Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6076

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
15/243030-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Tegenspraak.

De rechtbank stelt voorop dat verdachten in het kader van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces het recht hebben om belastende getuigen te ondervragen. Wanneer de verdediging, ondanks initiatief daartoe, geen enkele gelegenheid heeft gekregen om een getuige te ondervragen, kan dit consequenties hebben voor de bruikbaarheid van de eerder bij de politie afgelegde verklaring(en) van die getuige als bewijsmiddel(en). Dat zal echter alleen het geval zijn wanneer deze verklaring van beslissende betekenis is voor de veroordeling. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de betrokkenheid van verdachte in belangrijke mate baseert op de telecom- en zendmastgegevens van hem én van medeverdachte gecombineerd met de achtergrond van ‘stalking’ van de vriendin van verdachte door aangever. De hieruit vastgestelde feiten komen overeen met de verklaring van aangever over de identiteit van beide personen die de feiten tegen hem hebben gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangever niet van beslissende betekenis zijn en gebruik van die verklaringen voor bewijs niet strijdig is met het beginsel van fair trial zoals vervat in artikel 6 EVRM.

Onder herhaling van de hierboven gegeven overwegingen en daarin genoemde bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat het dossier voldoende bewijs bevat voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats en het tijdstip van en betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten om de verklaringen van aangever op dat punt geloofwaardig te achten.

Vrijspraak van poging tot zware mishandeling. Veroordeling voor openlijke geweldpleging.

Veroordeling voor poging tot doodslag door het inrijden met een auto op aangever (voorwaardelijke opzet).

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien (18) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/243030-18 (P)

Uitspraakdatum: 11 juli 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J.A. Colijn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:
Primair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto tegen die [aangever] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde beenbreuk, heeft toegebracht, door met een personenauto tegen die [aangever] aan te rijden;

Meer subsidiair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto tegen die [aangever] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:
Primair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] een of meer ke(e)r(en) heeft geslagen en/of ten val heeft gebracht en/of (vervolgens) een of meer ke(e)r(en) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, openlijk, te weten, op de openbare weg, de Bergummermeer, in elk geval op of aan de openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] door die [aangever] ten val te brengen en/of te schoppen en/of te slaan.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair (onder vrijspraak van kort gezegd medeplegen) en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, kort gezegd omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest. Voor de herkenning van verdachte door aangever bevat het dossier geen steunbewijs. Aangever heeft als getuige ter terechtzitting geen vragen willen beantwoorden. Omdat de verdediging daarmee geen effectief gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht, is gebruik voor bewijs van de verklaring van aangever in strijd met artikel 6 EVRM en moet algehele vrijspraak volgen.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, ook als gebruik van de verklaring van aangever niet wordt beperkt door artikel 6 EVRM, verdachte daarvan geheel dient te worden vrijgesproken. De herkenning van verdachte door aangever is onbetrouwbaar te achten. Aangever heeft als ex-vriend van de vrouw waarvan verdachte de nieuwe vriend is een motief om verdachte als rivaal valselijk aan te wijzen. Daarnaast is het volgens de getuigenverklaringen een rode auto die bij het feit betrokken is geweest en die kan niet in verband kan worden gebracht met verdachte. Op basis van de zendmastgegevens kan niet worden vastgesteld op welke precieze locatie de telefoon van verdachte aanwezig is geweest en dus kan ook niet worden bewezen dat de telefoon van verdachte op de plaats delict is geweest ten tijde van het ten laste gelegde.

Meer subsidiair heeft de raadsman, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:6680), aangevoerd dat geen sprake is van poging tot doodslag. Uit deze uitspraak volgt immers dat de kans op een aanrijding niet zonder meer het zelfde is als de kans op een dodelijke afloop. Het dossier bevat geen eenduidige informatie over wat de snelheid van de auto of de afstand tot aangever is geweest. Verder kan door het ontbreken van aanvullende medische informatie ook de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling niet worden bewezen. Tot slot kan niet worden vastgesteld wie de bestuurder van de auto is geweest. Er is geen bewijs voorhanden dat verdachte de bestuurder is geweest.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van de onder feit 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet duidelijk is wat er precies is gebeurd en waar aangever is geraakt. De enkele schaafwond op het hoofd van aangever is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Wat betreft de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.

