Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6071

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
15/871958-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871958-17 en 13/654006-16 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 11 juli 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2019 in de zaak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] te Alkmaar,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 26 september 2017 te Alkmaar en/of te Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

een ander, genaamd [slachtoffer 1] ,

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang, geweld of een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die [slachtoffer 1] , met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

[te weten arbeid of diensten van seksuele aard en/of huishoudelijke arbeid of diensten en/of het ter beschikking stellen van haar bankpas en/of bankrekening (en/of op die bankrekenening aanwezige geldbedragen) en/of de pincode en/of inloggegevens van haar bankrekening]

dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van [voornoemde] arbeid of diensten (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

4) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6)

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hebben/heeft bestaan uit:

- het (meermalen) mishandelen van die [slachtoffer 1] door haar te slaan en/of te stompen en/of aan de haren te trekken;

- het uiten van bedreigingen tegen die [slachtoffer 1] ;

- het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] ;

- het brengen en/of houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen en/of bankpas kon beschikken;

- het verantwoordelijk houden van die [slachtoffer 1] voor en/of het aanspreken op en/of dwingen tot voldoen van die [slachtoffer 1] van (geheel of grotendeels, althans gedeeltelijk fictieve) schulden (welke schulden zouden zijn voortgekomen uit het veroorzaken van schades in/aan de woning en/of de auto van zijn, verdachtes, mededader(s) en/of welke schulden zouden voortvloeien uit door die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te betalen “leefgeld” en/of huur)

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) “enige handeling” heeft bestaan uit:

- het regelen van één of meer werkplek(ken) voor die [slachtoffer 1] ;

- het onderbrengen van die [slachtoffer 1] in de woning van (mededader) [halfbroer] , terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als tegenprestatie seksuele diensten van die [slachtoffer 1] zouden worden verlangd;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het “omhoog plaatsen”) van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 1] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het ter beschikking stellen van condooms voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] ;

Feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 26 september 2017 te Alkmaar, en/of te Amsterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten:

- de afgifte van meerdere geldbedragen en/of een bankpas, en/of

- het ter beschikking stellen van haar bankrekening (alsmede de pincode en/of inloggegevens van die bankrekening) en/of de op die bankrekening aanwezige geldbedragen,

- het verlenen van huishoudelijke diensten,

door voor te wenden dat [medeverdachte] (zijn, verdachtes, mededader) een exclusieve en/of duurzame en/of affectieve relatie met die [slachtoffer 1] onderhield en/of door die [slachtoffer 1] voor te houden dat zij “leefgeld” en/of huur diende te betalen (aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s)) en/of dat zij veel geld kostte en/of door die [slachtoffer 1] voor te houden dat zij schulden bij die [medeverdachte] had (terwijl dit geheel of grotendeels, althans

gedeeltelijk fictieve schulden betrof) (welke schulden zouden zijn voortgekomen uit het veroorzaken van schades in/aan de woning en/of de auto van die [medeverdachte] en/of welke schulden zouden voortvloeien uit (voornoemd) door die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te betalen ‘‘leefgeld” en/of huur);

Feit 3:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 15 mei 2016 in de gemeente Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:

- het (telkens) brengen van zijn/hun vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (telkens) brengen van zijn/hun penis(sen) in de mond van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (telkens) brengen van zijn/hun vingers in de anus van die [slachtoffer 2]

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit:

- het aanbieden van grote hoeveelheden alcohol en/of een of meerdere XTC-pil(len) aan die [slachtoffer 2] , waardoor die [slachtoffer 2] (zwaar) onder invloed van (die) alcoholhoudende drank en/of (die) XTC is geworden/geraakt, en/of waardoor die [slachtoffer 2] minder goed weerstand kon bieden tegen die verdachte(n) en/of de handelingen van die verdachte(n), en/of

- het op dwingende en/of denigrerende en/of harde toon praten en geven van opdrachten en/of bevelen aan die [slachtoffer 2] , als “je moet mij niet boos maken”, en/of “ik ga je billen blauw slaan”, en/of “je moet pijpen, anders trek ik zo je geile haren uit je hoofd”, en/of “ik wil je horen schreeuwen hiero”, en/of “je verdient een pak slaag”, en/of “ga op je knieën”, en/of

- het (meermalen) (met kracht) spreiden van de benen van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (meermalen) slaan op de billen van die [slachtoffer 2] en/of

- het (meermalen) knijpen in de borsten en/of tepels van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (meermalen) slaan tegen de borsten van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (meermalen) slaan in het gezicht van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (meermalen) met kracht vastpakken en/of vasthouden van de benen en/of

- het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het (meermalen) vastpakken van de haren van die [slachtoffer 2] en/of

- het (meermalen) duwen van het hoofd van die [slachtoffer 2] in de richting van zijn/hun penis en/of

- het (met kracht) vastpakken van de mond van die [slachtoffer 2] en/of speeksel in de mond van die [slachtoffer 2] brengen.

