Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:585

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
15/870121-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Eaton. Diamantroof Schiphol 2005

Veroordeling medeplegen gewapende overval en medeplegen poging gewapende overval

WOD-traject rechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870121-14 (P)

Uitspraakdatum: 28 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 november 2018, 22 november 2018, 30 november 2018, 10 december 2018 en 14 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. S.C.M. Wildemors en mr. M. van Oosten en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?”, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

Feit 2:

Primair

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (gekleed in KLM kleding) op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) heeft weggenomen en/of (vervolgens) met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met een of meer anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld of bedreiging met geweld in vereniging en/of afpersing met geweld of bedreiging met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en/of een vervoermiddel, te weten:

- een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten en/of

- een of meer (bivak)mutsen en/of

- een (weggenomen) KLM-auto (Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) en/of

- bedrijfskleding van de KLM, althans van een bedrijf dat werkzaamheden verrichtte op de luchthaven Schiphol, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 25 februari 2005 vond er rond 10.00 uur op de luchthaven Schiphol, op het Bravo platform, gelegen op het afgesloten beveiligde gedeelte, een gewapende overval plaats, waarbij onder dreiging met geweld tegen personen een waardetransportauto werd weggenomen met daarin vrachtzendingen diamanten en sieraden ter waarde van bijna 73 miljoen USD. Naar aanleiding van deze overval is een opsporingsonderzoek ingesteld onder de naam “Rock”. Tijdens dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat er op 10 februari 2005 een poging en/of voorbereiding van een gewapende overval heeft plaatsgevonden waarbij een KLM-voertuig is weggenomen. In dit onderzoek kwamen de volgende verdachten in beeld: wijlen [verdachte 1] , [verdachte] (hierna: verdachte of [verdachte] ) en [verdachte 3] . Dit onderzoek heeft destijds niet geleid tot dagvaarding van deze verdachten ter zake van voormelde strafbare feiten.

Naar aanleiding van nieuwe onderzoeksbevindingen is op 25 november 2013 het opsporingsonderzoek “Eaton” gestart naar de op 25 februari 2005 gepleegde diamantroof op Schiphol en een poging/voorbereiding daartoe op 10 februari 2005. Uit TCI-informatie, tapgesprekken, observaties en door het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) zijn eerdergenoemde verdachten wederom in beeld gekomen alsmede [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] , [verdachte 9] en [verdachte 10] .

In de periode van 6 november 2014 tot en met 20 januari 2017 werd door opsporingsambtenaren van de Nationale Politie, als politieel informant werkzaam bij het team werken onder dekmantel (WOD), uitvoering gegeven aan verschillende bevelen tot stelselmatige inwinning van informatie ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Doelstelling van dit traject was het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005 en de poging tot diamantroof/voorbereiding op 10 februari 2005.

In mei 2017 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) het onderzoek Eaton afgerond. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is de officier van justitie tot vervolging van verdachten overgegaan.

De vraag die thans voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden alsmede de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde strafbare feiten te komen.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. Op grond van de inhoud van het dossier kan volgens de officieren van justitie worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diamantroof op 25 februari 2005 en het medeplegen van de poging diamantroof op 10 februari 2005. Zij hebben daartoe, samengevat, het volgende betoogd.

In de eerste plaats zijn volgens het OM redengevend de uitlatingen van medeverdachten [verdachte 3] en [verdachte 6] ; beiden hebben verdachte aangewezen als een van de daders van de diamantroof. [verdachte 3] heeft tijdens een gesprek met [XX] op 17 juni 2013 (welk gesprek is verkregen via Opnemen Vertrouwelijke Communicatie met een technisch hulpmiddel (OVC)) over de rol van verdachte verklaard; ’Die Lange mag hem wel dankbaar zijn. Die [voornaam verdachte] heeft alles gedaan’. Uit zijn verhaal is volgens het OM af te leiden dat verdachte op 10 februari 2005 de bestuurder was van de gestolen KLM auto en dat ze betrapt werden. Ook roemt hij het verbale improvisatietalent van verdachte, of in zijn eigen woorden ‘Hij ken zich er heel goed uitlullen’. Dit komt overeen met wat [verdachte 6] verklaarde. Volgens [verdachte 6] had De Lange een maat die alles recht lulde en dat op zo’n manier deed dat iedereen hem dan geloofde. Volgens [verdachte 6] was die maat ook bij de diamantroof betrokken. Met die maat had [verdachte 1] eerder criminele zaken gedaan. En die maat kon iemand een wapen op zijn kop zetten zonder met zijn ogen te knipperen, aldus [verdachte 6] in zijn verklaring, afgelegd tegenover de undercover-agenten.

[verdachte 3] heeft voorts verklaard dat ze op 10 februari 2005 bewapend waren met een machinegeweer en een pistool en een paar handgranaten. Hij durfde twee weken later niet nog een keer te gaan en toen heeft [voornaam verdachte 4] zijn plek gepakt. Uit het voorgaande kan volgens het OM de conclusie worden getrokken dat verdachte op 10 februari 2005 op pad ging met [verdachte 3] en op 25 februari 2005 met [verdachte 4] .

Verder heeft het OM gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

- er is een lijst bij verdachte aangetroffen, met daarop omschrijvingen van diamanten die passen bij een deel van de buit;

- de verklaring van [verdachte 6] tegenover de undercover-agenten waarin hij vertelt dat hij en de anderen zijn ‘bedonderd door de zware gasten’ van de diamantroof. In het voorjaar van 2014 zijn er ontmoetingen gezien tussen verdachte en [verdachte 1] enerzijds en [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 5] anderzijds. Deze ontmoetingen bleken te gaan over een betalingsconflict naar aanleiding van de diamantroof;

- Op 19 september 2014 bespreken [verdachte 4] en [verdachte 5] de zaak en geven dan af op De Lange en noemen ook [voornaam verdachte] . Uit dit gesprek is af te leiden dat [voornaam verdachte] ook een van de daders van de diamantroof was.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten. De kern van het pleidooi richt zich op de beschouwing van het bewijs van vóór en na de inzet van undercover-agenten in het WOD-traject. Reeds voor de inzet van de undercover-agenten bestond er (ook bij het OM) twijfel over de schuldvraag. Na het WOD-traject is deze twijfel volgens de verdediging enkel groter geworden. Objectief bezwarend en direct redengevend bewijs ontbreekt. Wat resteert zijn

vermoedens, aanwijzingen en hypotheses en die zijn niet voldoende om tot een

bewezenverklaring te kunnen komen. De raadsman heeft daartoe, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

- OVC-gesprek 17 juni 2013

De verdediging stelt voorop dat in het OVC gesprek op 17 juni 2013 door [verdachte 3] alleen maar de naam “ [voornaam verdachte] ” wordt genoemd en dus niet de volledige naam van verdachte. Deze naam wordt niet genoemd in de context van ‘het platform…dat we daar voor schut gingen’. Opvallend is dat de naam van [voornaam verdachte] wel valt in de context van een postkantoor en/of bank en of een buit. Dit zijn feiten die voor verdachte niet onbekend in de oren klinken, maar die geen verband houden met de thans tenlastegelegde feiten.