3.3

Oordeel rechtbank ten aanzien van het bewijsmiddelverweer

Toelaatbaarheid gebruik verklaringen aangever [aangever]

De rechtbank stelt voorop dat verdachten in het kader van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces het recht hebben om belastende getuigen te ondervragen. Wanneer de verdediging, ondanks initiatief daartoe, geen enkele gelegenheid heeft gekregen om een getuige te ondervragen, kan dit consequenties hebben voor de bruikbaarheid van de eerder bij de politie afgelegde verklaring(en) van die getuige als bewijsmiddel(en). Dat zal echter alleen het geval zijn wanneer deze verklaring van beslissende betekenis is voor de veroordeling. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging in geen enkel stadium van de procedure effectief gelegenheid heeft gehad om aangever te ondervragen. Aangever is (na verschillende mislukte pogingen tot oproeping en bevelen tot medebrenging) wel als getuige ter terechtzitting van 27 juni 2019 verschenen. Daar heeft hij echter geweigerd om de eed af te leggen en om antwoord te geven op vragen. Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, is door de rechtbank besloten niet tot gijzeling van de getuige over te gaan.

De procesopstelling van verdachte heeft de strekking, hoewel verdachte zich inhoudelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen, dat de verklaringen van [aangever] worden betwist voor zover die verklaringen inhouden dat het verdachte (als nieuwe vriend van aangevers ex-vriendin [naam] ) is geweest die betrokken is geweest bij het incident dat op 27 oktober 2018 heeft plaatsgevonden op de Bergumermeer en waarvan [aangever] slachtoffer is geworden. Dat verdachte (die ook heden een liefdesrelatie met [naam] heeft) destijds als de nieuwe vriend aangeduid kon worden, is door de verdediging op zichzelf niet betwist en geldt op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting als vaststaand. Voorts staat vast dat er op de bewuste avond een ernstig incident tussen [aangever] en twee mannen heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal dan ook de vraag moeten beantwoorden in hoeverre de verklaring van aangever op het punt van betrokkenheid van [verdachte] op de plaats en het tijdstip van de ten laste gelegde feiten (kort gezegd: de betrokkenheid) steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Daarbij is ook relevant dat aangever niet alleen verdachte heeft ‘aangewezen’ als direct betrokken bij de jegens aangever gepleegde feiten, maar ook [medeverdachte] .

Op grond van bewijsmiddelen neemt de rechtbank het volgende als vaststaand aan.

De tegen aangever gepleegde feiten speelden tegen de achtergrond van wat door [naam] wordt aangeduid als ‘stalking’ door aangever, haar ex-vriend. Ook op de avond van de feiten heeft aangever [naam] telefonisch in korte tijd veelvuldig benaderd. Aan de hand van de telefonische contacten tussen het telefoonnummer van aangever en het telefoonnummer van [naam] kan worden vastgesteld dat de tegen aangever gepleegde feiten zich hebben voltrokken in het tijdvak waarin een onderbreking zit in de uitgaande telefonische contacten door aangever naar [naam] , te weten tussen 22:04:50 uur en 22:18:15 uur.