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 15 mei 2016 in de gemeente Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met [slachtoffer 2] , van wie hij/zij, verdachte(n), wist(en) dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers was die [slachtoffer 2] (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank en/of drugs in de vorm van XTC,

een of meer handelingen heeft/hebben gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:

- het (telkens) brengen van zijn/hun vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (telkens) brengen van zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (telkens) brengen van zijn/hun penis(sen) in de mond van die [slachtoffer 2] , en/of

- het (telkens) brengen van zijn/hun vingers in de anus van die [slachtoffer 2] ;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen. Ook het bewijs voor misleiding of misbruik van een kwetsbare positie ontbreekt, nu [slachtoffer 1] zich tegenover verdachte niet of nauwelijks in concrete zin heeft uitgelaten over haar mentale weerbaarheid en haar psychische gesteldheid. Evenmin kan volgens de verdediging worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] , nu hij hier niet van op de hoogte was. Verdachte heeft slechts een marginale rol gespeeld bij de voorbereiding of de uitvoering van de ten laste gelegde gedragingen, waardoor geen sprake kan zijn van medeplegen.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde feit heeft de verdediging betwist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op oplichting. Aangevoerd is dat niet is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een oplichtingsmiddel waardoor [slachtoffer 1] is bewogen tot de afgifte van een goed. Verdachte was in de veronderstelling dat er sprake was van een relatie en heeft uitsluitend op verzoek van [slachtoffer 1] geld overgemaakt.

Ten aanzien van het primair onder 3. ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat het wettig bewijs ontbreekt nu de beelden het enige bewijsmiddel vormen. Verder stelt de verdediging dat er onvoldoende bewijs is om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van dwang van de zijde van verdachte. Van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte is in dat opzicht evenmin sprake. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit is betoogd dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een dusdanig verminderd bewustzijn bij [slachtoffer 2] dat dit aan haar seksuele wilsvorming of wilsuiting in de weg gestaan heeft of dat verdachte zich van een eventuele staat van verminderd bewustzijn van [slachtoffer 2] bewust is geweest.

4 Oordeel van de rechtbank

4.1.

Partiële vrijspraak van de onder 2 en primair onder 3. ten laste gelegde feiten

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 en primair onder 3. ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt wat feit 3 betreft dat niet is gebleken dat sprake was van dwang. Ten aanzien van feit 2 verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder 4.3.2. is overwogen.

4.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair onder 1. ten laste gelegde feit en het subsidiair onder 3. ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

4.3.

Bewijsoverwegingen

4.3.1

Feit 1

Betrouwbaarheid [slachtoffer 1]

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] op verschillende momenten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De aanwezigheid van tegenstrijdigheden kan ertoe leiden dat één of meer verklaringen onvoldoende betrouwbaar moeten worden geacht en om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dit is echter niet het geval wanneer er een aannemelijke verklaring is voor de verschillen in de relevante onderdelen van de verklaring, en de verklaringen overigens in essentie voldoende consistent en geloofwaardig zijn. In de onderhavige situatie is hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake. [slachtoffer 1] heeft over [medeverdachte] verklaard dat hij haar sloeg, dat zij het geld dat zij met de prostitutiewerkzaamheden verdiende aan hem gaf en dat [medeverdachte] en [verdachte 1] over haar bankpas en pincode beschikten. Die onderdelen van haar verklaring worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat waar zij anders verklaart, en verdachten lijkt te ontlasten, dit voortkomt uit verliefdheid op [medeverdachte] en de wens om samen met hem een gezin te stichten. [slachtoffer 1] geeft immers ook met zoveel woorden tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris aan dat het haar stelregel is om over hem geen belastende verklaring af te leggen. Nu de verklaringen van [slachtoffer 1] verder voldoende consistent zijn is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] op de onderdelen die ondersteund worden door of in lijn zijn met (een) ander(e) bewijsmiddel(en) betrouwbaar en geloofwaardig zijn en derhalve voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

Bij misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gaat het om een geobjectiveerd bestanddeel waardoor bescherming wordt geboden aan hen die in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn. Met betrekking tot dit bestanddeel geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. In de onderhavige zaak is hiervan sprake geweest.