Ook als wel kan worden vastgesteld dat [verdachte 3] hier over de rol van verdachte heeft gesproken, kan de opmerking van [verdachte 3] dat “ [voornaam verdachte 4] in zijn plaats was gegaan” alleen voor het bewijs worden gebruikt bij de tenlastegelegde poging op 10 februari 2005. De mededeling, die [voornaam verdachte] heeft alles gedaan, is wat dat betreft onvoldoende duidelijk en onzorgvuldig geformuleerd, omdat deze geen enkele specifieke handeling van voldoende gewicht duidt.

Tenslotte is door de verdediging aangevoerd dat er twijfels bestaan rondom de betrouwbaarheid van de uitlatingen van [verdachte 3] . Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de kennis van [verdachte 3] zeer goed mogelijk is terug te voeren op dossierkennis; [verdachte 3] was reeds in 2005/2006 verdachte in het Rock onderzoek. De raadsman heeft verder gewezen op verschillende verifieerbare onjuistheden in datgene dat is neergelegd in het OVC-gesprek en datgene dat is verklaard door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Zo was er geen grote gele jeep met daarin vier man, waren er geen bewakers met strepen op het uniform en had de gestolen auto wel degelijk een kenteken. Daar komt bij dat [verdachte 3] in zijn eigen zaak op zitting heeft verklaard dat hij zich tijdens het gesprek met [XX] op 17 juni 2013 heeft bediend van “Amsterdamse grootspraak”.

- Signalementen

De verdediging heeft – onder verwijzing naar de door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gegeven signalementen – uitgebreid gemotiveerd dat verdachte op 10 februari 2005 noch als bestuurder, noch als bijrijder kan worden aangemerkt. Evenmin past het signalement van verdachte bij hetgeen getuigen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [getuige 3] hebben verklaard met betrekking tot de diamantroof op 25 februari 2005.

- ‘ Aantekeningen over diamanten’ in jas van verdachte

In de eerste plaats is uit vergelijkend handschrift – en dactyloscopisch onderzoek naar de zogenoemde aantekeningen van diamanten (aangetroffen in een jas) geen match met verdachte gevonden. Verder hing deze jas in de woning van verdachte op een overloop tussen vele andere jassen, zodat langs die weg van enige wetenschap bij verdachte niet is gebleken. Bovendien heeft men achteraf niet meer kunnen vaststellen uit welke jas de aantekeningen in beslag zijn genomen zodat nooit meer kan worden vastgesteld of het daadwerkelijk een jas van verdachte zelf betreft. Genoemde aantekeningen zijn waarschijnlijk gemaakt door [Y] , een kennis van verdachte, zodat ook om die reden het aantreffen van een jas met daarin deze aantekeningen niet a priori aan verdachte kan worden toegerekend. Tenslotte voert de verdediging verweer met betrekking tot de stelling van het OM dat hier zonder meer sprake is van aantekeningen die betrekking zouden hebben op de diamantroof; het briefje vermeldt 13 aantekeningen waarvan er 8 niet zijn te herleiden tot de vermiste diamanten. De 5 zogenaamde matches zijn in de visie van de verdediging slechts een gevolg van naar het resultaat toe redeneren.

- Forensisch bewijs en geurproef

Verder benadrukt de verdediging dat er geen forensisch bewijs is dat in de richting van verdachte wijst en dat ook de geurproef op het onderzochte voertuig geen match met verdachte heeft opgeleverd.

WOD-traject [verdachte 6]

Ten aanzien van het WOD-traject met betrekking tot medeverdachte [verdachte 6] is verweer gevoerd op verschillende punten.

In de eerste plaats is aangevoerd dat de inzet van undercover-agenten op 15 januari 2017 tot onvoldoende betrouwbare en onvolledige uitkomsten heeft geleid. De volgende feiten en omstandigheden zijn in dit verband van belang:

- het feit dat de undercover-agenten een belangrijk voorbehoud maken voor wat betreft de juistheid van hun bevindingen (aangegeven wordt dat de inhoud van de gesprekken met [verdachte 6] zoveel mogelijk chronologisch en in dezelfde woorden, danwel in woorden van gelijke strekking wordt weergegeven);

- de onmogelijkheid om de bevindingen van de undercover-agenten deugdelijk te verifiëren (er zijn geen geluids- noch beeldopnamen);

- er is sprake geweest van overvloedig alcoholgebruik. Het drankgebruik is niet te controleren en raakt zowel het geheugen als het verbaliseerniveau;

- niet vast staat dat de processen-verbaal direct ,als bedoeld in artikel 152 Sv, na de inzetten zijn opgemaakt, hetgeen ook van invloed is op de herinnering;

- het boek ‘handen omhoog ! Dit is een overval’ is gebruikt bij de inzet en gebruikt bij de verbalisering als ‘naslagwerk’.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden wordt verzocht om de bevindingen zoals neergelegd in het proces-verbaal van 15 januari 2017 van het bewijs uit te sluiten, subsidiair daar geen belastende betekenis aan toe te kennen.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de ‘uitlatingen’ van [verdachte 6] , meer in het bijzonder die tijdens de WOD inzetten van 1 en 2 december 2016 en 14 en 15 januari 2017, als onbetrouwbaar zijn aan te merken:

- [verdachte 6] heeft verklaard onder invloed van alcohol, hetgeen de betrouwbaarheid van zijn verklaringen heeft beïnvloed;

- Niet evident is komen vast te staan dat [verdachte 6] daderinformatie aan de undercover-agenten heeft verstrekt. [verdachte 6] beschikte over dossierkennis (in de woning van [verdachte 6] zijn delen van het dossier Rock aangetroffen) of kon over die kennis beschikken via diverse media.

Ten slotte valt ook uit de beweerdelijke uitlatingen van [verdachte 6] geen specifieke concrete

bijdrage van voldoende gewicht af te leiden, en al helemaal niet ten aanzien van de aanwezigheid van verdachte op platform op 10 en 25 februari 2005. [verdachte 6] noemt de naam van verdachte immers niet.

Overige opmerkingen ten aanzien van het bewijs

[verdachte 4] heeft (in een OVC gesprek op 19 september 2014) tegen medeverdachte [verdachte 5] gezegd dat hij een miljoen heeft gekregen. Niet is komen vast te staan waar dit gesprek over gaat. In ieder geval wordt de naam van verdachte hierbij niet genoemd. Zou het wel over de diamantroof gaan, dan levert dat, indachtig het standpunt van het OM dat de omvang van de beloning een indicatie vormt voor de mate van deelneming, volgens de verdediging dus enkel contra-indicaties op voor mededaderschap van verdachte.