Uit de analyse van telecom- en zendmastgegevens blijkt dat de telefoonnummers die aan [verdachte] respectievelijk [medeverdachte] kunnen worden toegeschreven, te weten [telefoonnummer 1] respectievelijk [telefoonnummer 2] , tussen 22:13:17 uur en 22:16:54 uur in de directe omgeving van de plaats delict waren. Ook blijkt daaruit dat kort voor de ten laste gelegde incidenten er 17 minuten lang telefonisch contact is geweest tussen [verdachte] en [naam] . Om 22:16:52 uur had het telefoonnummer van [naam] 2 seconden uitgaand telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] . Aannemelijk is dat [verdachte] de telefoon niet opnam en [naam] daarom om 22:17:24 uur [medeverdachte] belde met een gespreksduur van 26 seconden. Daarbij straalt het telefoonnummer van [medeverdachte] de zendmast aan die dekking geeft aan de omgeving van de woning van [naam] en de aan- en afvoerwegen van de wijk waarin de plaats delict ligt. Verder blijkt daaruit dat [verdachte] om 22:18:38 uur, zeer kort na het incident, is gebeld door [naam] . De gesprekduur is 55 seconden. De telefoon van [verdachte] straalt daarbij de zendmast aan, die hoort bij de aan/afvoerroute van de wijk waarin de plaats delict zich bevindt.

Dit alles plaatst de telefoonnummers die bij [verdachte] en bij [medeverdachte] in gebruik zijn ten tijde van de feiten in de directe omgeving van de feiten en maakt aannemelijk dat [verdachte] en [medeverdachte] zelf ter plaatse aanwezig waren. Er is door de verdediging geen verklaring gegeven die de redengevendheid van deze telefoongegevens ontzenuwt. Evenmin is een verklaring gegeven voor de telefooncontacten die [verdachte] en [medeverdachte] met [naam] hebben gehad, terwijl aannemelijk is dat [naam] naar aanleiding van de ‘stalking’ door haar ex-vriend, die haar die avond veelvuldig belde en op dat moment in de buurt van haar woning aanwezig was, contact heeft gehad met [verdachte] als haar nieuwe vriend. Bij het uitblijven van een genoemde aannemelijkheid ontzenuwende verklaring, mag er vanuit worden gegaan dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden aanwezig en betrokken zijn geweest bij de tegen aangever gepleegde feiten.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] in belangrijke mate baseert op de telecom- en zendmastgegevens van hem én van [medeverdachte] gecombineerd met de achtergrond van ‘stalking’ van [naam] door [aangever] . De hieruit vastgestelde feiten komen overeen met de verklaring van aangever over de identiteit van beide personen die de feiten tegen hem hebben gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangever niet van beslissende betekenis zijn en gebruik van die verklaringen voor bewijs niet strijdig is met het beginsel van fair trial zoals vervat in artikel 6 EVRM.

3.4

Oordeel rechtbank ten aanzien van het bewijs

3.4.1.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

Het subsidiaire verweer van de strekking dat aangevers verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden gekwalificeerd en daaraan geen bewijs kan worden ontleend faalt. Onder herhaling van de hierboven gegeven overwegingen en daarin genoemde bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat het dossier voldoende bewijs bevat voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats en het tijdstip van en betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten om de verklaringen van aangever op dat punt geloofwaardig te achten. Daaraan doet geen afbreuk, anders dan de verdediging wil, dat aangever heeft geweigerd als getuige mee te werken aan zijn ondervraging, evenmin als zijn houding daarbij en zijn justitiële verleden.

3.4.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling vereist dat bewezen is dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de stukken in het dossier valt niet af te leiden dat sprake was van zogenaamd ‘vol opzet’. Ook de officier van justitie is blijkens haar requisitoir niet van ‘vol opzet’ uitgegaan, maar van voorwaardelijk opzet. De rechtbank heeft onderzocht of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op zwaar lichamelijk letsel van aangever.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zo een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 27 oktober 2018 door verdachte en [medeverdachte] tegen aangever geweld is gebruikt, dat onder meer bestond uit het meermalen schoppen tegen het lichaam, terwijl hij op de grond lag. Aangever heeft verklaard dat hij ook tegen het hoofd is geschopt. De rechtbank is met betrekking tot het toegepaste geweld van oordeel dat de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten bevatten om de conclusie te rechtvaardigen dat de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was. Aangever heeft verklaard dat toen hij op de grond lag, hij zijn hoofd en borst met zijn armen heeft beschermd. De verklaring van [getuige] draagt onvoldoende bij aan bewijs voor schoppen tegen het hoofd. Gelet voorts op de oppervlakkige aard en geringe ernst van de uiterlijk waarneembare en vastgestelde verwonding bij aangever, te weten een schaafwond op het voorhoofd, zonder dat aangever de gevraagde nadere medische informatie heeft aangeleverd, kan niet worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] met dusdanige kracht en intensiteit tegen het lichaam en zodanig tegen het hoofd van aangever hebben geschopt, dat de kans aanmerkelijk was dat aangever als gevolg van dat handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