[medeverdachte] wist dat [slachtoffer 1] verliefd op hem was en een gezin met hem wilde stichten, ook [verdachte 1] was daarvan op de hoogte. [medeverdachte] heeft haar op dit punt misleid. Alhoewel dit ten aanzien van [verdachte 1] niet als misleiding kan worden gekwalificeerd, speelt de wetenschap van deze misleiding door [medeverdachte] wel een rol bij de beoordeling van het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht door beide verdachten. Daarnaast waren verdachten ervan op de hoogte dat zij lijdt aan Asperger. Hoewel concrete en medisch onderbouwde informatie daarover ontbreekt, blijkt uit de bewijsmiddelen voldoende dat [slachtoffer 1] een kwetsbare persoon is, die zich gemakkelijk laat beïnvloeden en domineren. Van dit alles hebben verdachten misbruik gemaakt. Zo was er sprake van relationele ongelijkheid. [slachtoffer 1] was totaal ondergeschikt aan [medeverdachte] en in het verlengde daarvan ook aan [verdachte 1] . Dit blijkt onder meer uit het feit dat [slachtoffer 1] niet over haar eigen geld kon beschikken. Voor huisvesting en eten was zij afhankelijk van hen. Vóór haar verblijf bij [medeverdachte] was zij immers min of meer dakloos. Verder kon zij niet zelf bepalen wat er met haar verdiensten gebeurde en mocht zij het huis niet verlaten. Tevens werd zij geslagen wanneer huishoudelijke taken in de ogen van [medeverdachte] niet naar behoren waren verricht. Ook [verdachte 1] heeft haar geslagen, zo blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] verkeerde dan

ook niet in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

De voorgaande omstandigheden tezamen leveren een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op, waaraan [slachtoffer 1] geen weerstand kon bieden. Verdachten waren op de hoogte van het overwicht dat vooral [medeverdachte] op haar had en verdachten hebben daar misbruik van gemaakt.

Handelingen (sub 1)

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] bij [medeverdachte] in huis heeft verbleven. Nadat er op 13 maart 2017 een prostitutiecontrole in zijn woning heeft plaatsgevonden heeft [slachtoffer 1] , zoals door haar op 27 september 2017 is verklaard, af en toe bij [verdachte 1] maar meer structureel bij de halfbroer van [medeverdachte] , [halfbroer] verbleven. Daarbij is ook de controle over [slachtoffer 1] bij afwezigheid van [medeverdachte] overgedragen aan zijn halfbroer. Bij hem thuis gold eenzelfde regiem op het punt van onvrijheid en geld en daarnaast moest [slachtoffer 1] seks met hem hebben. Dit leidt de rechtbank af uit de verklaringen die hierover zijn afgelegd door [slachtoffer 1] en [halfbroer] . Ook als zij bij [verdachte 1] verbleef was zij beperkt in haar bewegingsvrijheid en moest zij veelal boven blijven. [verdachte 1] heeft [slachtoffer 1] na haar vertrek uit het Oranjehuis naar Alkmaar gebracht.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachten [slachtoffer 1] hebben vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met inbegrip van de overdracht van de controle over haar.

Oogmerk van uitbuiting (sub 1)

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (Vergelijk: HR 5 februari 2002, LJN AD5235). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie waarin [slachtoffer 1] verkeerde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een uitbuitingssituatie.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat instemming met de uitbuiting niet in de weg hoeft te staan aan bewezenverklaring van die uitbuiting, indien één van de in de wet omschreven dwangmiddelen is gebruikt.

Bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4)

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen en het voorgaande dat [verdachte 1] in vereniging met [medeverdachte] door middel van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 1] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en het ter beschikking stellen van haar bankpas en -gegevens. Die handelwijze levert gezien de aard van die handelingen uitbuiting op. Alhoewel het bestanddeel uitbuiting geen deel uitmaakt van de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr, moet het als impliciet bestanddeel daarin worden gelezen. Gelet op hetgeen eerder is overwogen over het oogmerk van uitbuiting acht de rechtbank ook dit (impliciete) bestanddeel bewezen.

