Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:584

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
15/870137-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Eaton. Diamantroof Schiphol 2005.

WOD-traject rechtmatig.

Veroordeling medeplegen gewapende overval, medeplegen poging gewapende overval en gewoontewitwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870137-14 (P)

Uitspraakdatum: 28 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 november 2018, 22 november 2018, 30 november 2018, 10 december 2018 en 14 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. S.C.M. Wildemors en mr. M. van Oosten en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair:

hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?”, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer andere personen op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen

een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?”, althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- op airside de procedures en/of de beveiliging en/of de feitelijke gang van zaken van de waardetransporten te bestuderen en/of daarover op andere wijze informatie in te winnen en/of

- KLM-kleding, althans kleding van een bedrijf dat werkzaamheden op de luchthaven Schiphol verrichtte, voor voornoemde dader(s) te regelen en/of

- voornoemde dader(s) airside op te brengen of te laten brengen, althans hen/hem informatie en/of gelegenheid te geven airside op te komen en/of

- een KLM-auto weg te nemen en ter beschikking te stellen aan voornoemde dader(s), althans hen/hem informatie te geven hoe en waar een KLM-auto weggenomen kon worden en/of naar een plek te brengen waar voornoemde KLM-auto weggenomen kon worden en/of

- de verzamelde informatie aan voornoemde dader(s) door te geven of te laten geven;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met een of meer anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld of bedreiging met geweld in vereniging en/of afpersing met geweld of bedreiging met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en/of een vervoermiddel, te weten:

- een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten en/of

- een of meer (bivak)mutsen en/of

- een (weggenomen) KLM-auto (Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [kenteken] ) en/of

- bedrijfskleding van de KLM, althans van een bedrijf dat werkzaamheden verrichtte op de luchthaven Schiphol, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 2

Primair:

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (gekleed in KLM kleding) op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [kenteken] ) heeft weggenomen en/of (vervolgens) met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer andere personen op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of hun/zijn mededader(s) en/of verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, (gekleed in KLM kleding) op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [kenteken] ) heeft weggenomen en/of (vervolgens) met dat KLM voertuig op airside naar het B platform is gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 december 2004 tot en met 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- op airside de procedures en/of de beveiliging en/of de feitelijke gang van zaken van de waardetransporten te bestuderen en/of daarover op andere wijze informatie in te winnen en/of

- KLM-kleding, althans kleding van een bedrijf dat werkzaamheden op de luchthaven Schiphol verrichtte, voor voornoemde dader(s) te regelen en/of

- voornoemde dader(s) airside op te brengen of te laten brengen, althans hen/hem informatie en/of gelegenheid te geven airside op te komen en/of

- een KLM-auto weg te nemen en ter beschikking te stellen aan voornoemde dader(s), althans hen/hem informatie te geven hoe en waar een KLM-auto weggenomen kon worden en/of naar een plek te brengen waar voornoemde KLM-auto weggenomen kon worden en/of

- de verzamelde informatie aan voornoemde dader(s) door te geven of te laten geven;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met een of meer anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld of bedreiging met geweld in vereniging en/of afpersing met geweld of bedreiging met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en/of een vervoermiddel, te weten:

- een of meer vuurwapens en/of een of meer handgranaten en/of

- een of meer (bivak)mutsen en/of

- een (weggenomen) KLM-auto (Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [kenteken] ) en/of

- bedrijfskleding van de KLM, althans van een bedrijf dat werkzaamheden verrichtte op de luchthaven Schiphol, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 mei 2005 tot en met 20 januari 2017, te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer E 410.800,--, althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij en/of zijn mededader(s) (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer E 410.800,--, althans een geldbedrag, was of wie bovenomschreven geldbedrag voorhanden had,

en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een voorwerp, te weten een geldbedrag verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag gebruik heeft gemaakt,

immers is er in de periode van 16 mei 2005 tot en met 20 januari 2017 een of meermalen (onder meer)

- contant geld gestort op een of meer op zijn naam staande bankrekeningen (in totaal ongeveer 410.800,--) en/of geldbedragen van die rekening(en) overgeschreven en/of opgenomen en/of

- aandelen en/of effecten (via een of meer op zijn naam staande bankrekeningen) gekocht en/of verkocht en/of

- ( november 2009 tot en met maart 2010) middels een of meer moneytransfers geld overgemaakt op zijn, verdachtes, naam ten gunste van hem, verdachte en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

2 Inleiding

Op 25 februari 2005 vond er rond 10.00 uur op de luchthaven Schiphol, op het Bravo platform gelegen op het afgesloten beveiligde gedeelte, een gewapende overval plaats, waarbij onder dreiging met geweld tegen personen een waardetransportauto werd weggenomen met daarin waarde-zendingen diamanten en sieraden ten bedrage van bijna 73 miljoen USD. Naar aanleiding van deze overval is een opsporingsonderzoek ingesteld onder de naam “Rock”. Tijdens dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat er op 10 februari 2005 een poging en/of voorbereiding van de overval heeft plaatsgevonden waarbij een KLM-voertuig is weggenomen. In dit onderzoek kwamen de volgende verdachten in beeld: wijlen [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna [medeverdachte 3] ). Dit onderzoek heeft destijds niet geleid tot dagvaarding van deze verdachten ter zake van voormelde strafbare feiten. Verdachte maakte geen deel uit van deze groep verdachten.

Naar aanleiding van nieuwe onderzoeksbevindingen is op 25 november 2013 het opsporingsonderzoek “Eaton” gestart naar de op 25 februari 2005 gepleegde diamantroof op Schiphol en een poging/voorbereiding daartoe op 10 februari 2005. Uit TCI-informatie, tapgesprekken, observaties en door het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) zijn eerdergenoemde verdachten wederom in beeld gekomen alsmede [medeverdachte 4] (hierna [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna [medeverdachte 5] ), [verdachte] (hierna: verdachte of [verdachte] ), [medeverdachte 7] (hierna [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna [medeverdachte 8] ), [medeverdachte 9] (hierna [medeverdachte 9] ) en [medeverdachte 10] (hierna [medeverdachte 10] ).

In de periode van 6 november 2014 tot en met 20 januari 2017 werd door opsporingsambtenaren van de Nationale Politie, als politieel informant werkzaam bij het team werken onder dekmantel (WOD), uitvoering gegeven aan verschillende bevelen tot stelselmatige inwinning van informatie ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Doelstelling van dit traject was het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005 en de poging tot diamantroof/voorbereiding op 10 februari 2005.

In mei 2017 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) het onderzoek Eaton afgerond. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is de officier van justitie tot vervolging van verdachten overgegaan.

