Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5926

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4217
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet is aannemelijk dat aan de facturen reële goederenleveringen ten grondslag liggen. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd.

Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres had kunnen weten dat zij ter zake van de handelingen waarvoor zij aftrek van voorbelasting claimt, deelnam aan btw-fraude in een keten van leveringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-08-2019
V-N Vandaag 2019/1959
FutD 2019-2255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/4217 tot en met HAA 17/4220

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2019 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: J.E.R.J. van der Leden),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

HAA 17/4217

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 oktober 2015 over het tijdvak 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) opgelegd ten bedrage van € 137.393.

HAA 17/4218

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 oktober 2015 over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 april 2014 een naheffingsaanslag OB opgelegd ten bedrage van € 142.814.

HAA 17/4219

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 oktober 2015 over het tijdvak 1 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 een naheffingsaanslag OB opgelegd ten bedrage van € 171.414.

HAA 17/4220

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 oktober 2015 over het tijdvak 1 juni 2014 tot en met 30 juni 2014 een naheffingsaanslag OB opgelegd ten bedrage van € 147.855.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 1 juli 2017 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 28 december 2017 in de zaken HAA 17/4218, HAA 17/4219 en HAA 17/4220 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Bruin en mr. M.J. van Haaren.

Overwegingen

Feiten

1. De ondernemersactiviteiten van eiseres bestaan voornamelijk uit de groothandel in bloemen, planten en aanverwante producten. De bloemen worden volgens de administratie ingekocht bij in Nederland geregistreerde ondernemingen en worden doorverkocht aan ondernemingen in Rusland. In sommige gevallen vindt dit plaats via Tsjechische ondernemingen. Eiseres is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel per 12 januari 2008 gestart met haar bedrijfsactiviteiten. De aandeelhouders zijn [A] ( [A] ) en [B] , ieder voor 50%. [A] is enig bestuurder van eiseres. De bedrijfsactiviteiten van eiseres vinden plaats in Honselersdijk.

2. De bedrijfsactiviteiten van eiseres zijn tot en met het 3e kwartaal 2012 minimaal geweest. Vanaf het vierde kwartaal 2012 zijn de activiteiten van eiseres aanzienlijk toegenomen. Ongeveer 75% van de inkopen over de periode vanaf het 4e kwartaal van 2012 tot medio augustus 2014 door eiseres wordt gedaan bij [A BEDRIJF] Holding B.V. ( [A BEDRIJF] ). De totale omvang van de inkopen van eiseres in die periode bij die vennootschap bedraagt ruim € 24 miljoen.

3. [A BEDRIJF] staat bij de Belastingdienst geregistreerd en bekend als holdingmaatschappij. Tot het dossier behoren de facturen met betrekking tot de leveringen door deze vennootschap, doch geen informatie over inkooporders, kopieën van transportpapieren of andere documenten. Op de facturen van [A BEDRIJF] wordt geen btw-identificatienummer van de vennootschap genoemd. De betalingen van eiseres aan [A BEDRIJF] vinden tot 23 oktober 2013 plaats op een Nederlandse bankrekening ten name van [A BEDRIJF] Holding B.V. en na 23 oktober 2013 op een Letse bankrekening ten name van [B BEDRIJF] Ltd. [A BEDRIJF] koopt goederen in bij [B BEDRIJF] Ltd. [A BEDRIJF] heeft de verschuldigde omzetbelasting op de uitgeschreven facturen aan eiseres niet aangegeven en niet voldaan. Op 7 februari 2013 is het omzetbelastingnummer van [A BEDRIJF] ingetrokken.

4. Op 13 augustus 2014 is een waarschuwingsbrief aan eiseres uitgereikt, waarbij eiseres geïnformeerd werd over haar hoofdleverancier, [A BEDRIJF] , en waarbij het sterke vermoeden werd geuit dat de aangeschafte goederen werden verhandeld in een (carrousel)fraude-keten. Daarbij is eiseres gewezen op de fiscale gevolgen. Na de uitreiking van de waarschuwingsbrief en het blokkeren van de geclaimde voorbelasting bij eiseres is de handel van eiseres aanzienlijk gedaald.