Bevoordeling uit de opbrengst van de seksuele handelingen (sub 9)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen en het voorgaande bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte 1] in vereniging door middel van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 1] hebben bewogen inkomsten uit haar prostitutiewerkzaamheden aan [medeverdachte] af te staan.

Voordeel trekken (sub 6)

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor omschreven gedragingen van verdachten volgt dat zij opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] .

Pleegperiode

De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging vermelde pleegperiode ten aanzien van de uitbuiting van [slachtoffer 1] moet worden ingekort. Uit het dossier volgt dat de seksadvertentie op Kinky.nl is aangemaakt op 29 december 2016. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat vanaf op zijn vroegst 1 november 2016 is begonnen met het voorbereiden van [slachtoffer 1] op deze manier van het verkrijgen van inkomsten. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er nog prostitutiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden na 13 maart 2017, maar wel hebben er vanaf november 2016 en ook na 13 maart 2017 diverse financiële transacties plaatsgevonden vanaf de bankrekening van [slachtoffer 1] , waaruit verdachten voordeel hebben getrokken.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachten in de relevante periode veelal bij elkaar waren en dat [verdachte 1] veel zaken voor [medeverdachte] regelde. Voorts was [verdachte 1] actief betrokken bij de organisatie rond de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] , heeft hij geweld tegen haar gebruikt en maakte hij gelden over van haar bankrekening. Hij was bekend met haar aandoening Asperger. Nadat [slachtoffer 1] in september 2017 door de politie in een opvanghuis was ondergebracht heeft [verdachte 1] direct getracht haar op te sporen en heeft hij vervolgens geprobeerd haar daar op te halen.

Aldus was [verdachte 1] nauw betrokken bij en had hij een substantiële bijdrage aan (het continueren van) de primair door [medeverdachte] gecreëerde uitbuitingssituatie van [slachtoffer 1] .

Waar de verdediging aanvoert dat [verdachte 1] niet op de hoogte was van de uitbuitingssituatie en dacht dat sprake was van een affectieve relatie, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Zowel in de periode na de prostitutiecontrole in maart 2017 als na de aanhouding van [medeverdachte] in september 2017 heeft [verdachte 1] [slachtoffer 1] immers enige tijd gehuisvest in zijn ouderlijk huis. Ook daar beschikte zij niet over haar bankpas en mocht zij alleen beneden komen met toestemming van [verdachte 1] [E181 en E185]. Ook heeft [verdachte 1] in de periode van 3 oktober 2017 tot 25 oktober 2017 nog contante opnamen tot een bedrag van € 5.010,- vanaf haar bankrekening gedaan [L202, 203] waarvan [slachtoffer 1] niets in handen heeft gekregen. Dit alles had tot gevolg dat de uitbuitingssituatie waarin [slachtoffer 1] zich eerder bevond ook na de aanhouding van [medeverdachte] voortduurde. Hoewel dit ná de tenlastegelegde periode plaatsvond valt dit gedrag, én het slaan van [slachtoffer 1] door [verdachte 1] (door [slachtoffer 2] gezien in de tenlastegelegde periode), niet te rijmen met een affectieve relatie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 1] . Het in juli 2016 door [verdachte 1] verzonden Whapp-bericht: “ewa gewoon die bitches aan t werk zetten ook, eerst investeren daarna terughalen hahah” [E 196], past daarentegen wel bij de bewezenverklaarde uitbuiting.

Het aandeel van [verdachte 1] in het gehele uit de bewijsmiddelen blijkende feitencomplex was zodanig substantieel dat zijn gedrag kwalificeert als medeplegen van de mensenhandel.

4.3.2.

Feit 2

Oplichting

Het gezamenlijk gedrag van verdachten leidt voor beiden tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel. Anders dan voor [medeverdachte] , levert het aandeel dat [verdachte 1] daarin had niet tevens de bewezenverklaring op van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van oplichting. Het aandeel van [verdachte 1] was vooral uitvoerend van aard, droeg bij aan het misbruik uit het overwicht dat verdachten op [slachtoffer 1] hadden en zag niet direct op misleiding. Om die redenen staan zijn gedragingen in een te ver verwijderd verband tot de hem verweten oplichting. Dit leidt tot vrijspraak voor dit feit.