De vraag die thans voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden, alsmede de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde in 2005 op Schiphol gepleegde misdrijven te komen. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het onder feit 3 ten laste gelegde gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3 Voorvragen

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

De raadsman heeft in de kern daartoe naar voren gebracht dat het “werken onder dekmantel” (WOD-) traject zoals ingezet op verdachte onrechtmatig is geweest. De raadsman heeft ter onderbouwing van deze stelling naar voren gebracht dat door te kiezen voor dit traject en het hanteren van de zogenaamde “Mr Big-methode” dan wel een variant daarop, verdachte zich, gelet op de op hem uitgeoefende psychische druk, genoodzaakt voelde een valse verklaring af te leggen; een verklaring die onder dwang is afgelegd en niet vrijwillig tot stand is gekomen zodat bovendien sprake is van schending van artikel 6 EVRM.

Een en ander dient naar de mening van de raadsman in samenhang bezien te worden met het feit dat verdachte gedurende dat WOD-traject uitgelokt is strafbare feiten te plegen.

De raadsman betrekt hier nog bij dat verdachte hierdoor in een chantabele positie is gebracht en dat op hem ongeoorloofde druk is uitgeoefend.

De raadsman acht in dit verband voorts van belang dat sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke schending ook niet hersteld kan worden. Daartoe verwijst hij naar de wijze van verslaglegging en verantwoording van het WOD-traject door de betreffende verbalisanten, een wijze die naar zijn mening een adequate en controleerbare rechterlijke toetsing blokkeert. Volgens de raadsman moet het WOD-traject gezien worden als één langgerekt verhoor van verdachte nu naar zijn mening gestuurd wordt op diamanten. Nu dit verhoor niet auditief en/of audiovisueel is opgenomen, is bovendien sprake van een vormverzuim. Bij zijn betoog dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard, betrekt de raadsman, naar de rechtbank begrijpt, tot slot de omstandigheid dat de TCI-informatie betreffende verdachte, mede gelet op het moment waarop die informatie beschikbaar is gekomen, misleidend is nu sprake is van bewuste manipulatie van de feiten.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben in reactie op het betoog van de raadsman – samengevat – naar voren gebracht dat de inzet van het WOD-traject op verdachte niet onrechtmatig is geweest en dat er geen enkele reden is het OM in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe wordt naar voren gebracht dat in de beschikbare stukken geen aanknopingspunt te vinden is voor de stelling dat verdachte in het WOD-traject onder grote psychische druk is gezet waardoor hij niet anders kon dan tegenover de undercover-agenten een verklaring afleggen, terwijl verdachte zelf bovendien niet heeft verklaard op welke wijze hij onder welke druk is gezet. Daarnaast is op geen enkele wijze uit het dossier naar voren gekomen dat de werkzaamheden die verdachte voor de undercovers-agenten verrichtte, gebruikt zijn om te zorgen dat hij een verklaring ging afleggen.

Nu er geen sprake was van een verhoorsituatie bestond er geen verplichting tot auditieve opname zodat van een vormverzuim evenmin sprake is.

Met betrekking tot de TCI-informatie over verdachte wordt naar voren gebracht dat deze informatie in het dossier is opgenomen omdat het weergeeft waar de verdenking jegens verdachte op gebaseerd is, hetgeen essentieel is voor de start van het mede op verdachte gerichte onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat door het OM op enig moment is overgegaan tot stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv. Blijkens het proces-verbaal bevindingen van 12 mei 20171 van de verbalisanten B-2238 en B-2237, werkzaam als begeleiders bij het WOD-team, was de doelstelling van dit traject het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en/of andere verdachten bij de diamantroof op 25 februari 2005. Onder meer de opsporingsambtenaren (politiële informanten) A-3754 en A-3755 zijn daartoe ingezet. Het stelselmatig inwinnen van informatie via een WOD-traject op verdachte vond – met tussenpozen – plaats in de periode 6 november 2014 tot en met 14 januari 2017, waarbij er ook inzetten zijn geweest in Colombia en Praag. Deze opsporingsambtenaren hebben zich (undercover) voorgedaan als gewone burgers, waarbij de één zich voordeed als een investeerder en de ander als zijn chauffeur/begeleider. Zij hebben verdachte – eerst via zijn (toenmalige) Colombiaanse vriendin – benaderd en zijn deel gaan uitmaken van zijn leven. In de hiervoor genoemde periode dat het WOD-traject liep, heeft verdachte tegenover de undercover opererende opsporingsambtenaren over zijn werkzaamheden voor KLM op Schiphol verteld. Verdachte heeft zijn diensten aangeboden toen één van de undercover-agenten aangaf dat hij iemand nodig had om geld voorbij de douane te brengen. Hierbij heeft verdachte aangegeven dat ook grotere bedragen geen probleem voor hem zijn. Hij heeft in dit verband bovendien het aanbod gedaan zelf geld naar Engeland te brengen, hetgeen hij daadwerkelijk een keer heeft gedaan. Voorts heeft verdachte in diverse contacten met de undercover-agenten aangegeven dat hij ook cocaïne naar Engeland zou kunnen smokkelen. Voor de door verdachte verrichte werkzaamheden zijn ten tijde van de contacten met de undercover-agenten afspraken gemaakt over de beloning voor verdachte en zijn ook daadwerkelijk betalingen aan hem gedaan. Tijdens de onderlinge gesprekken kwamen onderwerpen van sociale aard ter sprake en na verloop van tijd kwam het gesprek ook op diamanten. Eén van de undercover-agenten vertelde aan verdachte dat hij via verdachte ongeslepen diamanten van land- naar airside wilde krijgen om die vervolgens naar Engeland te brengen. Volgens verdachte was dit voor hem geen enkel probleem en was hij bereid dit te doen. Tijdens dit gesprek gaf verdachte er blijk van het een en ander van diamanten te weten. Hij kende iemand die diamanten kon slijpen, deze legaal kon maken en ook dat er een certificaat bij gegeven kon worden. Ook in latere contacten met de undercover-agenten spreekt verdachte over diamantgerelateerde zaken zoals rapaports en kleuren van diamanten.

Tijdens een ontmoeting tussen de twee undercover-agenten en verdachte op 29 juli 2016 in Colombia vertelt verdachte een rol te hebben gespeeld bij de diamantroof van 2005 op Schiphol. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij 10% van de opbrengst van de gestolen diamanten zou krijgen, maar dat ze hem bedonderd hebben en dat hij niet de enige is die bedonderd is. Hij vertelt ook dat er vuurwapens bij betrokken waren.

Tijdens een ontmoeting op 30 juli 2016 met de undercover-agenten, eveneens in Colombia, vertelt verdachte dat het de bedoeling was geweest om door de diamantroof een financieel zekere toekomst te hebben, maar dat het alleen maar ellende had opgeleverd.