Als alternatief scenario (gedachtenexperiment) is door de verdediging naar voren gebracht dat verdachte in deze zaak een rol heeft gehad die niet verder gaat dan de rol van [X] , [Y] en [Z] , die in deze zaak niet zijn vervolgd. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op de uitspraak van [verdachte 1] in de richting van verdachte in de Bagels & Beans’ “Ik had het ook met jou kunnen doen”. Bovendien heeft [verdachte 6] tegen de undercover-agenten aangegeven dat een ‘bemiddelaar’ zou zijn aangesteld. Dit zou kunnen verklaren waarom men in 2014 op meerdere momenten een afspraak met verdachte wilde maken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1. en 2. Primair

Betrouwbaarheid - OVC gesprek 17 juni 2013

De raadsman heeft – zo blijkt uit voorgaande – twijfels over de betrouwbaarheid van de uitlatingen van [verdachte 3] in het OVC-gesprek van 17 juni 2013. Voor zover de raadsman hiermee heeft bedoeld te betogen dat de uitlatingen van [verdachte 3] in dit gesprek niet voldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebezigd, overweegt de rechtbank als volgt.

Over de uitleg van een OVC-gesprek overweegt de rechtbank in algemene zin het volgende.

De rechtbank kan meestal niet zonder meer aannemen dat gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als dat door de direct betrokkenen wordt ontkend. Dat kan alleen dan, als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Als dat niet zo is hoeft dat die gesprekken overigens niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet de rechtbank dan voorzichtig zijn bij het geven van een interpretatie van dergelijk gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud van het gesprek en het onderling verband van een dergelijk gesprek met andere bewijsmiddelen. Bij dat onderzoek kan bijvoorbeeld ook van belang zijn wat over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken. Bijvoorbeeld als is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie van de gesprekken. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de interpretatie van de inhoud van een gesprek (‘waar gaat dit gesprek over?’) niet hetzelfde is als het beoordelen van de bewijswaarde daarvan (‘wat bewijst dit gesprek?’). De interpretatie van de woorden van het gesprek en de betekenis van de inhoud van dat gesprek voor het bewijs zijn twee verschillende dingen. Die moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld, waaraan de rechtbank hierna toekomt.

De rechtbank merkt overigens op de verdachte zich in zijn verhoren en tijdens de behandeling ter zitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen en niet heeft gereageerd op hetgeen [verdachte 3] in het OVC-gesprek naar voren heeft gebracht.

De rechtbank stelt - hetgeen niet weersproken is door de verdediging - vast dat [verdachte 3] in het OVC-gesprek van 17 juni 2013, als hij voorwerp is van onderzoek naar betrokkenheid bij andere strafbare feiten en in een auto wordt afgeluisterd waarin hij zich bevindt samen met zijn medeverdachte in dat onderzoek, spreekt over de diamantroof op 25 februari 2005 en de poging daartoe op 10 februari 2005.

De rechtbank leidt dit onder meer af uit het feit dat [verdachte 3] het in dat gesprek heeft over Schiphol, over dat ze op het platform voor schut gingen met die wagen en die bewaker, dat je op dat binnenterrein niet moet worden gepakt met een machinegeweer en een handgranaat, dat ze de auto zouden terugbrengen, dat de slagboom in één keer openging, dat die kerel achter hen aanreed, dat ze pakken aan hadden en eruit zagen als koffertrekkers, dat hij paste in een tekening die in de krant stond, dat het allemaal met een sisser was afgelopen voor hem, dat hij er de eerste keer gewoon voor ging maar dat het toen fout ging, dat ze achteraf wisten dat het twee weken eerder had moeten gebeuren en dat [voornaam verdachte 4] toen zijn plek had gepakt.

[verdachte 3] heeft het in dit uitvoerige gesprek ook diverse keren over “ [voornaam verdachte] ” en “De Lange”, terwijl ook de naam “ [voornaam verdachte 4] ” door hem wordt genoemd. Ook hieruit leidt de rechtbank af, in combinatie met hetgeen [verdachte 3] voorts in dit gesprek naar voren brengt, dat hij in dit OVC-gesprek spreekt over de gebeurtenissen op 10 en 25 februari 2005 op de luchthaven Schiphol. Uit het dossier blijkt immers dat met “De Lange” de inmiddels overleden [verdachte 1] wordt bedoeld, die destijds in het onderzoek Rock als verdachte is aangemerkt en wederom in 2013, en dat met “ [voornaam verdachte] ”, in combinatie met “De Lange”, gedoeld wordt op verdachte. Daarnaast wordt uit het dossier in voldoende mate duidelijk dat met [voornaam verdachte 4] medeverdachte [verdachte 4] wordt bedoeld. Ten slotte vertelt [verdachte 3] ook nog over “die Turk” van wie hij vernam wat er vroeger nog meer gebeurde op Schiphol. Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte 6] toen werkzaam was op Schiphol, van Turkse afkomst is en contacten onderhield met [verdachte 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit gesprek dat bij de opsomming van de bewijsmiddelen integraal is opgenomen, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, in ieder geval worden afgeleid dat [verdachte 3] op 10 februari 2005, met verdachte achter het stuur, in een op de luchthaven Schiphol weggenomen auto heeft gezeten op een beveiligd deel van de luchthaven Schiphol teneinde een gewapende overval op een waardetransport te plegen en dat dit toen is mislukt omdat ze ontdekt werden door personeel van de luchthaven.

Uit dit gesprek kan tevens worden afgeleid dat op 10 februari 2005 geprobeerd is een gewapende overval te plegen en dat twee weken later het waardetransport daadwerkelijk is overvallen en dat verdachte toen de plek van [verdachte 3] heeft ingenomen en daarvoor een miljoen heeft ontvangen, hetgeen door verdachte in het OVC-gesprek tussen hem en [verdachte 5] op 19 september 2014 wordt bevestigd (map 62, dossierpagina’s 352-353).

De raadsman wijst er op dat deze kennis van [verdachte 3] zeer goed mogelijk is terug te voeren op dossierkennis en voorts dat [verdachte 3] ter zitting in zijn eigen zaak heeft verklaard dat wat hij tijdens het OVC-gesprek heeft verteld Amsterdamse grootspraak was. Nog los van het feit dat wat [verdachte 3] in zijn eigen zaak ter zitting heeft verklaard niet in de zaak van verdachte kan worden gebruikt, merkt de rechtbank op dat [verdachte 3] zich, blijkens zijn verhoren zoals die zich in het dossier bevinden, steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, ook als hij geconfronteerd wordt met het OVC-gesprek van 17 juni 2013. Hij heeft in ieder geval bij gelegenheid van die verhoren niet, en ook later niet als getuige bij de rechter-commissaris in de zaak van de medeverdachten, verklaard dat wat hij in dat OVC-gesprek zegt gebaseerd is op informatie uit het dossier ROCK.