4.3.3.

Feit 3 subsidiair

De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat verdachte seksuele handelingen die mede bestonden uit seksueel binnendringen heeft verricht met [slachtoffer 2] . Voor de beoordeling van de vraag of verdachten hebben gehandeld in strijd met artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht, dient allereerst te worden beoordeeld of [slachtoffer 2] ten tijde van de seksuele handelingen verkeerde in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of van lichamelijke onmacht.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen buiten bewustzijn is geweest of dat zij in een fysiek weerloze toestand heeft verkeerd. De vraag is dan ook of aangeefster verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel verminderd bewustzijn in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Daarbij is niet relevant of iemand door eigen toedoen in die toestand is geraakt. Dat iemand heeft ingestemd met de seksuele handelingen staat evenmin aan bewezenverklaring in de weg.

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] vast dat zij ten tijde van het onder 3. ten laste gelegde zwaar onder invloed van alcohol en xtc-pillen was en dat zij geen/nauwelijks herinneringen aan het gebeurde heeft. Wel herinnert ze zich nog dat ze de pillen van de jongens kreeg en dat er een pil in haar mond gepropt werd, op het moment dat ze naar eigen zeggen eigenlijk al teveel op had (4 pillen). Dat [slachtoffer 2] zwaar onder invloed was blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de videobeelden worden beschreven waaronder [slachtoffer 2] ’ (gebrek aan) reacties op de gedragingen van verdachten en de opmerkingen op verschillende tijdstippen van de medeverdachte dat [slachtoffer 2] te veel pillen op heeft, dat [slachtoffer 2] op is of dat een pil te hard voor haar is.

Ten aanzien van het verweer dat [verdachte 1] zich niet bewust zou zijn geweest van het feit dat [slachtoffer 2] in staat van verminderd bewustzijn was overweegt de rechtbank als volgt. Dat de toestand van [slachtoffer 2] niet kenbaar was voor [verdachte 1] , en dat hij deze toestand niet zou hebben opgemerkt, is gelet op de langdurige fysieke nabijheid van de drie personen hoogst onwaarschijnlijk en wordt weerlegd door de hiervoor genoemde opmerkingen van [medeverdachte] dat de pil te hard voor haar is. Verdachten hebben aldus minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , in een staat van verminderd bewustzijn als bedoeld in artikel 243 Sr verkeerde.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering, zodanig dat dit als medeplegen geldt. Op instructie en bevelen van [medeverdachte] neemt [slachtoffer 2] meermalen de penis van [verdachte 1] in haar mond. Deze heeft daartoe zijn penis ontbloot en telkens aangeboden. Dat [verdachte 1] de handelingen louter passief zou hebben ondergaan blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Integendeel, ook hij heeft [slachtoffer 2] aan de haren getrokken.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en subsidiair onder 3. ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 26 september 2017 te Alkmaar en Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

[slachtoffer 1] ,

telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

1) heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met inbegrip van de overdracht van de controle over die [slachtoffer 1] , met het oogmerk van uitbuiting, en

2) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten

te weten diensten van seksuele aard, het ter beschikking stellen van haar bankpas en bankrekening en op die bankrekening aanwezige geldbedragen en van de pincode en inloggegevens van haar bankrekening, en

3) heeft bewogen zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en

4) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] ;

Feit 3 subsidiair

hij op of omstreeks 15 mei 2016 in de gemeente Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

met [slachtoffer 2] , van wie zij, verdachten, wisten dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, immers was die [slachtoffer 2] zwaar onder invloed van alcoholhoudende drank en drugs in de vorm van XTC,

handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:

- het brengen van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] , en

- het telkens brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1, 4, 6 en 9 omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 3:

met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

Het verweer van de verdediging dat de seksuele handelingen met volledige instemming van [slachtoffer 2] hebben plaatsgevonden, begrijp de rechtbank als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, die tot gevolg zou hebben dat de wederrechtelijkheid aan de gedraging komt te ontvallen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Mogelijk dat tussen [slachtoffer 2] en verdachten op vrijwillige basis seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Dit maakt niet dat deze vrijwilligheid ook ten aanzien van de bewezenverklaarde seksuele handelingen kan worden aangenomen. Dat [slachtoffer 2] van begin tot het eind zou hebben ingestemd met alle uitgevoerde seksuele handelingen valt evenmin af te leiden uit andere uit het dossier blijkende omstandigheden, waaronder de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen. Zij verklaart immers dat het niet geheel onvrijwillig was en zij een black out had (E163). Uit haar onwil om aangifte te doen kan evenmin haar instemming worden afgeleid nu zij daarvoor als redenen heeft opgegeven dat zij bijna niks meer weet van wat er toen gebeurd is en zij vindt dat zij niet sterk genoeg in haar schoenen staat en daarnaast heeft aangegeven dat zij “nu al gezeik met die jongens” heeft en berichtjes van ze krijgt (G03.38-G03.39).