Tijdens een gesprek met de undercovers op 27 oktober 2016 vertelt verdachte onder meer dat het toen februari was geweest en dat hij twee uur met die jongens moest wachten omdat het vliegtuig later was. Ook vertelt hij dat ze niet alles hebben kunnen meenemen omdat de achterkant niet open ging. In de laatste ontmoeting, op 14 januari 2017, vertelt verdachte dat hij maandenlang observaties had uitgevoerd op Schiphol en dat de eerste keer een proef was geweest en dat dat gelukkig niet goed was gegaan omdat de buit dan minder was geweest.

Juridisch kader

Op grond van artikel 359a Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld of de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, bepalen dat strafvermindering, bewijsuitsluiting, of niet-ontvankelijkheid van het OM als rechtsgevolg aan het verzuim kan worden verbonden. In dat kader geldt dat allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van één of meer vormverzuimen zoals vermeld in 359a Sv, dus of er sprake is van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. Niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376).

In artikel 126j Sv is de bevoegdheid geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij of zij optreedt als opsporingsambtenaar. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een opsporingsambtenaar dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn (in het bijzonder een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte), maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. De opsporingsambtenaar heeft uitdrukkelijk tot opdracht om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het inzetten van een dergelijk traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, en waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben.

Verslaglegging WOD-traject

Het verweer van de raadsman komt erop neer dat deze verslaglegging niet te toetsen is omdat die verslaglegging onduidelijk is, er sprake is geweest van drankgebruik door de undercover-agenten en er onduidelijkheid is over de datum van ondertekening van de door deze opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat de begeleiders van de undercover werkende opsporingsambtenaren (B-2238 en B-2237) steeds processen-verbaal van begeleiding hebben opgemaakt waarin door hen onder meer wordt aangegeven welke undercover wordt ingezet en welke opdracht hij of zij krijgt. Voorts wordt in deze processen-verbaal aangegeven op welk moment na de inzet de undercover-agent de begeleiders van zijn of haar bevindingen op de hoogte stelde en voorts dat de undercover-agent van zijn bevindingen afzonderlijk proces-verbaal opmaakt. Ook wordt verantwoording afgelegd over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal.

De ingezette undercover-agenten hebben blijkens het procesdossier eveneens processen-verbaal opgemaakt waarin zij verslag doen van hun bevindingen. Ook zij leggen daarin verantwoording af over de wijze van opmaken, sluiten en ondertekenen van deze processen-verbaal. Bij een aantal van deze processen-verbaal (met name die waarbij een inzet in het buitenland wordt gerelateerd) valt op dat er naast de plek waar ondertekend is, handgeschreven, nog een andere, latere, datum vermeld is. Voor zover de raadsman mede hierop doelt als hij wijst op onduidelijkheid in de verslaglegging, is de rechtbank van oordeel dat hierover voldoende duidelijkheid is verschaft in de verhoren van de begeleiders en undercover-agenten als getuige bij de rechter-commissaris. Verbalisant A-3754 heeft hierover in dat verhoor onder meer verklaard dat hij zijn processen-verbaal niet meteen ondertekende, maar dat dat pas aan het einde van het traject gebeurde. Die processen-verbaal waren al eerder opgemaakt. Verbalisant A-3755 heeft hierover ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij dat probeerde zo snel mogelijk te doen en dat in het proces-verbaal staat vermeld wanneer het is opgemaakt. Hij verklaart zich tevens te herinneren dat er op een later tijdstip is ondertekend, maar dat hij niet meer weet bij welk proces-verbaal dat was.

Verbalisant B-2238 heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat er door de undercovers na de debriefing een proces-verbaal wordt opgemaakt en dat er door hen ook in Colombia processen-verbaal zijn opgemaakt. Deze processen-verbaal worden opgeslagen in een afgeschermd systeem en op enig moment worden ze uitgeprint en ondertekend. In Colombia hadden hij en de undercover-agenten niet de beschikking over een printer. Hij verklaart verder dat de processen-verbaal van de undercover-agenten eerder zijn opgemaakt en later zijn ondertekend en dat de datum die er op vermeld is de datum is van het opmaken en sluiten in Colombia en dat er nadien in Nederland is ondertekend. Over de handgeschreven, extra, datum op een aantal van de processen-verbaal van de undercover-agenten die ontbreken op de processen-verbaal van de begeleiders geeft hij aan dat men vergeten is de concrete dagtekening van de datum van uitprinten en ondertekenen op te nemen. Verbalisant B-2237 heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat de undercover-agenten zo spoedig mogelijk na de inzet en de debriefing processen-verbaal hebben opgemaakt en dat zij op hun eigen laptop hebben gewerkt.

Ten aanzien van het drankgebruik tijdens een inzet, zowel door hen als door verdachte, stelt de rechtbank vast dat de undercover-agenten daarover in hun proces-verbaal gerelateerd hebben en dat zij daarover in hun verhoor bij de rechter-commissaris vragen hebben beantwoord. Gelet op het voorgaande valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de verslaglegging door de undercover opererende opsporingsambtenaren niet te toetsen is en in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde en zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het verweer van de raadsman dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv wordt dan ook verworpen.

Verhoorsituatie

Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank het op verdachte ingezette WOD-traject niet als één langgerekt verhoor van verdachte dat auditief had moeten worden opgenomen. Nog los van het feit dat deze stelling van de raadsman feitelijke grondslag mist, verkeerde verdachte niet in een situatie dat hij fysiek en/of sociaal in zijn vrijheid werd beperkt gedurende dat traject. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in beginsel alle vrijheid had om al dan niet te verklaren ten overstaan van de undercover-agenten. Het dossier bevat daarnaast geen enkele aanwijzing dat verdachte door de undercover-agenten onder druk is gezet om bepaalde zaken te vertellen. Sterker nog, uit de door de undercover-agenten opgemaakte processen-verbaal van hun contacten met verdachte blijkt eerder dat verdachte spontaan en zonder dat hem daarnaar wordt gevraagd, informatie verstrekt over onder meer zijn betrokkenheid bij de diamantroof en ook dat hij over bepaalde zaken niet wenst te vertellen. Daar komt bij dat verdachte gedurende de periode van de contacten met de undercover-agenten zijn reguliere leven leidde, naar zijn werk ging en zijn familie en vriendin bezocht. Ook heeft verdachte in zijn verhoren bij de KMar niet eenmaal verklaard over druk (psychisch dan wel anderszins) die op hem in dat verband zou zijn uitgeoefend. Aan hetgeen hij daarover in de door zijn raadsman ter zitting voorgelezen tekst aangeeft, hecht de rechtbank geen waarde nu deze uitleg in een zeer laat stadium is afgelegd en verdachte vragen hierover uitdrukkelijk niet wenst te beantwoorden. Uit die voorgelezen tekst wordt het de rechtbank overigens nog steeds niet duidelijk waar die druk dan uit zou hebben bestaan en op welk(e) moment(en) die druk door wie zou zijn uitgeoefend.

Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank tevens dat van strijd met artikel 6 EVRM geen sprake is. Het verweer wordt verworpen.

Uitlokking

Dat verdachte gedurende het WOD-traject (ontoelaatbaar) zou zijn uitgelokt strafbare feiten te plegen waardoor hij in een chantabele positie zou zijn gekomen, zoals door de raadsman is betoogd, kan de rechtbank niet volgen. Uit de verslaglegging van de undercover-agenten, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat zij weliswaar sturend zijn geweest als het gaat om het aan de orde stellen van het smokkelen van geld van land- naar airside, maar dat uit die verslaglegging tevens blijkt dat verdachte degene is die direct aangeeft dat hij dat wel kan doen en dat het voor hem een leuke bijverdienste is. Verdachte geeft blijkens die verslaglegging voorts aan de undercover-agent een uitleg over de werkwijze die gehanteerd moet worden, waarbij hij ook heeft gezegd dat grotere bedragen voor hem geen probleem zijn en dat hij ook zelf beschikbaar is om het geld naar de overkant te brengen, hetgeen hij uiteindelijk in juni 2016 daadwerkelijk een keer doet. Uit de verslaglegging van A-3755 met betrekking tot de inzet op 18 april 2016 blijkt bovendien dat verdachte zelf het voorstel doet om drugs naar Engeland te smokkelen en dat het voor hem geen probleem is

2 à 3 kilo in een rugzakje, op dezelfde manier als het geld, Schiphol binnen te brengen. Op dit voorstel zijn de undercover-agenten overigens niet in gegaan. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het er dan ook voor dat verdachte er zelf voor heeft gekozen, terwijl hij een baan had die hij daarmee op het spel zette en niet verkeerde in een problematische financiële situatie, voor de undercover-agenten werkzaamheden te verrichten waarmee hij geld kon verdienen. Gelet op het voorgaande is van (ontoelaatbare) uitlokking als onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake. Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

TCI-informatie

Hetgeen de raadsman met betrekking tot de TCI-informatie waar de naam van verdachte in voorkomt naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet volgen. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat deze informatie, gelet op het moment van beschikbaar komen en zijn vermoeden dat het uit de omgeving van het onderzoeksteam vandaan komt, aan het dossier is toegevoegd om de rechtbank te beïnvloeden, merkt de rechtbank het volgende op. Nog los van het feit dat de raadsman zijn vermoeden op geen enkele wijze onderbouwt en zeer laat in de procedure met deze stelling komt, hecht de rechtbank eraan, in navolging van de officier van justitie, op te merken dat de betreffende TCI-informatie de start is geweest van het onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de gebeurtenissen op 10 en 25 februari 2005 en dat het om die reden een essentieel onderdeel uitmaakt van het procesdossier.

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door het toepassen van het WOD-traject op de wijze zoals dat op verdachte is toegepast, geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim of -verzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Evenmin kan tot het oordeel worden gekomen dat sprake is geweest van niet in vrijheid afgelegde uitlatingen. Dat betekent dat de rechtbank het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM verwerpt.

Het OM is derhalve ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Op grond van de inhoud van het dossier kan volgens de officieren van justitie worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diamantroof op 25 februari 2005, het medeplegen van de poging diamantroof op 10 februari 2005 en witwassen in de periode van 16 mei 2005 tot en met 20 januari 2017. Zij hebben daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Ten aanzien van 1 primair en 2 primair:

In de eerste plaats zijn volgens het OM redengevend de uitlatingen van verdachte zelf tegenover de undercover-agenten, waarbij hij zijn betrokkenheid bij de diamantroof op 25 februari 2005 heeft bekend. Hoewel verdachte tegenover de undercover-agenten geen uitlatingen heeft gedaan over de poging op 10 februari 2005 acht het OM bewezen dat dat verdachte ook hierbij betrokken is geweest. De poging op 10 februari 2005 is in de visie van het OM gepleegd door dezelfde dadergroep als de geslaagde roof op 25 februari 2005. In dit verband heeft het OM onder meer gewezen op hetgeen medeverdachte [medeverdachte 3] naar voren heeft gebracht in het OVC-gesprek op 17 juni 2013, de modus operandi (ongezien ‘airside’ opkomen, het stelen van een KLM auto om dichter bij het vliegtuig te komen, het klaar staan van de scheppende man bij de rode bestelauto bij De Hoek) en telecomcontacten. Voorts heeft het onderzoeksteam in de woning van verdachte een tas aangetroffen met daarin onder andere zakjes diamanten die rechtstreeks zijn te herleiden naar de roof op 25 februari 2005. Tevens zijn er bij verdachte dossierstukken van het Rock dossier aangetroffen. Die stukken uit Rock zijn meer dan vermoedelijk de stukken die aan de advocaat van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn verstrekt, hetgeen een verband oplevert tussen verdachte, de buit van de roof en medeverdachte [medeverdachte 1] , welk verband in de visie van het OM ook blijkt uit de in de locker van verdachte op Schiphol aangetroffen notitie met daarop vermeld het adres van medeverdachte [medeverdachte 1] in Spanje. Ook zijn er de ontmoetingen die verdachte had samen met medeverdachten [medeverdachte 7] of [medeverdachte 5] met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Die ontmoetingen hadden in de visie van het OM betrekking op een betalingsconflict dat speelde naar aanleiding van de roof. Ten slotte heeft verdachte in 2005 en 2006 plotseling de beschikking gekregen over grote hoeveelheden geld die contant op zijn rekening werden gestort. Verdachte heeft hier geen verklaring over willen afleggen en volgens het OM vormt dit het bewijs dat verdachte een beloning heeft gekregen voor zijn bijdrage aan de diamantroof.

De door de door de raadsman van verdachte ter terechtzitting voorgelezen verklaring kan in de visie van het OM niet als een reëel alternatief scenario worden aangemerkt, nu deze zeer laat is ingebracht in het proces en verdachte bovendien met betrekking tot deze verklaring geen enkele vraag heeft willen beantwoorden. Het OM stelt zich op het standpunt dat deze verklaring van verdachte om die reden onbesproken terzijde kan worden geschoven.