3.4.3

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 subsidiair

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen en de volgende overwegingen daarbij.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair

Bestuurder van de auto

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat op 27 oktober 2018 met een auto op aangever is ingereden. De rechtbank vindt voorts bewezen dat verdachte en [medeverdachte] in die auto zaten. Geen van de getuigen heeft een verklaring afgelegd waaruit blijkt wie van de twee de auto heeft bestuurd bij het inrijden op aangever. Wel heeft aangever verklaard dat toen de twee mannen de eerste keer kwamen aanrijden, de voor hem onbekende jongen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) aan de passagierskant uitstapte en de nieuwe vriend van [naam] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan de bestuurderskant. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte die hoedanigheid van bestuurder van de auto heeft hervat bij het weer instappen en vervolgens op aangever inrijden. Dat verdachte en [medeverdachte] bij het weer instappen en wegrijden hun eerdere hoedanigheden als bestuurder en passagier zouden hebben gewisseld ligt niet voor de hand, temeer daar [medeverdachte] niet beschikt over een rijbewijs, zoals ook uit zijn verklaring bij de politie volgt. Daar komt nog bij dat het ging om een aanval op de ex-vriend van de nieuwe vriendin van verdachte. Voornoemde omstandigheden zijn sterke aanwijzingen dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Hiermee heeft hij geen enkele redelijke verklaring gegeven om de sterke aanwijzingen te ontzenuwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende vaststaat dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest op het moment dat aangever werd aangereden. Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat geen bewijs voorhanden is voor een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van dit feit met [medeverdachte] , zodat hij zal worden vrijgesproken van het tezamen in vereniging met een ander plegen.

Opzet

Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat uit het dossier niet voldoende is komen vast te staan dat verdachte zogenoemd “vol” opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Voor de vereisten om te komen tot de conclusie dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet verwijst de rechtbank naar het criterium zoals hiervoor onder 3.4.2. is opgenomen.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte aangever eerst ten val hebben gebracht en hem hebben geschopt, terwijl hij op de grond lag. Nadat [getuige] zich met de situatie bemoeide, renden verdachte en zijn kompaan weg en stapten zij een auto in. Aangever probeerde op te staan, wat niet lukte en waarna hij op de grond bleef liggen rollen. Verdachte is vervolgens op aangever afgereden op agressieve wijze en met een snelheid die, gezien de situatie ter plaatse, hard te noemen is. Toen aangever zag dat de auto recht op hem af kwam, heeft hij zich moeizaam in de richting van de naast de straat gelegen bosjes bewogen om daarin veiligheid te zoeken. Nagenoeg op hetzelfde het moment dat hij de bosjes insprong, is de auto tegen zijn rechterbeen aangereden waardoor een breuk in dit been is ontstaan. De auto heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de situatie ter plaatse bood om langs aangever te rijden zonder hem te raken.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten als bestuurder in een personenauto met aanmerkelijk snelheid inrijden op aangever, die onbeschermd en reeds daarom kwetsbaar was, welke kwetsbaarheid door het eerdere geweld van verdachte en zijn kompaan zichtbaar was verhoogd, de aanmerkelijke kans op aangevers dood oplevert. Kijkend naar de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte heeft hij deze kans op de koop toegenomen. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat verdachte na de aanrijding met onverminderde snelheid verder is gereden en hij zich dus niet heeft bekommerd om het mogelijk dodelijke gevolg van de aanrijding. Zodoende acht de rechtbank bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad.