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit verzocht om te differentiëren in de strafmaat, om tot uitdrukking te brengen dat verdachte een kleinere rol heeft gespeeld dan de medeverdachte. Bovendien benadrukt de verdediging dat er geen sprake is van recidive. Bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit zou volgens de verdediging tot niet meer moeten leiden dan enkele maanden (extra) op te leggen gevangenisstraf. De verdediging heeft de rechtbank dan ook verzocht te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarnaast de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte 1] heeft zich samen met [medeverdachte] medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitbuiting van een jonge kwetsbare vrouw. Verdachten wisten dat het slachtoffer lijdt aan het syndroom van Asperger en dat het slachtoffer verliefd was op [medeverdachte] . Door misbruik te maken van hun overwicht op het slachtoffer hebben verdachten haar niet alleen bewogen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten en het daarmee verdiende geld aan [medeverdachte] af te staan, maar ook om haar bankpas en bankgegevens aan hen ter beschikking te stellen. Het was [medeverdachte] die bepalend was bij het creëren van de uitbuitingssituatie door het slachtoffer in de waan te laten dat zij een toekomst samen hadden en het regelen van de plek waar de prostitutie kon plaatsvinden. Daarnaast heeft hij haar doen geloven dat zij hem grote geldbedragen schuldig was in verband met schades die zij volgens hem had veroorzaakt. Op die manier is het slachtoffer overgehaald om vrijwel al haar geld af te staan en aan verdachten haar bankgegevens ter beschikking te stellen. [verdachte 1] heeft hieraan actief bijgedragen door toezicht te houden tijdens de prostitutiewerkzaamheden, geweld toe te passen, haar te huisvesten en haar in haar bewegingsvrijheid te beperken. Daarnaast heeft hij regelmatig gelden geïnd van de bankrekening van [slachtoffer 1] met gebruikmaking van haar bankpas danwel inloggegevens. Met deze rolverdeling zal de rechtbank -in het voordeel van verdachte- bij het bepalen van de strafmaat rekening houden. Verdachte wilde op deze manier snel geld verdienen en heeft geen enkel oog gehad voor de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer, die blijkens de slachtofferverklaring tot op de dag van vandaag worstelt met haar gevoelens voor [medeverdachte] en het feit dat zij door hem bedrogen is.

Verdachten hebben voorts vergaande seksuele handelingen, onder andere bestaande uit het seksueel binnendringen, verricht bij een slachtoffer dat in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Door dit feit te plegen hebben verdachten op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachten hebben misbruik gemaakt van de onmachtige situatie waarin het slachtoffer verkeerde, enkel ter bevrediging van hun eigen lustgevoelens. Uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer al zwaar onder invloed van alcohol was toen zij met verdachten mee naar huis ging. Eenmaal thuis aangekomen heeft zij maar liefst vier xtc-pillen van verdachten gekregen, waarbij de laatste pil in haar mond werd ‘gepropt’. Het slachtoffer heeft tevens verklaard dat verdachten zelf nooit drugs gebruikten. Deze combinatie van omstandigheden maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het er alle schijn van heeft dat verdachten erop uit zijn geweest om het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn te brengen, hetgeen hen ernstig wordt aangerekend.

Daar komt bij dat de seksuele handelingen zijn gefilmd en het slachtoffer hier pas later van op de hoogte is geraakt. Door het maken van de filmbeelden hebben verdachten een ernstige inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte bovendien aan dat hij er op de terechtzitting op geen enkel wijze blijk van heeft gegeven dat hij inziet dat hij met zijn handelen de grenzen van het slachtoffer ernstig heeft overschreden. Dit maakt dat er gevaar voor herhaling bestaat.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank kennis genomen van het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 mei 2019. Verdachte is in het verleden met justitie in aanraking gekomen, maar niet voor soortgelijke feiten. Het strafblad van verdachte zal daarom niet in strafverzwarende zin worden meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank, overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 19 juli 2018 door de politierechter tot een taakstraf voor de duur van 20 uren is veroordeeld, in verband met een veroordeling wegens wederspannigheid en nu schuldig wordt bevonden aan een misdrijf dat is gepleegd vóór de hierboven genoemde datum.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Gelet op die straf zal de rechtbank het verzoek om de voorlopige hechtenis op te heffen afwijzen.