Daarbij komt dat het gehele gesprek beziend en dan met name de wijze waarop door [verdachte 3] wordt gesproken, de rechtbank van oordeel is - zoals ook door de officier van justitie naar voren is gebracht - dat hetgeen [verdachte 3] in de beslotenheid van een auto en niet wetende dat het gesprek wordt opgenomen vertelt, het karakter heeft van een beeldend en enthousiast daderverslag; een verslag van iemand die uit eigen wetenschap - op een aantal punten gedetailleerd - vertelt over zijn daden en die van zijn medeverdachten en wat hij - [verdachte 3] - toen dacht en voelde. Als voorbeeld daartoe wijst de rechtbank op het volgende wat [verdachte 3] vertelde:“P: Hij deed dat! Hij ken improviseren die gozer is een acteur! Ik ehm ik trek op dat moment de deur dicht. De mazzel ik ga niet eens met je in discussie man. Ik denk op dat moment alleen maar aan mijn vrijheid, wegwezen, weet je gewoon. Maar dat bedoelt die lange natuurlijk.”. Het enkele feit dat uit het dossier blijkt dat sommige door [verdachte 3] genoemde details, zoals de kleur van een auto niet juist blijken te zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hetgeen hij daarnaast in het OVC-gesprek van 17 juni 2013 heeft verteld onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te worden gebruikt.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de uitlatingen van [verdachte 3] in dit OVC-gesprek voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman wordt verworpen.

Betrouwbaarheid – uitlatingen [verdachte 6] in kader WOD-traject

Zoals hiervoor onder ‘standpunt van de verdediging’ is weergegeven heeft de verdediging - samengevat - bepleit dat de resultaten van het WOD- traject met betrekking tot medeverdachte [verdachte 6] niet dienen te worden gebezigd voor het bewijs nu zowel het WOD-traject als de uitlatingen van [verdachte 6] tijdens dat traject onvoldoende betrouwbaar zijn en tot onvolledige uitkomsten hebben geleid.

De rechtbank overweegt aangaande het verweer als volgt.

WOD-traject

De rechtbank stelt voorop dat het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere

identiteit in de omgeving van een verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt, impliceert dat sprake is van misleiding. Teneinde contact te kunnen leggen en onderhouden met een verdachte is het in dat kader noodzakelijk een verhaal en een identiteit te verzinnen. Het feit dat in zoverre sprake is van sturing en misleiding maakt niet dat de uitkomsten van een dergelijk traject niet betrouwbaar zijn, nu dit verschillende grootheden betreft. De rechtbank ziet geen steun in het recht voor de stelling dat de inzet van undercover-agenten als bedoeld in artikel 126j Sv in het algemeen dan wel zonder meer tot onvoldoende betrouwbare uitkomsten leidt.

De rechtbank dient in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden van dit geval te beoordelen hoe het WOD-traject is verlopen alvorens de vraag te kunnen beantwoorden of dit traject tot voldoende betrouwbare uitkomsten heeft geleid. Dit zal zij hierna doen waarbij de door de verdediging aangevoerde punten aan bod zullen komen.

De rechtbank stelt vast dat door het OM op enig moment is overgegaan tot stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv. Blijkens het proces-verbaal bevindingen van 12 mei 2017 van de verbalisanten B-2238 en B-2237, werkzaam als begeleiders bij het WOD-team, was de doelstelling van dit traject het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van [verdachte 6] en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005. Onder meer de opsporingsambtenaren (politiële informanten) A-3754 en A-3755 zijn daartoe ingezet. Het stelselmatig inwinnen van informatie via een WOD-traject op [verdachte 6] vond – met tussenpozen – plaats in de periode 6 november 2014 tot en met 14 januari 2017, waarbij er ook inzetten zijn geweest in Colombia en Praag. Deze opsporingsambtenaren hebben zich (undercover) voorgedaan als gewone burgers, waarbij de één zich voordeed als een investeerder en de ander als zijn chauffeur/begeleider. Zij hebben verdachte [verdachte 6] – eerst via zijn (toenmalige) Colombiaanse vriendin – benaderd en zij zijn deel gaan uitmaken van zijn leven. In de hiervoor genoemde periode dat het WOD-traject liep, heeft [verdachte 6] tegenover de undercover-agenten over zijn werkzaamheden voor KLM op Schiphol verteld. [verdachte 6] heeft zijn diensten aangeboden toen één van de undercover-agenten aangaf dat hij iemand nodig had om geld voorbij de douane te brengen. Hierbij heeft [verdachte 6] aangegeven dat ook grotere bedragen geen probleem voor hem zijn. Hij heeft bovendien het aanbod gedaan zelf geld naar Engeland te brengen, hetgeen hij daadwerkelijk een keer heeft gedaan. Voorts heeft [verdachte 6] in diverse contacten met de undercover-agenten aangegeven dat hij ook cocaïne naar Engeland zou kunnen smokkelen. Voor de door [verdachte 6] verrichte werkzaamheden zijn ten tijde van de contacten met de undercover-agenten afspraken gemaakt over de beloning voor [verdachte 6] en zijn ook daadwerkelijk betalingen aan hem gedaan. Tijdens de onderlinge gesprekken kwamen onderwerpen van sociale aard te sprake en na verloop van tijd kwam het gesprek ook op diamanten. Eén van de undercover-agenten vertelde aan [verdachte 6] dat hij via [verdachte 6] ongeslepen diamanten van land- naar airside wilde krijgen om die vervolgens naar Engeland te brengen. Volgens [verdachte 6] was dit voor hem geen enkel probleem en was hij bereid dit te doen. Tijdens dit gesprek gaf [verdachte 6] er blijk van het een en ander van diamanten te weten. Hij kende iemand die diamanten kon slijpen, deze legaal kon maken en er een certificaat bij kon geven. Ook in latere contacten met de undercover-agenten spreekt [verdachte 6] over diamantgerelateerde zaken zoals rapaports en kleuren van diamanten.

Tijdens een ontmoeting tussen de twee undercover-agenten en [verdachte 6] op 29 juli 2016 in Colombia vertelt [verdachte 6] een rol te hebben gespeeld bij de diamantroof van 2005 op Schiphol. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij 10% van de opbrengst van de gestolen diamanten zou krijgen, maar dat ze hem bedonderd hebben en dat hij niet de enige is die bedonderd is. Hij vertelt ook dat er vuurwapens bij betrokken waren.

Tijdens een ontmoeting op 30 juli 2016 met de undercover-agenten, eveneens in Colombia, vertelt [verdachte 6] dat het de bedoeling was geweest om door de diamantroof een financieel zekere toekomst te hebben, maar dat het alleen maar ellende had opgeleverd.

Tijdens een gesprek met de undercover-agenten op 27 oktober 2016 vertelt [verdachte 6] onder meer dat het toen februari was geweest en dat hij twee uur met die jongens moest wachten omdat het vliegtuig later was. Ook vertelt hij dat ze niet alles hebben kunnen meenemen omdat de achterkant niet open ging. In de laatste ontmoeting, op 14 januari 2017, vertelt [verdachte 6] dat hij maandenlang observaties had uitgevoerd op Schiphol en dat de eerste keer een proef was geweest en dat dat gelukkig niet goed was gegaan omdat de buit dan minder was geweest.