Ten slotte heeft het OM aangevoerd dat de diamantroof niet had kunnen plaatsvinden zonder hulp van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 7] ; zonder hen zouden de daders niet in staat zijn geweest om het beveiligde platform op Schiphol op te komen en de roof te plegen. Dat maakt in de visie van het OM hun bijdrage aan de roof van zoveel gewicht dat alleen de kwalificatie medeplegen op zijn plaats is.

Ten aanzien van feit 3 (gewoontewitwassen)

Het OM stelt met betrekking tot verdachte het volgende vast.

- Er heeft een roof plaatsgevonden waarbij een enorm bedrag aan diamanten is buit gemaakt.

- Volgens TCI informatie heeft verdachte een groot geldbedrag ontvangen;

- In de jaren na de diamantroof zijn er grote, onverklaarbare stortingen van contant geld op de rekening van verdachte geweest van in totaal € 410.800,-. Dat geld staat nu niet meer op zijn rekening en wordt dus verondersteld te zijn uitgegeven;

- Verdachte heeft onroerend goed aangeschaft in Colombia van welke aankopen op zijn rekening niets is te zien.

De combinatie van deze feiten en omstandigheden betekent volgens het OM dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Dan is het vervolgens aan verdachte om aan te geven waar het geld vandaan kwam in een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring. Nu verdachte hierover geen verklaring heeft gegeven, kan witwassen in de vorm van het omzetten van goederen die van misdrijf afkomstig zijn wettig en overtuigend bewezen worden.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank (subsidiair) verzocht op basis van de eerdergenoemde elementen (de rechtbank begrijpt: hetgeen de raadsman in het kader van de rechtmatigheid van het bewijs heeft aangevoerd met betrekking tot het WOD-traject (zie onder 2.)) de processen-verbaal van het WOD-traject inhoudende de uitspraken van verdachte tegenover de undercover-agenten van het bewijs uit te sluiten.

Ook indien genoemde processen-verbaal wel tot het bewijs zouden worden gebruikt moet verdachte volgens de raadsman integraal van het aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde (in alle varianten) moet worden vrijgesproken. Tevens is vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde.

De raadsman heeft daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Afgezien van het materiaal dat is voortgekomen uit het WOD traject is er niets

dat als redengevend bewijs kan worden aangemerkt voor betrokkenheid van verdachte bij de

roof van diamanten in 2005. Verdachte heeft in verhoren meerdere keren aangegeven dat hij stoere praat en leugens heeft gebruikt in zijn contacten met de WOD-ers en zich gedwongen zag zich te bewijzen tegenover hen. In zijn schriftelijke verklaring, die is voorgelezen ter terechtzitting, laat verdachte weten weliswaar iets met diamanten van doen gehad te hebben in de periode na 2005 en veel later een interesse te hebben ontwikkeld voor de diamantroof, maar daarmee kan geenszins betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten worden aangetoond.

In de visie van de verdediging staat vast dat:

- Verdachte in 2005 in het onderzoek Rock op geen enkele wijze in beeld is geweest;

- Niet is vastgesteld dat verdachte op 25 februari 2005 überhaupt in de buurt is geweest van Schiphol, laat staan dat hij toentertijd bij machte is geweest om mensen op Schiphol binnen te brengen;

- Er in 2005 rond de datum van de roof, en tot 2014 toe, geen contacten zijn vastgesteld tussen verdachte en de verdachten uit het Rock onderzoek;

- Alle informatie die verdachte aan de undercoveragenten heeft gegeven aantoonbaar reeds geruime tijd bekend is bij veel mensen. Verdachte heeft - vanuit de overtuiging dat hij met belangrijke mensen te maken had - de misleiders misleid door met kennis (opgedaan ver na 2005) deze agenten naar de mond te praten in de hoop veel geld te kunnen verdienen. Er is een spel met verdachte gespeeld waarin verdachte zich gedwongen zag zichzelf te bewijzen.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte een verklaring heeft gegeven die niet strijdig is met de gepresenteerde bewijsmiddelen en bij het ontbreken van overig redengevend materiaal ten aanzien van de door het OM gepresenteerde illusie, verzoekt de verdediging om verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2 in al haar varianten.

Ten aanzien van feit 3:

In de visie van de verdediging heeft het OM haar standpunt met betrekking tot feit 3 zeer summier onderbouwd en bevat deze onvoldoende grondslag om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte heeft direct en verifieerbaar (aan de hand van bonnetjes) verklaard over het feit dat hij geld heeft verdiend met gokken en kleine handeltjes. Witwas-indicatoren zoals een extreem luxueuze levensstijl, cash geld, dure goederen ontbreken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten 1. primair en 2. primair

Betrouwbaarheid – uitlatingen verdachte in kader WOD-traject

De raadsman heeft in zijn pleidooi het woord “(on)betrouwbaar” niet genoemd en de rechtbank leest in de hiervoor opgenomen losse opmerkingen die de raadsman heeft gemaakt over de uitlatingen van verdachte geen betrouwbaarheidsverweer. Desondanks komt het de rechtbank in dit geval zinvol voor - vooral ook om inzicht te geven in de redenen waarom de rechtbank niet alleen het wettig maar ook het overtuigend bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij voormelde strafbare feiten aanwezig acht - enige woorden te wijden aan de uitlatingen van verdachte tijdens het WOD-traject met inachtneming van bedoelde losse opmerkingen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn voor het oordeel dat de processen-verbaal van de WOD-ers in strijd met de waarheid zijn opgemaakt.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat op enig moment in het traject sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang of dat de undercover-agenten verdachte woorden in de mond hebben gelegd of anderszins zodanig sturend hebben gehandeld dat dit de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het traject aantast. De rechtbank wijst erop dat hetgeen over dwang en druk hiervoor (onder 3.) bij de bespreking van het onrechtmatigheidsverweer is overwogen hier mutatis mutandis geldt. Aan hetgeen verdachte daarover in de door zijn raadsman ter zitting voorgelezen tekst aangeeft, hecht de rechtbank - zoals al onder 3. overwogen - geen waarde.

