Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:6049

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder een dwangsom van € 40 of € 160 verschuldigd is in verband met niet tijdig beslissen op een bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank leidt uit de gedragingen van de professioneel gemachtigde af dat hij willens en wetens de ingebrekestelling via verschillende, al dan niet daarvoor opengestelde, kanalen uitsluitend stuurde naar een niet bevoegd bestuursorgaan. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de gemachtigde zo gehandeld heeft met geen enkel ander doel dan de besluitvorming te vertragen en dat op die manier een zo hoog mogelijk bedrag aan dwangsommen verbeurd werd. Het beroep is ongegrond en verweerder was een dwangsom van € 40 verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-07-2019
FutD 2019-1893
V-N Vandaag 2019/1649
NTFR 2019/1933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: G. Veldhuisen),

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft verweerder bij brief van 2 mei 2017 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 26 mei 2016 inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Verzocht wordt om binnen een termijn van twee weken alsnog op het bezwaar te beslissen.

Verweerder heeft op 24 mei 2017 uitspraak op bezwaar gedaan inzake de naheffingsaanslag. Bij beschikking van 1 augustus 2017 heeft verweerder een dwangsom toegekend van € 40.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2019 te Haarlem.

Eiseres is niet ter zitting verschenen. Namens eiseres is haar gemachtigde ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.M. de Bie-Stokman.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres op 15 april 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 64,10 (€ 4,10 aan parkeerbelasting en € 60 aan kosten in verband met het opleggen van de naheffingsaanslag). Met dagtekening 31 mei 2016 heeft verweerder een duplicaatnaheffingsaanslag aan eiseres verzonden. In de toelichting onder “4. BEZWAARSCHRIFT” staat het volgende vermeld.

U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Haarlem, t.a.v. de Inspecteur Belastingen, Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp.

2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Dit bezwaar is gedagtekend 26 mei 2016 en op 30 mei 2016 door verweerder ontvangen.

3. Eiseres heeft een kopie van haar bezwaarschrift verstuurd naar het volgende adres en daarbij de volgende gegevens opgenomen.

“De Inspecteur Belastingen (…)

Gemeente Haarlemmermeer Fax: 023-5563561 (buiten gebruik)

Antwoordnummer 400 Email: info@haarlemmermeer.nl

2130 WB Hoofddorp (…)”

Als bijlage bij het bezwaarschrift is een ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ opgenomen. In voormeld formulier staat bij de datum vermeld: 2 mei 2017. In het formulier staat het volgende ‘voorgedrukt’:

“Dit formulier volledig ingevuld en ondertekend opsturen naar het bestuurs

-orgaan waar u de aanvraag of het bezwaar heeft ingediend.”

Vervolgens is daarbij ingevuld:

“(…) Gemeente Haarlem, t.a.v. de Inspecteur Belastingen

(…) Postbus 796

(…) 2130 AT HOOFDDORP”

4. Op het bezwaarschrift staat het volgende gestempeld:

INGEKOMEN

08 MEI 2017

5. De gemachtigde van eiseres, G. Veldhuizen, is een professioneel gemachtigde welke optreedt in verschillende bestuursrechtelijke procedures.

Geschil
6. In geschil is of verweerder een dwangsom is verschuldigd over twee of over acht dagen.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een dwangsom van € 160 in plaats van € 40. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de eerste dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat de dwangsom voor de eerste veertien dagen dat het bestuursorgaan in gebreke is € 20 per dag bedraagt.

11. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend.

12. Eiseres stelt dat zij op 2 mei 2017 een ingebrekestelling heeft verstuurd per fax, per e-mail en per brief naar het door verweerder gecommuniceerde adres en dat verweerder deze ingebrekestelling ook op die datum heeft ontvangen.

13. Ten aanzien van de fax overweegt de rechtbank dat uit de kopie van het bezwaarschrift volgt dat de gemachtigde van eiseres wist dat hij de ingebrekestelling stuurde naar een faxnummer dat kennelijk buiten gebruik was. Immers, in zijn brief heeft de gemachtigde achter het faxnummer opgenomen: “(buiten gebruik)”. Ten aanzien van de e-mail overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken dat de door gemachtigde gestelde verzonden e-mail is ontvangen door de geadresseerde ‘info@haarlemmermeer.nl’, dan wel verweerder. Eiseres heeft geen ontvangstbevestiging van de e-mail overgelegd.

14. Niet gebleken is dat verweerder kenbaar heeft gemaakt dat de weg geopend is om een bezwaar, dan wel een ingebrekestelling elektronisch (per fax dan wel per e-mail) naar verweerder te zenden.

15. De rechtbank overweegt dat anders dan de gemachtigde stelt, hij de ingebrekestelling niet heeft gezonden aan het gecommuniceerde postadres. Immers op de voorzijde van de duplicaat naheffingsaanslag staat drie maal hetzelfde postadres (Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp) afgedrukt. Bij twee van die vermeldingen staat vermeld: “gemeente Haarlem”. Daarnaast staat in de rechtsmiddelenverwijzing op de achterzijde van de duplicaat naheffingsaanslag nogmaals voormeld postadres afgedrukt. De rechtbank overweegt voorts dat gemachtigde blijkens het formulier ingebrekestelling kennelijk wel op de hoogte was van het juiste postadres en het juiste bestuursorgaan. Immers, in dit formulier heeft de gemachtigde als bevoegd bestuursorgaan de gemeente Haarlem en het juiste postadres opgenomen.

16. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de professioneel gemachtigde van eiseres willens en wetens de ingebrekestelling via verschillende, al dan niet daarvoor opengestelde, kanalen uitsluitend stuurde naar een niet bevoegd bestuursorgaan. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de gemachtigde zo gehandeld heeft met geen enkel ander doel dan de besluitvorming te vertragen en dat op die manier een zo hoog mogelijk bedrag aan dwangsommen verbeurd werd. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om voor wat betreft de aanvang van de termijn van de ingebrekestelling af te wijken van het tijdstip waarop deze ingebrekestelling per brief door verweerder is ontvangen. Aangezien op de brief met de ingebrekestelling een stempelafdruk staat met “INGEKOMEN 08 MEI 2017”, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder de ingebrekestelling op die datum heeft ontvangen. Derhalve was verweerder over 23 en 24 mei 2017 een dwangsom verschuldigd van in totaal € 40. Verweerder heeft de dwangsom overeenkomstig vastgesteld.

17. Hetgeen eiseres voorts heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

18. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.