Voorts stelt de rechtbank op basis van het procesdossier vast dat de begeleiders (B-2238 en B-2237) van de undercover-agenten steeds processen-verbaal van begeleiding hebben opgemaakt waarin door hen onder meer wordt aangegeven welke undercover-agent wordt ingezet en welke opdracht hij of zij krijgt. In deze processen-verbaal is vermeld op welk moment na de inzet de undercover-agent de begeleiders van zijn of haar bevindingen op de hoogte stelde en voorts dat de undercover-agent van zijn bevindingen afzonderlijk proces-verbaal opmaakt. Ook wordt verantwoording afgelegd over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal. De ingezette undercover-agenten hebben blijkens het procesdossier eveneens processen-verbaal opgemaakt waarin zij verslag doen van hun bevindingen. Ook zij leggen daarin verantwoording af over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal. Bij een aantal van deze processen-verbaal (met name die waarbij een inzet in het buitenland wordt gerelateerd) valt op dat er naast de plek waar ondertekend is, handgeschreven, nog een andere, latere, datum vermeld is. Voor zover de raadsman mede hierop doelt als hij wijst op onduidelijkheid in de verslaglegging, is de rechtbank van oordeel dat hierover voldoende duidelijkheid is verschaft in de verhoren van de begeleiders en undercover-agenten als getuige bij de rechter-commissaris. Verbalisant A-3754 heeft hierover in dat verhoor onder meer verklaard dat hij zijn processen-verbaal niet meteen ondertekende, maar dat dat pas aan het einde van het traject gebeurde. Die processen-verbaal waren al eerder opgemaakt. Verbalisant A-3755 heeft hierover ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij dat probeerde zo snel mogelijk te doen en dat in het proces-verbaal staat vermeld wanneer het is opgemaakt. Hij verklaart zich tevens te herinneren dat er op een later tijdstip is ondertekend, maar dat hij niet meer weet bij welk proces-verbaal dat was.

Verbalisant B-2238 heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat er door de undercover-agenten na de debriefing een proces-verbaal wordt opgemaakt en dat er door hen ook in Colombia processen-verbaal zijn opgemaakt. Deze processen-verbaal werden opgeslagen in een afgeschermd systeem en op enig moment werden ze uitgeprint en ondertekend. In Colombia hadden hij en de undercover-agenten niet de beschikking over een printer. Hij verklaart verder dat de processen-verbaal van de undercover-agenten eerder zijn opgemaakt en later zijn ondertekend en dat de datum die erop vermeld is, de datum is van het opmaken en sluiten in Colombia, en dat er nadien in Nederland is ondertekend. Over de handgeschreven, extra datum op een aantal van de processen-verbaal van de undercover-agenten die ontbreken op de processen-verbaal van de begeleiders, geeft hij aan dat men vergeten is de concrete dagtekening van de datum van uitprinten en ondertekenen op te nemen. Verbalisant B-2237 heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat de undercover-agenten zo spoedig mogelijk na de inzet en de debriefing processen-verbaal hebben opgemaakt en dat zij op hun eigen laptop hebben gewerkt. Zowel de undercover-agenten als de begeleiders hebben verklaard dat zij niet in andermans proces-verbaal hebben gewerkt, en de undercover-agenten verklaren dat de processen-verbaal zoals die later zijn gelezen ter voorbereiding op hun verhoor bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal zijn zoals zij die hebben opgemaakt eerder in het traject.

Controle/ verslaglegging

De rechtbank is van oordeel dat er door de verdediging geen concrete aanwijzingen zijn aangevoerd voor het oordeel dat de processen-verbaal van de undercover-agenten in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Ook overigens zijn dergelijke aanwijzingen niet aannemelijk geworden.

De undercover-agenten hebben in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen gerelateerd welke informatie [verdachte 6] heeft verstrekt en welke informatie de undercover-agenten bij [verdachte 6] hebben ingewonnen. In zoverre is controle van hetgeen tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] is besproken mogelijk.

Uit de processen-verbaal van de begeleiders van de undercover-agenten blijkt wie, wanneer, welke opdracht kreeg. De verdediging heeft daarnaast de gelegenheid gehad om, bij de rechter-commissaris, de undercover-agenten en hun begeleiders als getuige te horen over de bevindingen waarover zij hebben gerelateerd. Dat de verdediging daarbij naar haar oordeel niet altijd de gewenste ‘helderheid’ heeft gekregen over bepaalde zaken doet daaraan niet af en maakt niet dat sprake is van een gebrekkige controle die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het WOD-traject. Gelet hierop en mede gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel – anders dan de verdediging heeft betoogd - dat voormelde wijze van verslaglegging het ingezette traject in voldoende mate controleerbaar en inzichtelijk maakt. Het feit dat er tijdens het traject geen opnames zijn gemaakt – waartoe overigens geen verplichting bestond nu er geen sprake was van een verhoorsituatie of een equivalent daarvan – en ook de aantekeningen niet zijn verstrekt, maakt voormeld oordeel niet anders.

Voor zover dit onderdeel van het verweer is gestoeld op de opvatting dat het besprokene tussen [verdachte 6] en de undercover-agenten onvoldoende betrouwbaar is teneinde controle door de verdediging mogelijk te maken, nu in de processen-verbaal staat dat de inhoud van de gesprekken “zoveel mogelijk chronologisch en in dezelfde woorden dan wel woorden van gelijke strekking wordt weergegeven”, geldt het volgende. Niet met recht kan worden gesteld dat het niet woordelijk opnemen van het besprokene reeds tot de conclusie moet leiden dat sprake is van een onbetrouwbare uitkomst van het WOD-traject. Het kan evenmin van een verbalisant verwacht worden dat ook alles wat niet heeft plaatsgevonden, wordt geverbaliseerd. Ten slotte heeft [verdachte 6] niet op enig moment naar voren gebracht wat er chronologisch onjuist is opgenomen in de ter zake opgemaakte processen-verbaal.

Uitgaand van de juistheid van de stelling van de raadsman dat de undercover-agenten het boek “Handen omhoog! Dit is een overval” als naslagwerk/geheugensteun hebben gebruikt bij het opmaken van het proces-verbaal van 15 januari 2017, maakt dit – anders dan de raadsman kennelijk betoogt – niet dat hetgeen over die ontmoeting is gerelateerd niet is opgetekend uit de mond van [verdachte 6] .

De rechtbank overweegt voorts betreffende het opmaken van de processen-verbaal in het WOD-traject het volgende. Uit de datering van een proces-verbaal kan doorgaans worden afgelezen of het gerelateerde de verbalisant vers in het geheugen lag, hetgeen van betekenis voor de betrouwbaarheid daarvan kan zijn. Een pas na geruime tijd vastgelegd relaas moet daarom met voorzichtigheid worden bezien. De rechtbank is, gelet op hetgeen de betrokken undercover-agenten en hun begeleiders hierover bij de rechter-commissaris hebben verklaard, echter van oordeel dat zij in dit geval de gebeurtenissen voldoende spoedig hebben vastgelegd in de processen-verbaal en niet pas na het verstrijken van geruime tijd uit hun geheugen hebben geput en toen hebben vastgelegd. Wel stelt de rechtbank vast dat eerst na het verstrijken van geruime tijd bedoelde processen-verbaal zijn ondertekend.