8 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de Samsung telefoon wit met nummer 432304, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 3. bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp, dat verdachte toebehoort en waarop afbeeldingen van het onder 3 bewezenverklaarde zijn opgeslagen, is in strijd met het algemeen belang.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 96.560,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De benadeelde partij heeft tevens gevorderd dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit geld dat van haar bankrekening is gehaald (€ 18.760,-), haar ontnomen inkomsten uit prostitutie (€ 67.800,-) en smartengeld (€10.000,-). De vordering is ter terechtzitting namens de benadeelde partij toegelicht door haar gemachtigde advocaat mr. M.D.A. Stam.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat in de vordering van de benadeelde partij is uitgegaan van een ruimere periode dan in het rapport dat ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering, in die zin dat er meer dagen zijn geteld voor het berekenen van de prostitutie inkomsten. Volgens de officier van justitie dient echter te worden uitgegaan van het bedrag van de rapportage berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De immateriële schadevergoeding is volgens de officier van justitie voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 55.330, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu het om een complexe vordering gaat en een zeer hoog bedrag. Derhalve vormt behandeling van de vordering aldus de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding.

Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om met betrekking tot de schadevergoeding uit te gaan van het bedrag van de ontnemingsrapportage en de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit aspect van de vordering te complex zou zijn, er geen stukken zijn overlegd waar de gestelde schade uit blijkt en de vordering van de immateriële schade ook ziet op schade ten gevolge van de strafbare feiten die zijn gepleegd door [halfbroer] .

Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om het bedrag van de vordering te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, met uitzondering van de buiten de bewezenverklaarde periode contant opgenomen geldbedragen, tot een bedrag van € 19.920,00 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1. bewezen verklaarde feit en derhalve toewijsbaar is.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade van € 10.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat deze mede omvat de immateriële schade die is toegebracht door het gewelddadig gedrag van en de gedwongen seks met [halfbroer] , in de periode dat zij bij hem verbleef. Anders dan de verdediging meent, komt ook deze schade voor vergoeding in aanmerking. Deze handelingen vonden plaats tijdens de bewezenverklaarde periode en [slachtoffer 1] was door verdachten willens en wetens bij [halfbroer] ondergebracht, onder hetzelfde regiem dus met handhaving van financiële en fysieke onvrijheden en met de instructie dat zij seks met hem moest hebben.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het bewezenverklaarde medeplegen van feit 1zijn [medeverdachte] en [verdachte 1] beiden verantwoordelijk voor de schade van [slachtoffer 1] . De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mensenhandel] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Amsterdam van 10 november 2016 in de zaak met parketnummer 13/654006-16 is verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 25 november 2016.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een vordering ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijke sanctie. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gepersisteerd in haar vordering tot tenuitvoerlegging.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen, nu de huidige verdenking op geheel andere feiten ziet en het vonnis waarin de voorwaardelijke straf is opgelegd is gewezen op 10 november 2016.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de proeftijd ten tijde van het onder 3. bewezen verklaarde feit (omstreeks 15 mei 2016) nog niet was ingegaan, kan niet worden geoordeeld dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie om die reden afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36b, 36d, 36f, 47, 57, 63, 243, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair onder 3. is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en subsidiair onder 3. ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven;

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Samsung mobiele telefoon wit met nummer 432304;

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Agenda 2016, 432307;

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 1] , van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Samsung mobiele telefoon wit met nummer 432301;

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade, te weten tot een bedrag van € 29.920,- (negentwintig duizend negenhonderd twintig euro), bestaande uit € 19.920,- als vergoeding voor de materiële en € 10.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 29.920,- (negentwintig duizend negenhonderd twintig euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 184 (honderd vierentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/654006-16 opgelegde voorwaardelijke straf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. M. Mateman en mr. T. Fuchs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2019.

Mr. T. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage

De bewijsmiddelen