5. Verweerder heeft bij eiseres met startdatum 16 oktober 2014 een boekenonderzoek uitgevoerd.

6. [A] is tevens 100%-aandeelhouder van [C BEDRIJF] B.V. In het kader van de boekenonderzoeken bij [C BEDRIJF] B.V. en eiseres heeft op 18 december 2014 een bespreking plaatsgevonden. Hierbij was gemachtigde naast [A] en de door laatstgenoemde voor [C BEDRIJF] B.V. ingeschakelde adviseur aanwezig. Op vragen van de Belastingdienst kon [A] naar eigen zeggen niet aangegeven hoe het contact is gelegd met de directeur-grootaandeelhouder van [A BEDRIJF] , de heer [C] ( [C] ), en hoe bestellingen werden geplaatst en afgehandeld. Als contactgegevens had [A] alleen de voornaam en het mobiele telefoonnummer van [C] .

7. Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslagen zijn berekend naar de op facturen van [A BEDRIJF] aan eiseres in rekening gebrachte omzetbelasting (voorbelasting) ter zake van de inkopen. Deze voorbelasting had eiseres bij haar aangiften in aftrek gebracht.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Geschil

9. In geschil is de vraag of eiseres recht heeft op aftrek van de omzetbelasting vermeld op de facturen van [A BEDRIJF] .

10. Eiseres stelt in de eerste plaats dat sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat tijdens de hoorzitting op 18 december 2014 onverwacht werd meegedeeld dat het gesprek tevens betrekking had op het voor de gemachtigde onbekende bedrijf [C BEDRIJF] B.V. en hierbij ook de gemachtigde van [C BEDRIJF] B.V. aanschoof. Voorts voert eiseres aan dat de controle lange tijd in beslag heeft genomen en tijdens de controle amper naar de ordners met exportdocumenten is gekeken. Ook voert eiseres aan dat [A] niet gehoord had mogen worden omdat hij in Nederland geen arbeid mag verrichten. Ten slotte is volgens eiseres het volledig vervallen van de aftrek van voorbelasting op de facturen van [A BEDRIJF] een exorbitant hoge straf voor de omissie van de administrateur van eiseres om het ontbreken van het btw-identificatienummer van [A BEDRIJF] op de facturen niet op te merken.

11. Verweerder neemt primair het standpunt in dat aan de facturen van [A BEDRIJF] geen reële goederenleveringen ten grondslag liggen, zodat geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Subsidiair stelt verweerder dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, omdat eiseres wist of behoorde te weten dat zij deelnam aan fraude in het kader van een keten van leveringen (de zogenaamde carrouselfraude). Meer subsidiair stelt verweerder dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat omdat de facturen van [A BEDRIJF] niet voldoen aan de factuurvereisten doordat het btw-identificatienummer van [A BEDRIJF] op de facturen ontbreekt.

Beoordeling van het geschil

12. De rechtbank zal allereerst beoordelen of de onderhavige naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de door eiseres naar voren gebrachte punten.

Vanwege aan de ondernemer verrichte prestaties

13. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan een ondernemer btw in aftrek brengen die door andere ondernemers aan hem in rekening is gebracht vanwege aan hem verrichte prestaties indien en voor zover sprake is van gebruik voor belaste prestaties. Niet in geschil is dat eiseres beschikt over op haar naam gestelde facturen waarbij btw in rekening is gebracht en dat – indien sprake is van leveringen aan eiseres – de afgenomen goederen gebruikt worden voor haar belaste prestaties. Beoordeeld dient uitsluitend te worden of de btw in rekening is gebracht vanwege aan eiseres verrichte prestaties, in het bijzonder of sprake is van leveringen van de betrokken goederen aan eiseres door [A BEDRIJF] of dat, zoals verweerder stelt, geen sprake is van reële goederenleveringen.