De rechtbank is van oordeel dat deze vaststelling de betrouwbaarheid van de verslaglegging niet aantast. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat er geen reden bestaat te vermoeden dat er in de tijd gelegen tussen het vastleggen van het relaas en de ondertekening daarvan wijzigingen zijn aangebracht.

Alcoholgebruik

Ten aanzien van het alcoholgebruik bij een inzet tijdens dit WOD-traject, zowel door de undercover-agenten als door [verdachte 6] , stelt de rechtbank vast dat de undercover-agenten daarover in hun op ambtseed opgemaakte processen-verbaal gerelateerd hebben en dat zij en hun begeleiders daarover in hun verhoor bij de rechter-commissaris vragen hebben beantwoord. Hieruit en ook anderszins kan niet met recht worden geconcludeerd dat de undercover-agenten tijdens hun inzet zodanig onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerden, dat zij niet in staat waren hun verslagen met betrekking tot hun contacten met [verdachte 6] naar waarheid op te maken. Het feit dat één van de undercover-agenten bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij aan het eind van de avond wat aangeschoten was, en de hoogte van de rekening van een restaurant waar [verdachte 6] met de undercover-agenten een avond heeft doorgebracht, rechtvaardigen die conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet. Het is niet aannemelijk geworden dat de undercover-agenten onder invloed van alcohol onjuist hebben geverbaliseerd. De rechtbank wijst erop dat [verdachte 6] tijdens zijn verhoren niet heeft verklaard ten aanzien van welke ontmoeting en waarom sprake zou zijn van een onjuiste weergave in de verslaglegging (zie ook hierna onder uitlatingen [verdachte 6] ); niet als gevolg van zijn alcoholgebruik dan wel door het alcoholgebruik van de undercover-agenten, en evenmin anderszins. Aan de eerst ter terechtzitting van 21 november 2018 door de raadsman van [verdachte 6] voorgelezen en overgelegde schriftelijke tekst van [verdachte 6] , welke zeer laat in het proces is ingebracht, niet is onderbouwd en waarover [verdachte 6] uitdrukkelijk geen vragen heeft willen beantwoorden, hecht de rechtbank om die redenen geen waarde. Steun voor de stelling dat [verdachte 6] door alcoholgebruik onwaarheden heeft verklaard, is er ook overigens niet.

Vertrouwen/uitlokking/uithoren/dwang/druk

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de wijze waarop de contacten tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] zijn verlopen. In het bijzonder heeft de rechtbank bezien of de undercover-agenten [verdachte 6] op ongepaste wijze hebben getracht uit te lokken dan wel uit te horen, en of er gedurende het WOD-traject op onbehoorlijke wijze misbruik is gemaakt van een tussen hen gegroeid vertrouwen, zodanig dat dit tot onvoldoende betrouwbare uitkomsten heeft geleid.

Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat de keuze van het onderzoeksteam om juist op [verdachte 6] bedoeld WOD-traject in te zetten niet zozeer lijkt te zijn ingegeven door zijn persoon als zodanig, maar veeleer op de ten opzichte van de medeverdachten sterkere kracht van de verdenking van betrokkenheid bij de diamantroof die reeds tegen hem was gerezen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking zijn functie op Schiphol, de observaties waarbij hij in beeld is en de tapgesprekken waaraan hij deelneemt. [verdachte 6] had destijds een reguliere baan met een meer dan gemiddeld inkomen, een goedkope huurwoning, ging om met zijn familie en had een relatie. Ook blijkt uit de stukken dat hij gokte. Van schulden, een gokverslaving of andere psychische problemen die maken dat [verdachte 6] als kwetsbaar persoon zou moeten worden aangemerkt, is niet gebleken.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de processen-verbaal en het verhoor van de undercover-agenten blijkt dat zij geruime tijd hebben besteed aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie met [verdachte 6] , waarbij zij tijdens de vele gesprekken met [verdachte 6] van sociale aard na verloop van tijd het vertrouwen van [verdachte 6] ook daadwerkelijk hebben gewonnen. Binnen die context van dat vertrouwen hebben de undercover-agenten hun plannen over een verzekeringsfraude met diamanten via Schiphol uitgelegd. Toen [verdachte 6] hierover hoorde, heeft hij uit zichzelf over de diamantroof verteld en aangegeven “Geraldo ik heb dit nog nooit tegen iemand gezegd, NOOIT, maar ik vertrouw jullie”.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte 6] de undercover-agenten na verloop van tijd als vrienden zag, hen vertrouwde en vanuit die context uit eigen beweging is gaan vertellen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat [verdachte 6] door de undercover-agenten onder objectieve druk is gezet om bepaalde zaken te vertellen. Sterker nog, uit de door de undercover-agenten opgemaakte processen-verbaal van hun contacten met [verdachte 6] blijkt eerder dat hij spontaan en zonder dat hem daarnaar wordt gevraagd, informatie verstrekt over onder meer zijn betrokkenheid bij de diamantroof en ook dat hij over bepaalde zaken niet wenst te vertellen. Daar komt bij dat [verdachte 6] gedurende de periode van de contacten met de undercover-agenten zijn reguliere leven bleef leiden, naar zijn werk ging en zijn familie en vriendin in Colombia bezocht. Ook heeft [verdachte 6] in zijn verhoren bij de KMar niet eenmaal verklaard over druk (psychisch dan wel anderszins) die op hem in dat verband zou zijn uitgeoefend. Aan hetgeen hij daarover in de door zijn raadsman ter zitting voorgelezen tekst aangeeft, hecht de rechtbank - zoals al overwogen - geen waarde. Uit deze tekst wordt het de rechtbank overigens nog steeds niet duidelijk waar die druk dan uit zou hebben bestaan en op welk(e) moment(en) die druk door wie zou zijn uitgeoefend. Niet aannemelijk is dan ook geworden dat op enig moment in het traject sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang of dat de undercover-agenten [verdachte 6] woorden in de mond hebben gelegd of anderszins zodanig sturend hebben gehandeld dat dit de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het traject aantast.