Voorts ziet de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de uitlatingen die verdachte tijdens het WOD-traject deed “allemaal leugentjes en grootspraak” zijn, zoals door hem in één van zijn verhoren is verklaard. De rechtbank ziet op meerdere punten steun voor het oordeel dat verdachte op belangrijke onderdelen naar waarheid heeft verklaard. Zo is uit het dossier gebleken dat overeenkomstig de in de verslaglegging vermelde uitlatingen van verdachte dat hij bij thuiskomst in Nederland direct zijn Amsterdamse gabber zou ontmoeten die dan weer contact zou hebben met de oude man, verdachte dit bij zijn terugkeer ook daadwerkelijk heeft gedaan (ontmoeting verdachte met [medeverdachte 8] op 23 augustus 2016) en dat er vervolgens door [medeverdachte 8] op diezelfde datum telefonisch contact is opgenomen met bedoelde, als oude man omschreven persoon, [medeverdachte 9] . Daarnaast heeft verdachte aan de undercover-agenten verteld dat hij destijds een handvol van de buit - diamanten - had meegenomen en via de oude man in Antwerpen had laten verkopen. Dit strookt met de vondst in de woning van verdachte in januari 2017 van een tas met aan de diamantroof van 2005 op Schiphol gerelateerde zaken waaronder een aantal certificaten van de Hoge Raad voor de Diamant te Antwerpen. Zowel de verklaringen van [medeverdachte 8] als die van [medeverdachte 9] bevestigen een deel van hetgeen verdachte heeft verteld aan de undercover-agenten, hetgeen de betrouwbaarheid van de uitlatingen van verdachte ten goede komt.

Ten slotte overweegt de rechtbank het volgende over de mogelijkheid dat verdachte hetgeen hij aan de undercover-agenten heeft verteld niet uit eigen wetenschap had, maar dat hij bedoelde informatie had verkregen uit andere bronnen zoals kranten uit 2005, delen van het Rock-dossier, een exemplaar van het weekblad Panorama en het boek “ Handen omhoog! Dit is een overval”. De berichtgeving uit de kranten – zoals die blijkt uit het dossier – bevat naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig concrete informatie als door verdachte verstrekt. Ten aanzien van de Panorama - te weten die van 7 december 2016 - en het boek dat verdachte voor het eerst inzag op 14 januari 2017 tijdens een afspraak met de undercover-agenten, wijst de rechtbank erop dat verdachte vóór die data al uitlatingen over de diamantroof had gedaan zodat deze media niet als bron voor zijn wetenschap kunnen gelden. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen over de ontmoeting van verdachte met de undercover-agenten op 14 januari 2017 dat hij, nadat hem het boek “Handen omhoog! Dit is een overval” is getoond, heeft aangegeven dat hij eerder in Medellín was en niets over het boek gelezen of gehoord had. Dan resteert het in de woning van verdachte aangetroffen deel van het Rock-dossier als bron van wetenschap voor verdachte.

Hierover staat in het verhoor van verdachte van 14 februari 2017 (map 21, p. 227) het volgende:

“V: Het is een beetje te kort door de bocht om te zeggen dat het een fabel of leugen is. Je

hebt onderzoekstukken van Rock (1e onderzoek diamantenroof 2005) thuis liggen.

A: Ik heb niks.”

In de daaropvolgende verhoren beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht als hem wordt gevraagd over het bij hem aangetroffen deel van het Rockdossier. Na confrontatie met de uitkomsten van het WOD-traject verklaart hij dat het “allemaal leugentjes en stoere praat” waren om ten slotte ter terechtzitting van 21 november 2018 een van hem afkomstige tekst te laten voorlezen en te overleggen waarin staat dat hij dit strafdossier “via allerlei omwegen uiteindelijk in bezit heeft gekregen”. Zoals reeds meermalen overwogen hecht de rechtbank geen waarde aan deze tekst. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geenszins komen vast te staan dat verdachte uitsluitend uit andere bron dan uit eigen wetenschap kennis heeft over de diamantroof.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het WOD-traject op de wijze zoals dat op verdachte is toegepast, in onvoldoende mate betrouwbaar is en tot uitkomsten heeft geleid die niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De uitlatingen van verdachte acht de rechtbank voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen worden gebezigd.

Bewijsoverweging ten aanzien van medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie 'medeplegen'.

Gelet hierop en op de rol van verdachte die vanuit zijn functie op Schiphol maandenlang observaties uitvoerde op Schiphol om te zien hoe een en ander ging met betrekking tot onder andere de aankomst van het vliegtuig, de procedures met het in- en uitladen van het vliegtuig en de gehele gang van zaken met betrekking tot de waardetransportauto waarin de diamanten vervoerd zouden worden, en het van land- naar airside brengen van wapens voor de door zijn mededaders feitelijk uitgevoerde overval op het beveiligde terrein van Schiphol, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als medepleger in voornoemde zin moet worden aangemerkt.

Zowel de poging daartoe als de diamantroof twee weken later betrof naar het oordeel van de rechtbank een gemeenschappelijke onderneming van meerdere personen waarbij de gedragingen van de verdachten bewust op elkaar zijn afgestemd om een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken. Verdachte heeft deel uitgemaakt van dit samenwerkingsverband en streefde dit doel ook na.

4.3.2.

Feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Uit de gevorderde belastinggegevens en bankmutaties van verdachte blijkt dat verdachte sinds oktober 2005 inkomsten had uit zijn dienstverband bij KLM. Op de rekening courant van verdachte bij ABN AMRO is te zien dat het saldo mede gevoed is door de uitkering van een spaarbeleg voor een bedrag van € 21.123,33. Verder komt uit de belastinggegevens geen informatie naar voren die duidt op contante tegoeden.

Uit de bankmutaties van voornoemde rekening blijkt voorts dat in de periode april 2004 tot en met januari 2016 een groot aantal contante stortingen plaatsvond, voor een totaalbedrag van € 256.530,-. Uit de bankmutaties van de Rabo direct bankrekening van verdachte blijkt bovendien dat in de periode van maart 2006 tot maart 2016 een groot aantal contante stortingen plaatsvond, voor een totaalbedrag van € 154.300,-. Dit geld werd gebruikt voor onder andere de aflossing van creditcarduitgaven, casino-uitgaven, woonlasten en verzekeringen. Naast de contante stortingen zijn ook veelvuldig contante opnamen gedaan. Uit onderzoek van de bankgegevens van Rabobank is gebleken dat voor een totaalbedrag van € 108.500,- is opgenomen. Ten slotte is uit onderzoek naar de bankgegevens van beide rekeningen gebleken dat er geld is overgeboekt naar verschillende personen.

Op de bankmutaties van de rekeningcourant van verdachte bij ABN AMRO is bovendien te zien dat in de periode 1 januari 2005 tot en met 15 april 2016 aankopen en verkopen plaatsvonden van diverse aandelen. Uit de bankmutaties van de Raborekening van verdachte blijkt dat in de periode 14 februari 2005 tot 15 april 2016 effecten zijn aangekocht en verkocht.