14. Op degene die het recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan. (vergelijk Hoge Raad 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461) Het is dus aan eiseres is om, gelet op de betwisting door verweerder, te bewijzen dat sprake is van reële leveringen.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, tegenover al hetgeen verweerder heeft ingebracht in onderling verband bezien, niet aannemelijk gemaakt dat aan de facturen uitgereikt door [A BEDRIJF] reële goederenleveringen ten grondslag liggen. Hetgeen eiseres heeft gesteld en ingebracht is onvoldoende voor de onderbouwing dat sprake is geweest van werkelijke leveringen van goederen. De rechtbank wijst hierbij op de onder 3 genoemde feiten en omstandigheden. De rechtbank acht niet aannemelijk dat bij werkelijke inkopen van een omvang als genoemd in 2 de contacten met de leverancier uitsluitend telefonisch zijn verlopen, slechts een telefoonnummer en een voornaam van de leverancier voorhanden zijn bij de enig bestuurder van eiseres en dat eiseres met betrekking tot deze inkopen alleen over facturen beschikt. Iedere ondernemer aan wie leveringen van dergelijke omvang worden verricht, zal daarvan een administratie bijhouden en over documenten beschikken ter zake van de inkooptransacties, het vervoer en kwaliteitscontroles, naast de facturen. Dit klemt te meer, nu de inkopen bij [A BEDRIJF] 75% van alle inkopen van eiseres vormen. Verder heeft eiseres ter zitting haar verklaring dat de van [A BEDRIJF] ingekochte goederen in Honselersdijk zijn afgeleverd, daar zijn gecontroleerd en opnieuw zijn verpakt, bevestigd, doch daarvan opnieuw geen bewijs verstrekt. Ook heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat uit derdenonderzoek bij [A BEDRIJF] is gebleken dat bij die vennootschap een zeer beperkte administratie voorhanden was en dat haar inkoopfacturen gelijk waren aan haar verkoopfacturen. Eiseres heeft in dit verband gesteld dat het handelen van [A BEDRIJF] niet relevant is voor haar fiscale positie. Daarmee miskent zij dat het weliswaar niet aan haar is om de handelswijze van [A BEDRIJF] te verantwoorden, doch dat die handelswijze wel tot twijfel over de realiteit van de gestelde leveringen aan eiseres leidt.

16. Reeds om deze reden zijn de naheffingsaanslagen naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd.

Deelname aan fraude

17. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Indien aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat een ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting wordt gemaakt, deelnam aan omzetbelastingfraude in het kader van een keten van leveringen en/of diensten, moet die aanspraak worden geweigerd (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 18 december 2014, gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13, Schoenimport Italmoda Mariano Previti vof, Turbu.com B.V. en Turbu.com Mobile Phone’s B.V., ECLI:EU:C:2014:2455 (hierna: het arrest Italmoda), alsmede de arresten van de Hoge Raad van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:442 en 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51). In overeenstemming hiermee komt een ondernemer geen beroep toe op het (Unierechtelijke of nationaalrechtelijke) vertrouwensbeginsel in een geval waarin komt vast te staan dat de ondernemer wist dan wel had moeten weten dat hij betrokken was bij omzetbelastingfraude (vgl. het arrest van het HvJ van 7 december 2010, R, C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, punt 54, en het arrest Italmoda, punten 60 en 62). De inspecteur kan daarom in een dergelijk geval ook omzetbelasting naheffen wanneer hij aanvankelijk op grond van door de belanghebbende verstrekte informatie heeft bewilligd in het in aftrek brengen van omzetbelasting, terwijl deze op grond van de wettelijke bepalingen niet in rekening gebracht had mogen worden. Daarbij is niet van belang of eiseres zelf met die omzetbelastingfraude voordeel heeft behaald (vgl. het arrest van het HvJ van 6 juli 2006, gevoegde zaken C-439/04 en C-440/04, Axel Kittel en Recolta Recycling SPRL, ECLI:EU:C:2006:446, punten 56 tot en met 58).

18. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de last rust feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat en op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiseres wist of had moeten weten dat zij deelnam aan omzetbelastingfraude in het kader van een keten van leveringen. Volgens het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2018 kan aftrek van voorbelasting pas worden geweigerd op grond van wetenschap van fraude indien wordt vastgesteld 1) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, 2) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield en 3) dat en op welke gronden moet worden geoordeeld dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.