Uitlokking

Gelet op de processen-verbaal van de undercover-agenten, hun verklaringen bij de rechter-commissaris en gelet op hetgeen [verdachte 6] zelf over dit traject naar voren heeft gebracht in zijn verhoren, ziet de rechtbank in het bijzonder niet in dat [verdachte 6] gedurende het WOD-traject ontoelaatbaar is uitgelokt strafbare feiten te plegen waardoor hij kwetsbaar zou zijn geworden, aangezet is te verklaren en meende dat hij niet meer terug kon, zoals door de raadsman is betoogd. Uit de verslaglegging van de undercover-agenten, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat zij weliswaar sturend zijn geweest als het gaat om het aan de orde stellen van het smokkelen van geld van land- naar airside, maar tevens blijkt uit die verslaglegging dat [verdachte 6] degene is die direct aangeeft dat hij dat wel kan doen en dat het voor hem een leuke bijverdienste is. [verdachte 6] geeft blijkens die verslaglegging voorts aan de undercover-agent een uitleg over de werkwijze die gehanteerd moet worden, waarbij hij ook heeft aangegeven dat grotere bedragen voor hem geen probleem zijn en dat hij ook zelf beschikbaar is om het geld naar de overkant te brengen, hetgeen hij uiteindelijk in juni 2016 daadwerkelijk een keer doet. Uit de verslaglegging van A-3755 met betrekking tot de inzet op 18 april 2016 blijkt bovendien dat [verdachte 6] zelf het voorstel doet om drugs naar Engeland te smokkelen en dat het voor hem geen probleem is 2 à 3 kilo in een rugzakje, op dezelfde manier als het geld, Schiphol binnen te brengen. Op dit voorstel zijn de undercover-agenten overigens niet ingegaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 6] er op eigen initiatief voor heeft gekozen, wetende dat hij een baan had die hij daarmee op het spel zette terwijl hij niet verkeerde in een problematische financiële situatie, voor de undercover-agenten werkzaamheden te verrichten waarmee hij geld kon verdienen en waarbij hij veronderstelde dat deze handelingen strafbaar waren.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel, dat de tussen de undercover-agenten en [verdachte 6] gevoerde gesprekken in wezen gewone gesprekken zijn geweest in die zin dat geen sprake was van een zodanige machtsverhouding dat [verdachte 6] meende over de diamantroof te moeten gaan vertellen. Van een verhoorsituatie of een equivalent daarvan was geen sprake.

Uitlatingen [verdachte 6]

Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de uitlatingen die [verdachte 6] tijdens het WOD-traject deed “allemaal leugentjes en grootspraak” zijn, zoals door hem in één van zijn verhoren is verklaard. De rechtbank ziet op meerdere punten in het dossier steun voor het oordeel dat [verdachte 6] op belangrijke onderdelen naar waarheid heeft verklaard. Zo is uit het onderzoek gebleken dat overeenkomstig de in de verslaglegging vermelde uitlatingen van [verdachte 6] dat hij bij thuiskomst in Nederland direct zijn Amsterdamse gabber zou ontmoeten die dan weer contact zou hebben met de oude man, [verdachte 6] dit bij zijn terugkeer dit ook daadwerkelijk heeft gedaan (ontmoeting [verdachte 6] met [verdachte 8] op 23 augustus 2016) en dat er vervolgens door [verdachte 8] op diezelfde datum telefonisch contact is opgenomen met bedoelde, als oude man omschreven persoon, [verdachte 9] . Daarnaast heeft [verdachte 6] aan de undercover-agenten verteld dat hij destijds een handvol van de buit - diamanten - had meegenomen en via de oude man in Antwerpen had laten verkopen. Dit strookt met de vondst in de woning van [verdachte 6] in januari 2017 van een tas met aan de diamantroof van 2005 op Schiphol gerelateerde zaken waaronder een aantal certificaten van de Hoge Raad voor de Diamant te Antwerpen. Zowel de verklaringen van [verdachte 8] als die van [verdachte 9] bevestigen een deel van hetgeen [verdachte 6] heeft verteld aan de undercover-agenten, hetgeen de betrouwbaarheid van de uitlatingen van [verdachte 6] ten goede komt.

Door de verdediging is verder naar voren gebracht dat [verdachte 6] hetgeen hij aan de undercover-agenten heeft verteld niet uit eigen wetenschap had, maar dat hij bedoelde informatie had verkregen uit andere bronnen zoals kranten uit 2005, delen van het Rock-dossier, een exemplaar van het weekblad Panorama en het boek “ Handen omhoog! Dit is een overval”.

De berichtgeving uit de kranten – zoals die blijkt uit het dossier – bevat naar het oordeel van de rechtbank niet zodanige concrete informatie als door [verdachte 6] verstrekt. Ten aanzien van de Panorama - te weten die van 7 december 2016 - en het boek dat [verdachte 6] voor het eerst inzag op 14 januari 2017 tijdens een afspraak met de undercover-agenten, wijst de rechtbank erop dat [verdachte 6] vóór die data al uitlatingen over de diamantroof had gedaan zodat deze media niet als bron voor zijn wetenschap kunnen gelden. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen over de ontmoeting van [verdachte 6] met de undercover-agenten op 14 januari 2017 dat hij, nadat hem het boek “Handen omhoog! Dit is een overval” is getoond, heeft aangegeven dat hij eerder in Medellín was en niets over het boek gelezen of gehoord had. Dan resteert het in de woning van [verdachte 6] aangetroffen deel van het Rock-dossier als bron van wetenschap voor [verdachte 6] .

Hierover staat in het verhoor van [verdachte 6] van 14 februari 2017 (map 21, p. 227) het volgende:

“V: Het is een beetje te kort door de bocht om te zeggen dat het een fabel of leugen is. Je

hebt onderzoekstukken van Rock (1e onderzoek diamantenroof 2005) thuis liggen.

A: Ik heb niks.”

In de daaropvolgende verhoren beroept [verdachte 6] zich op zijn zwijgrecht als hem wordt gevraagd over het bij hem aangetroffen deel van het Rockdossier. Na confrontatie met de uitkomsten van het WOD-traject verklaart hij dat het “allemaal leugentjes en stoere praat” waren om ten slotte ter terechtzitting van 21 november 2018 een van hem afkomstige tekst te laten voorlezen en te overleggen waarin staat dat hij dit strafdossier “via allerlei omwegen uiteindelijk in bezit gekregen”. Zoals reeds meermalen overwogen hecht de rechtbank geen waarde aan deze tekst. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geenszins komen vast te staan dat [verdachte 6] uitsluitend uit andere bron dan uit eigen wetenschap kennis heeft over de diamantroof.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het WOD-traject op de wijze zoals dat op [verdachte 6] is toegepast, in onvoldoende mate betrouwbaar is en tot uitkomsten heeft geleid die niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De uitlatingen van [verdachte 6] acht de rechtbank voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen worden gebezigd. Dit alles leidt ertoe dat het betrouwbaarheidsverweer integraal wordt verworpen.

Bewijsoverweging

Een ander punt dat de rechtbank niet onbenoemd wil laten is dat zij in haar overwegingen heeft betrokken het feit dat op of nabij de plaatsen delict (het Bravo-platform, de plaats waar de waardetransportauto is aangetroffen en de plaats waar de gestolen KLM auto is aangetroffen) geen sporen zijn aangetroffen en veiliggesteld die (een van de) verdachte(n) direct linken aan de diamantroof dan wel de poging/voorbereiding daarvan. Evenmin hebben (oog)getuigen voldoende concreet verklaard over de aanwezigheid van verdachten aldaar. Daar komt bij dat de zich in het procesdossier bevindende signalementen van de mogelijke daders, zoals beschreven door (oog)getuigen, onvoldoende eenduidig zijn om bij te dragen aan het bewijs.

De verdachten ontkennen betrokken te zijn bij de diamantroof dan wel de poging / voorbereiding daarvan dan wel hebben zich consequent op hun zwijgrecht beroepen. Juist vanwege de afwezigheid van dergelijke bewijsmiddelen heeft de rechtbank de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen behoedzaam beoordeeld en gewaardeerd.

