de gebruiker van (één van) deze telefoonnummers is.

De stemherkenningen

Het dossier bevat drie processen-verbaal met betrekking tot herkenning van de stem van verdachte bij diverse telefoonnummers. Twee van deze processen-verbaal zijn opgesteld door [verbalisant 1] , één ervan is opgesteld door [verbalisant 2] . Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 8 februari 2019 blijkt dat de gebruiker van de dealtelefoon veelvuldig contact had met de gebruiker van het telefoonnummer: [telefoonnummer 3] , wiens stem [verbalisant 1] herkende als die van verdachte. De verbalisant heeft gerelateerd dat haar stemherkenning is gebaseerd op haar bevindingen in een ander onderzoek, waarin zij vaak heeft geluisterd naar de stem van verdachte. Uit het proces-verbaal van de verbalisant volgt dat zij verdachte herkende aan zijn unieke stem met zijn Marokkaanse accent, het rustige spreken en het duidelijke articuleren. Daarna heeft [verbalisant 1] nog een proces-verbaal opgesteld op 6 maart 2019, waarin zij aangeeft ‘in alle gesprekken’ van nog eens vijf telefoonnummers de verdachte en zijn medeverdachte te herkennen, zonder deze per nummer te specificeren.

Uit het proces-verbaal van [verbalisant 2] van 6 maart 2019 blijkt dat zij van [verbalisant 1] heeft vernomen dat [verbalisant 1] de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 3] herkende als die van verdachte. [verbalisant 2] stelt vervolgens in alle gesprekken die zijn gevoerd met de telefoonnummers [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] dezelfde stem te herkennen als die van de gebruiker van het nummer eindigend op [telefoonnummer 3] en daarmee volgens verbalisant van verdachte. Zij herkende de stem van verdachte aan de hand van zijn manier van spreken, zijn intonatie en zijn woordgebruik. Daarbij sprak hij altijd met een erg laag volume en met een Noord-Afrikaans accent.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verbalisant 2] niet uit eigen bevinding een of meerdere stemgeluiden aan verdachte heeft toegeschreven, maar slechts in haar onderzoek heeft voortgeborduurd op basis van de aanname van collega [verbalisant 1] dat de stem behorend bij het telefoonnummer [telefoonnummer 3] de stem van verdachte moest zijn. Met deze wetenschap in het achterhoofd zijn de latere stemherkenningen bij nog eens vier telefoonnummers door [verbalisant 2] en bij vijf telefoonnummers door [verbalisant 1] gedaan. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat de eerdere aanname van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat het om verdachtes stem ging van invloed is geweest op de latere stemherkenningen. Bovendien heeft [verbalisant 1] haar conclusies naar eigen zeggen mede gebaseerd op haar bevindingen in een ander onderzoek naar handel in verdovende middelen, waarin verdachte een rol zou hebben gespeeld. Van een volkomen neutrale stemherkenning lijkt daarmee geen sprake. Daarbij komt dat verbalisanten geen wetenschappelijk onderlegde deskundigen zijn op het gebied van stemherkenning. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de conclusie van de officier van justitie dat ook ter terechtzitting een dusdanig specifiek stemgeluid bij verdachte te horen zou zijn geweest, dat dit gemakkelijk kan worden herkend, voor rekening komt van de officier van justitie.

Nu twijfels kunnen worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de stemherkenningen in het dossier, deze uitdrukkelijk worden betwist door verdachte en deze processen-verbaal het enige bewijsmiddel vormen dat hij de gebruiker is geweest van de telefoonnummers (met uitzondering van het nummer [telefoonnummer 2] , zie hierna) in de belastende getapte gesprekken, is de rechtbank van oordeel dat deze processen-verbaal niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De rechtbank merkt in dit kader nog op dat geen van de telefoonnummers is te linken aan (een van de) de zeven telefoons die onder verdachte in beslag zijn genomen.

De rechtbank concludeert dan ook dat, hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte een aandeel heeft gehad in de handel van cocaïne door [medeverdachte] , het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat verdachte (samen met een ander of anderen) in cocaïne heeft gehandeld.

Dit betekent dat verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

4. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat – nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde – het onder hem in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 3106,20 dient te worden teruggegeven aan verdachte.

5 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van: € 3106,20 (éénendertighonderd zes euro en twintig cent).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. van Poecke, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.