19. Ten aanzien van de eerste twee voorwaarden heeft verweerder onweersproken gesteld dat [A BEDRIJF] de btw op de aan eiseres verrichte verkopen niet op aangifte heeft voldaan aan de Belastingdienst. Het niet voldoen van btw op aangifte, terwijl de plicht daartoe bestaat, is een aanwijzing voor btw-fraude (vergelijk het arrest van het HvJ van 7 maart 2018, C-159/17, Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius, punt 41). Eiseres heeft voorts erkend dat sprake is van fraude door [A BEDRIJF] . Ook is helder dat eiseres de afnemer is van de prestaties van die vennootschap en dus welke plaats zij in de fraude innam.

20. Ten aanzien van de derde voorwaarde brengt verweerder in dat eiseres in de periode dat zij bij [A BEDRIJF] goederen aanschafte, heeft nagelaten het btw-identificatienummer van [A BEDRIJF] op te vragen en bij de Belastingdienst te verifiëren. Het enkele gegeven dat het nummer op een aantal van de facturen ontbrak, had voor eiseres al voldoende aanleiding moeten vormen om nader onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van deze contractspartner. Daarbij had ook de wijze waarop de inkopen verliepen – buiten de Nederlandse bloemenveilingen om – en het feit dat vanaf 23 oktober 2013 de gelden moesten worden overgemaakt naar een Letse bankrekening ten name van [B BEDRIJF] Ltd. een aanwijzing moeten vormen voor een mogelijke onregelmatigheid, aldus verweerder.

21. De rechtbank leidt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van het HvJ af dat een ondernemer alles moet doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat zijn transacties geen onderdeel vormen van een fraudeketen. Pas als dat het geval is, kan worden gesproken van een situatie waarin de ondernemer niet wist of had kunnen weten dat sprake was van btw-fraude. Gelet op de hiervoor genoemde door verweerder aangevoerde en door eiseres niet weersproken omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar redelijkerwijs mag worden verwacht. Daarmee heeft zij de kans aanvaard dat de leveringen aan eiseres onderdeel zouden zijn van btw-fraude. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat eiseres had kunnen weten dat zij ter zake van de handelingen waarvoor zij aftrek van voorbelasting claimt, deelnam aan btw-fraude in een keten van leveringen. Ook gelet hierop zijn de naheffingsaanslagen dus terecht opgelegd.

Onbehoorlijk bestuur

22. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van onbehoorlijk bestuur vanwege het feit dat eerst tijdens de hoorzitting op 18 december 2014 is meegedeeld dat het gesprek ook betrekking zou hebben op het bedrijf [C BEDRIJF] B.V. en de gemachtigde van deze vennootschap ook aanwezig zou zijn. Ook voert eiseres aan dat [A] niet gehoord had mogen worden omdat hij in Nederland geen arbeid mocht verrichten, dat de procedure tot nu toe bijzonder lang heeft geduurd en dat de weigering van de aftrek leidt tot een exorbitant hoge straf. Verweerder heeft dienaangaande verklaard dat het gesprek op 18 december 2014 geen hoorgesprek was, maar plaatsvond in het kader van de boekenonderzoeken die zowel bij eiseres als bij [C BEDRIJF] B.V. hebben plaatsgevonden, dat [A] bij beide bedrijven directeur-grootaandeelhouder was, dat om proceseconomische redenen was besloten voor beide ondernemingen gelijktijdig één gesprek te houden en dat beide gemachtigden en [A] met deze gang van zaken hadden ingestemd.

23. Wat er van het door eiseres gestelde ook zij, deze omstandigheden brengen niet met zich dat er gevolgen zijn voor de onderhavige naheffingsaanslagen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat volgens het HvJ geen sprake is van een straf bij de weigering van de aftrek van voorbelasting (vgl. het arrest Italmoda, punt 61).

24. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, mr. T.N. van Rijn en

mr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.