Uit het Databestand Ongebruikelijke Transacties is gebleken dat verdachte met gebruikmaking van drie moneytransfers geld heeft overgemaakt. Op 1 en 4 november 2009 heeft hij € 1.777,- overgemaakt naar respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Op 20 maart 2010 heeft hij € 1.800,- naar zichzelf overgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verrichte contante stortingen, alsmede de aan- en verkoop van aandelen en effecten en de moneytransfers kunnen niet verklaard worden uit verdachtes inkomsten uit zijn dienstverband bij KLM. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen, aandelen en effecten en moneytransfers.

Ten aanzien van de contante stortingen heeft verdachte op 22 januari 2017 verklaard dat hij deze bedragen heeft gewonnen bij casino’s, dat hij een lening heeft afgesloten en dat hij geld heeft verdiend met de aan- en verkoop van aandelen. Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring die door zijn raadsman is voorgelezen ter terechtzitting van 21 november 2018, laten weten dat de contante stortingen betrekking hebben op speelwinst in het casino, winst op aandelen en ‘handeltjes’.

In het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2017 (map 64, p. 136) hebben verbalisanten gerelateerd dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte een zak met zogenoemde cash out bonnen is aangetroffen. Uit onderzoek, gedaan bij Casino City, is gebleken dat er regelmatig cash out bonnen achterblijven of op de Hess automaat of in de prullenbak die naast deze Hess automaat staat. De ruimte waar deze automaat en deze prullenbak staan, is voor publiek vrij toegankelijk. Het onderzoek naar de aangetroffen cash out bonnen (die overigens enkel aangetroffen zijn met de datering 2015, 2016 en 2017) heeft naar het oordeel van de rechtbank geen concrete en verifieerbare verklaring voor het hiervoor genoemde totaal aan contante stortingen, aandelen en effecten en moneytransfers opgeleverd reeds nu uit onderzoek is gebleken dat deze bonnen eenvoudig voor een ieder uit het casino zijn mee te nemen en uit het enkele voorhanden hebben van deze bonnen nog niet blijkt dat deze betrekking hebben op (alleen) door verdachte verdiende winst. Voor het overige is de verklaring van verdachte over de winst op aandelen niet met stukken onderbouwd. Aan de ter terechtzitting van 21 november 2018 overgelegde schriftelijke tekst van verdachte over winst uit ‘handeltjes’, welke tekst zeer laat in het proces is gebracht, niet is onderbouwd en waarover verdachte uitdrukkelijk geen vragen wilde beantwoorden, hecht de rechtbank om die redenen geen waarde, zoals meermalen overwogen.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op het feit dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2 komt de rechtbank tot het oordeel dat de hiervoor genoemde geldbedragen een criminele herkomst hebben en dat het aannemelijk is dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit de opbrengst van de diamantroof van 25 februari 2005 en voorts dat de ten laste gelegde contante geldbedragen, aandelen en effecten en moneytransfers middellijk uit dat misdrijf afkomstig zijn.

Uit het dossier volgt dat van het totaalbedrag van € 256.530,- (meerdere) contante geldstortingen op de rekening courant van verdachte bij de ABN AMRO buiten de ten laste gelegde periode zijn gestort, nu blijkt dat de stortingen in de periode april 2004 tot en met januari 2016 plaatsvonden. Gelet hierop zal de rechtbank de bewezenverklaring beperken tot een geldbedrag van € 154.300,- (op de Rabo direct bankrekening) en een geldbedrag (op de rekening courant bij ABN AMRO), omdat op basis van het dossier niet is vast te stellen tot welke hoogte geldbedragen binnen de ten laste gelegde periode op de rekening courant van verdachte bij ABN AMRO zijn gestort.

Gelet op de periode en met name het aantal contante stortingen die verdachte heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.4.

Bewezenverklaring

In de bijlage heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. Primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

Primair

hij op 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid diamanten en sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en een bedrijfswagen (Citroën) en een aktentas en een hoeveelheid vrachtbrieven, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededaders wapens hebben gericht en/of gericht gehouden op voornoemde personen en/of de woorden toegevoegd “Deuren dicht en op de grond liggen” en/of “Uitstappen” en/of “Hier met die portofoon” en/of “Op de grond” en/of “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?

Feit 2

Primair

hij op 10 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan diverse diamanthandelaren/expediteurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (werkzaam bij de afhandeling van een waardetransport) te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, zijn mededaders, gekleed in KLM kleding, op het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol (airside) een KLM voertuig (te weten een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken [kenteken] ) hebben weggenomen en/of vervolgens met dat KLM voertuig op airside naar het B platform zijn gereden (in het bezit van een of meer vuurwapens en een of/meer handgranaten), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 3:

hij in de periode van 16 mei 2005 tot en met 20 januari 2017 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, van een voorwerp, te weten een geldbedrag de herkomst verborgen en heeft hij, verdachte een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad en/of overgedragen,

immers is/zijn er in de periode van 16 mei 2005 tot en met 20 januari 2017 meermalen

- contant geld gestort op een of meer op zijn naam staande bankrekeningen (in totaal

€ 154.300,-- en een geldbedrag) en/of geldbedragen van die rekeningen overgeschreven en/of opgenomen en/of

- aandelen en/of effecten, via een of meer op zijn naam staande bankrekeningen, gekocht en/of verkocht en/of

- ( november 2009 tot en met maart 2010) middels moneytransfers geld overgemaakt op zijn, verdachtes, naam ten gunste van hem, verdachte en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ,

terwijl hij, verdachte wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Het onder 1. primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2. primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3. bewezenverklaarde levert op:

Gewoontewitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen is gevorderd een beslissing te nemen zoals weergegeven op een aan de vordering ter terechtzitting gehecht beslagoverzicht.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle feiten op de tenlastelegging Over een eventuele strafoplegging heeft de verdediging, subsidiair, geen opmerkingen gemaakt. Wel is het verzoek gedaan om – bij een eventuele strafoplegging – de voorlopige hechtenis (die is geschorst tot aan de uitspraak op 28 januari 2019) opnieuw te schorsen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Op 25 februari 2005 heeft op de luchthaven Schiphol een gewapende overval plaatsgevonden met als buit een grote waardezending diamanten en sieraden. Twee weken daarvoor, op

10 februari 2005, is daartoe een poging gedaan. Verdachte heeft deze feiten medegepleegd door voor zijn mededaders mogelijkheden te creëren feitelijk uitvoering aan deze gewapende overval en poging daartoe te geven. Hij heeft vanuit zijn functie als KLM medewerker, die werkzaamheden verricht op het afgesloten beveiligde terrein van de luchthaven, maandenlang observaties uitgevoerd op de luchthaven Schiphol om de gang van zaken rondom de aankomst en het vertrek van het vliegtuig dat in die periode wekelijks een waardetransport vervoerde van Amsterdam naar Antwerpen in kaart te brengen. Ook heeft hij de procedures met betrekking tot het in- en uitladen van het vliegtuig en de gang van zaken rondom (de beveiliging van) de waardetransportauto waarin de diamanten van de kluis op het luchthaventerrein naar het vliegtuig werden vervoerd, bestudeerd. Ook heeft hij de voor de overval benodigde wapens van land- naar airside gebracht.