Bewijsoverweging ten aanzien van medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie 'medeplegen'. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor is overwogen over de rol van de verschillende verdachten - in het bijzonder de rol van verdachte die zowel bij de poging daartoe op 10 februari 2005 is betrokken als ook bij de diamantroof op 25 februari 2005 feitelijk met zijn medeverdachte de overval heeft uitgevoerd - is de rechtbank van oordeel dat verdachte als medepleger in voornoemde zin moet worden aangemerkt. De poging daartoe en de diamantroof betroffen naar het oordeel van de rechtbank een gemeenschappelijke onderneming van meerdere personen waarbij de gedragingen van de verdachten bewust op elkaar zijn afgestemd om een gemeenschappelijk doel - de diamanten buit te maken - te verwezenlijken. Verdachte heeft deel uitgemaakt van dit samenwerkingsverband en streefde dit doel ook na.

Bewijsoverweging met betrekking tot aantekeningen over diamanten in de jas

Gelet op de vindplaats van de jas (te weten: in de kamer, gelegen achter de grote slaapkamer op de verdieping bóven de huiskamer van verdachte) is de rechtbank van oordeel dat de jassen die daar hingen, waar deze jas met bijbehorende inhoud tussen hing, aan verdachte toebehoren.

4.4.

Bewezenverklaring

In de bijlage heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid diamanten en sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en een bedrijfswagen (Citroën) en een aktentas en een hoeveelheid vrachtbrieven, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader wapens hebben gericht en/of gericht gehouden op voornoemde personen en/of de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?.

Feit 2:

Primair

hij op 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met zijn mededader, gekleed in KLM kleding, op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [nummer] ) heeft weggenomen en/of vervolgens met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en en/of meer handgranaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1. en 2. primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Het onder 1. bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2. primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle feiten op de tenlastelegging Over een eventuele strafoplegging heeft de verdediging, subsidiair, geen opmerkingen gemaakt.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Op 25 februari 2005 heeft op de luchthaven Schiphol een gewapende overval plaatsgevonden met als buit een grote waardezending diamanten en sieraden. Twee weken daarvoor, op

10 februari 2005, is daartoe een poging gedaan. Verdachte heeft deze feiten medegepleegd en hierin een leidende rol te vervuld door met zijn mededader feitelijk uitvoering aan deze gewapende overval en poging daartoe te geven. Hij is degene geweest die met zijn mededader, met gebruikmaking van de kennis en informatie van een andere mededader, op het afgesloten beveiligde terrein van de luchthaven Schiphol de waardetransportauto heeft overvallen die in die periode wekelijks een vliegtuig bevoorraadde dat de waardezending van Amsterdam naar Antwerpen vervoerde. Hij heeft daarbij, met zijn mededader, wapens gebruikt en de personen die daar werkzaam waren bedreigd. Ook heeft hij twee weken daarvoor een poging daartoe gedaan met een andere mededader.

De gewapende overval op 25 februari 2005 heeft een diepe indruk achtergelaten op de slachtoffers. Door de handelingen van in het bijzonder verdachte hebben zij zeer angstige momenten gekend. Hij was degene die op één van de slachtoffers een vuurwapen op een afstand van ongeveer 20 centimeter op zijn borst heeft gericht en toevoegde: “Uitstappen, hier met die portofoon, op de grond.” Toen het slachtoffer op zijn buik op de grond lag was het even stil en kort daarna hoorde hij de overvaller - verdachte dus – die hem uit de auto had gehaald op agressieve toon roepen: “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?” en voelde hij dat de overvaller met zijn arm over zijn hoofd kwam en de sleutels pakte. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige misdrijven doorgaans nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. Dat blijkt ook uit de onderbouwing van de gevorderde immateriële schadevergoeding van twee van de slachtoffers. Een van hen geeft aan dat hij zich – bijna veertien jaar na dato – nog elk detail kan herinneren en dat de beelden van de overval zich de afgelopen jaren veelvuldig in zijn hoofd hebben afgespeeld. De ander kampt nog steeds met gevoelens van angst, frustratie en verdriet. Ook kan hij sindsdien slecht tegen harde en onverwachte geluiden.

Daarnaast hebben deze brutale overval en poging daartoe voor veel maatschappelijke onrust gezorgd, omdat men geconfronteerd werd met het feit dat criminelen kans hadden gezien om twee keer in een periode van twee weken met wapens op het afgesloten, beveiligde deel van de nationale luchthaven te komen met alle mogelijke gevolgen van dien. Dat dit feit op 10 februari 2005 beperkt is gebleven tot een poging en dat op die dag het waardetransport niet daadwerkelijk is overvallen, is te danken aan het alerte optreden van het KLM personeel dat op zoek was gegaan naar de weggenomen KLM-auto en geenszins aan verdachte die ook op die datum kennelijk louter voor financieel gewin, ongeacht alle mogelijke gevolgen voor slachtoffers en de veiligheid van de nationale luchthaven, bereid was bedoelde gewapende overval te plegen teneinde er met een waardezending diamanten vandoor te gaan.

Gelet op de ernst van dit feit en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS). In het geval van een voltooide overval van een geldtransport met ander geweld dan licht geweld of dreiging met geweld geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

In strafverzwarende zin heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen:

- de gewapende overval en de poging daartoe is in georganiseerd verband en op planmatige en berekenende wijze uitgevoerd; verdachte en zijn mededaders hebben zich terdege en langdurig op dit misdrijf voorbereid;

- de overval en de poging daartoe vonden plaats op het afgesloten, beveiligde deel van de luchthaven Schiphol en verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht;

- op het moment dat verdachte zich op het afgesloten, beveiligde deel van de luchthaven Schiphol begaf was hij in het bezit van (vuur)wapens;

- bij de overval zijn diamanten weggenomen met de aanzienlijke waarde van 72 miljoen USD, waarvan een aanzienlijk deel (43 miljoen USD) niet is terug gevonden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 oktober 2018, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar ter zake overtreding van de Opiumwet onherroepelijk tot straf (een geldboete) is veroordeeld. De rechtbank merkt op dat zij de overvallen waarvoor verdachte in het verre verleden (1989 respectievelijk 1999) is veroordeeld tot jarenlange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen niet als relevante recidive in voormelde zin ten nadele van verdachte heeft meegewogen.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Overschrijding redelijke termijn

Hoewel van de zijde van de verdediging te dien aanzien geen verweer is gevoerd, heeft de rechtbank zich ambtshalve gebogen over de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zo ja, of deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als aanvang van de redelijke termijn moet in deze zaak de aanhouding van verdachte worden aangemerkt op 21 januari 2017. Het eindvonnis wordt thans gewezen op 28 januari 2019. Nu echter sprake is van (voormelde) bijzondere omstandigheden, meer in het bijzonder de omvang van het opsporingsonderzoek en de gelijktijdige berechtiging van de strafzaken tegen verdachtes medeverdachten is de rechtbank van oordeel dat van overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen sprake is.

8 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld, in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

8.2.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld, in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De artikelen 36f, 45, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1. en 2. primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1. en 2. primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. D.D.M. Hazeu, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A. de Graag en mr. S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 januari 2019.