3.4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:
Primair
hij op 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto tegen die [aangever] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:
Subsidiair
hij op 27 oktober 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, openlijk, te weten op de openbare weg de Bergumermeer, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] door die [aangever] ten val te brengen en te schoppen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1, primair:

poging tot doodslag.

Feit 2, subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden gevorderd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot bewezenverklaring van enig ten laste gelegd feit komt, rekening te houden met de rol (eigen schuld) van aangever, gegeven de context. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het feit dat verdachte first offender is. Mocht de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een bewezenverklaring komen van het subsidiair dan wel meer subsidiair ten laste gelegde, heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en daarbij een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zodat verdachte door kan met zijn leven. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf kan een proeftijd van drie jaren worden verbonden, aldus de raadsman.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is samen met zijn mededader naar de buurt van de woning van [naam] gegaan, kennelijk met het doel om aangever (haar ex-vriend), die haar op dat moment lastig viel/stalkte, een lesje te leren. Verdachte en zijn mededader hebben aangever onverhoeds aangevallen, waarbij hij op de grond terecht is gekomen. Daar hebben zij op hem in staan schoppen, terwijl hij ineengedoken op de grond lag. Pas op het moment dat iemand ter plekke kwam en zich met de situatie bemoeide, maakten verdachte en zijn mededader zich uit de voeten. Vervolgens is verdachte – kennelijk om de klus af te maken – met zijn auto ingereden op aangever. Doordat aangever ternauwernood in de bosjes heeft kunnen duiken, is hij slechts fors gewond geraakt aan zijn been. Het is dan ook niet aan verdachte te danken dat het niet veel erger is afgelopen. Daarnaast is verdachte niet gestopt tijdens of direct na de aanrijding; hij is doorgereden en heeft zich niet bekommerd om aangever. Het behoeft geen uitleg dat het gaat om zeer ernstige feiten, die grote gevolgen hadden kunnen hebben voor aangever. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Ook heeft verdachte met dit gewelddadige optreden in het openbaar anderen daarvan getuigen doen zijn. Dergelijke feiten – met name het inrijden op een persoon – worden in de samenleving als uitermate schokkend ervaren en brengen sterke gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Wat er ook zij van het handelen van aangever, dit rechtvaardigt niet zijn keuze om voor ‘eigen rechter’ te spelen. Ook die keuze valt hem aan te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten slechts de oplegging van een (deels voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf een passende reactie is.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 maart 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport, gedateerd 15 februari 2019, opgesteld door M. Henrotte als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit volgt dat het sociaal netwerk (medeverdachte), de huidige partnerrelatie (opkomen voor haar belangen) en mogelijk het psychosociaal functioneren van verdachte een rol speelt in het delictgedrag. Verdachte had geen zinvolle dagbesteding en inkomen voor zijn aanhouding. Hij was bezig met een aanmelding voor scholing en wordt financieel onderhouden door zijn ouders. Op basis van het beperkte onderzoek – verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen – ziet de reclassering geen mogelijkheden voor een reclasseringsaanbod.

Hoewel de rechtbank ten aanzien van feit 2 tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde gevangenisstraf passend en geboden is, zodat een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden zal worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat vijf maanden daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om verdachte in toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden.

Bijkomende straf

Nu verdachte het misdrijf heeft gepleegd met een motorrijtuig zal de rechtbank – gezien de ernst van het feit – tevens een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden opleggen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Verdachte heeft zich gedurende de schorsing aan alle voorwaarden gehouden. Het gevaar voor herhaling kan kennelijk tot dusver voldoende worden ingeperkt door de aan de schorsing verbonden voorwaarden.

7 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft geleden.

Uit het ingevulde formulier verzoek tot schadeformulier blijkt dat de vordering van de benadeelde partij niet is onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De benadeelde partij kan deze bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien (18) maanden.

Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter,

mr. P.E. van der Veen en mr. B. de Wilde, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2019.

mr. B. de Wilde is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.