De gewapende overval op 25 februari 2005 heeft een diepe indruk achtergelaten op de slachtoffers. Door de handelingen van de mededaders van verdachte hebben zij zeer angstige momenten gekend. Zo kreeg een van de slachtoffers een vuurwapen op een afstand van ongeveer 20 centimeter op zijn borst gericht terwijl hem werd toegevoegd: “Uitstappen, hier met die portofoon, op de grond.” Toen hij op zijn buik op de grond lag was het even stil en kort daarna hoorde hij de overvaller die hem uit de auto had gehaald op agressieve toon roepen: “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?” en voelde hij dat de overvaller met zijn arm over zijn hoofd kwam en de sleutels pakte. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige misdrijven doorgaans nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. Dat blijkt ook uit de onderbouwing van de gevorderde immateriële schadevergoeding van twee van de slachtoffers. Een van hen geeft aan dat hij zich – bijna veertien jaar na dato – nog elk detail kan herinneren en dat de beelden van de overval zich de afgelopen jaren veelvuldig in zijn hoofd hebben afgespeeld. De ander kampt nog steeds met gevoelens van angst, frustratie en verdriet. Ook kan hij sindsdien slecht tegen harde en onverwachte geluiden.

Daarnaast hebben deze brutale overval en poging daartoe voor veel maatschappelijke onrust gezorgd, omdat men geconfronteerd werd met het feit dat criminelen kans hadden gezien om twee keer in een periode van twee weken met wapens op het afgesloten, beveiligde deel van de nationale luchthaven te komen met alle mogelijke gevolgen van dien. Dat dit feit op 10 februari 2005 beperkt is gebleven tot een poging en dat op die dag het waardetransport niet daadwerkelijk is overvallen, is te danken aan het alerte optreden van het KLM personeel dat op zoek was gegaan naar de weggenomen KLM-auto en geenszins aan verdachte die ook op die datum kennelijk louter voor financieel gewin, ongeacht alle mogelijke gevolgen voor eventuele slachtoffers en de veiligheid van de nationale luchthaven, bereid was bedoelde gewapende overval mede te plegen teneinde er met een waardezending diamanten vandoor te gaan.

Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie die hij had door zijn werk bij de KLM waardoor het voor hem mogelijk was middels gebruik van een toegangspas het afgesloten, beveiligde terrein van Schiphol te betreden.

Gelet op de ernst van dit feit en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS). In het geval van een voltooide overval van een geldtransport met ander geweld dan licht geweld of dreiging met geweld geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

In strafverzwarende zin heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen:

- de poging en de voltooide gewapende overval zijn in georganiseerd verband en op planmatige en berekenende wijze uitgevoerd; verdachte en zijn mededaders hebben zich terdege en langdurig op dit misdrijf voorbereid;

- bij de uitvoering van de overval is gebruik gemaakt van vuurwapens;

- verdachte heeft op ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot toegang van de beveiligde delen van de luchthaven Schiphol. Met zijn handelen heeft verdachte de integriteit en de veiligheid van de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht;

- bij de overval zijn diamanten weggenomen met de omvangrijke waarde van 72 miljoen USD, waarvan een aanzienlijk deel (43 miljoen USD) niet is terug gevonden.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan gewoonte witwassen van grote geldbedragen. Verdachte heeft hiermee geprobeerd zijn (indirecte) opbrengsten uit de diamantroof op 25 februari 2005 te onttrekken aan het zicht van justitie en de Belastingdienst. Dat levert een ernstige bedreiging op van de legale economie en vormt een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Het is evident dat door personen als verdachte, die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand wordt gehouden en bevorderd. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit in diverse vormen en om die reden de rechtsstaat ernstig ondermijnt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 oktober 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Verzoek schorsing voorlopige hechtenis

Aangezien de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst tot aan de uitspraak op

28 januari 2019, wordt verzocht om – bij een eventuele strafoplegging – de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. De verdediging doet daarbij een beroep op de volgende door verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft zijn baan bij de KLM verloren en doet momenteel vrijwilligerswerk waar hij veel voldoening uit haalt. Hij heeft schulden ter hoogte van € 60.000,- en leeft van € 586,- per maand.

De rechtbank wijst het verzoek om de voorlopige hechtenis (opnieuw) te schorsen af en overweegt daartoe in de eerste plaats dat de voorlopige hechtenis toentertijd is geschorst in verband met de omstandigheid dat het onderzoek door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank inzake dit omvangrijke dossier - met daarin meerdere verdachten - nog moest starten en aldus een inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte niet binnen afzienbare tijd te verwachten was. Deze grond voor schorsing is nu niet meer aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat sprake is van een veroordeling voor een zeer ernstig misdrijf het belang van strafvordering op dit moment zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte.

Overschrijding redelijke termijn

Hoewel van de zijde van de verdediging te dien aanzien geen verweer is gevoerd, heeft de rechtbank zich ambtshalve gebogen over de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zo ja, of deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als aanvang van de redelijke termijn moet in deze zaak de aanhouding van verdachte worden aangemerkt op 20 januari 2017. Het eindvonnis wordt thans gewezen op 28 januari 2019. Nu echter sprake is van (voormelde) bijzondere omstandigheden, meer in het bijzonder de omvang van het opsporingsonderzoek en de gelijktijdige berechtiging van de strafzaken tegen verdachtes medeverdachten is de rechtbank van oordeel dat van overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen sprake is.

7.4.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

[Bescheiden en diamanten]

dienen te worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

7.5

Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

11. 1.00 STK Wapen

UMAREX

17-002829-11

28. 1.00 STK Boksbeugel

-

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

1.00 STK Zak, 17-002829-1 tas met plastic en papier

1.00 STK Bescheiden, 17-002829-4

dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

[diamanten]

dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

9.1.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld, in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

9.2.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld, in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 312, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Verklaart verbeurd:

[Bescheiden en diamanten]

 Onttrekt aan het verkeer:

11. 1.00 STK Wapen

UMAREX

17-002829-11

28. 1.00 STK Boksbeugel

-

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00 STK Zak, 17-002829-1 tas met plastic en papier

1.00 STK Bescheiden, 17-002829-4

 Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

[diamanten]

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.100,00 (éénenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. D.D.M. Hazeu, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A. de Graag en mr. S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 januari 2019.

1 Map 67, pg 006 ev