Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:565

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
15-113263-18 en 15-064069-18 (ttzgev) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van een buurtbewoonster en een poging tot zware mishandeling van een buurtbewoner. Beide keren was zij zwaar onder invloed van alcohol en in het bezit van (onder andere) een mes.

Verwerping beroep noodweer(exces) nu de feitelijke toedracht die aan het verweer ten grondslag ligt, niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-113263-18 en 15-064069-18 (ttzgev) (P)

Uitspraakdatum: 24 januari 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.N. Verlinden en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is – bij de afzonderlijke dagvaardingen, die de rechtbank in de chronologische volgorde zal weergeven – ten laste gelegd dat:

15-064069-18 (zaak A)

zij op 23 februari 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte dreigend twee, althans een of meer (ijzeren) staven en/of een mes gepakt en/of deze (ijzeren) staven en/of dit mes aan voornoemde [aangeefster] getoond en/of (daarbij) een of meermaal (hard) op de voordeur van voornoemde [aangeefster] gebonkt en/of (daarbij) naar voornoemde [aangeefster] geschreeuwd/geroepen;

15-113263-18 (zaak B)

primair

zij op of omstreeks 10 juni 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meerdere malen) in de rug en/of in een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
zij op of omstreeks 10 juni 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meerdere malen) in de rug en/of in een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder zaak A ten laste gelegde bedreiging en de onder zaak B primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van zaak B primair op het standpunt gesteld dat verdachte – door met een mes met een lemmet van ruim 20 centimeter én een scherpe punt, zwaaiende stekende bewegingen te maken richting het bovenlichaam van het slachtoffer en hem daar daadwerkelijk (door kleding heen) drie keer te raken – zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij met het bewuste mes vitale lichaamsdelen of belangrijke aders van het slachtoffer zou raken, waardoor het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder zaak B primair ten laste gelegde poging tot doodslag moet worden vrijgesproken. Bij verdachte heeft het opzet op de dood van het slachtoffer ontbroken, ook in voorwaardelijke zin; verdachte heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Daarnaast is de kans dat het slachtoffer daadwerkelijk zou komen te overlijden ook niet als aanmerkelijk te duiden, aldus de raadsman, die zich wat betreft het bewijs van zaak A en zaak B subsidiair heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak zaak B primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, zoals ten laste gelegd onder zaak B primair, zodat verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken.

Uit het dossier volgt niet dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De vraag is vervolgens of verdachte daar wel voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Die vraag beantwoordt de rechtbank – anders dan de officier van justitie – eveneens ontkennend.

Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden als gevolg van haar handelen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).

Uit de hierna weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte buiten, op de galerij van de flat, het slachtoffer driemaal in het bovenlichaam heeft gestoken met een groot keukenmes. Uit de medische verklaring van 10 juni 2018 blijkt dat het slachtoffer een snijwond had aan zijn rechterschouderblad, een snijwond aan de buitenzijde van zijn rechterbovenarm en een steekwond van ongeveer 1 centimeter op zijn rug boven de rechteroksel. Van deze delen van het lichaam kan niet worden vastgesteld dat dit zodanig kwetsbare delen zijn dat daar op eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. In het gebied van het lichaam waar zich de bovenarmen, het schouderblad en de rug bevinden, zijn – anders dan bijvoorbeeld in de buikstreek van het lichaam – geen vitale organen gesitueerd. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2018. In dit proces-verbaal is aanvullende informatie van de forensisch arts van GGD-Amsterdam omtrent het opgelopen letsel van het slachtoffer opgenomen. Aan de forensisch arts is gevraagd of de verwondingen eventueel tot de dood hebben kunnen leiden. De forensisch arts heeft hierop geantwoord dat de wonden van het slachtoffer zijn behandeld met hechtpleisters. Hieruit kan volgens de arts worden afgeleid dat de snij-/ steekwonden oppervlakkig waren en voor weinig bloedverlies hebben gezorgd. Het zou kunnen zijn dat slechts onderliggende spieren zijn geraakt. In dat geval lijkt het de arts niet voorstelbaar dat iemand daaraan kan overlijden.

Voorts acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte buiten – op het moment waarop de tenlastelegging ziet, waarbij het letsel is ontstaan – gericht op de voorkant van het boven-lichaam van het slachtoffer heeft gestoken, althans zwaaiende stekende bewegingen met het mes naar de voorkant van het bovenlichaam van het slachtoffer heeft gemaakt. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende bewijs. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij van achteren is gestoken.

3.3.2.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder zaak A en zaak B subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Ten aanzien van zaak A

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2019 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 23 februari 2018 (dossierpagina 40 t/m 42);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisanten] van 23 februari 2018 (dossierpagina 8 t/m 10).

Ten aanzien van zaak B subsidiair

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2019 afgelegd, voor zover deze inhoudt dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken en het letsel bij hem heeft toegebracht;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 10 juni 2018 (dossierpagina 120 t/m 126);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 10 juni 2018 (dossierpagina 138 t/m 141);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 10 juni 2018 (dossierpagina 57 t/m 58);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een medische verklaring van 10 juni 2018 (dossierpagina 127 t/m 128);

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , inhoudende aanvullende informatie met betrekking tot het letsel, van 2 juli 2018 (los opgenomen).

3.3.3.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht de onder zaak B subsidiair ten laste gelegde poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte het slachtoffer op de galerij voor haar flatwoning driemaal met een groot keukenmes heeft gestoken/gesneden en wel in een schouderblad, bovenarm en rug. Naar het oordeel van de rechtbank bestond de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank wijst daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2018. Volgens dit proces-verbaal heeft de forensisch arts van GGD-Amsterdam aangegeven dat, als de wonden van het slachtoffer dieper waren geweest, de rechterlong of een van de grote bloedvaten beschadigd hadden kunnen worden, waardoor ziekenhuisopname had moeten volgen. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Verdachte heeft dan ook het voorwaardelijk opzet gehad.

3.3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder zaak A en zaak B subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

15-064069-18 (zaak A)

zij op 23 februari 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte dreigend een ijzeren staaf en een mes gepakt en deze ijzeren staaf en dit mes aan voornoemde [aangeefster] getoond en hard op de voordeur van voornoemde [aangeefster] gebonkt en daarbij naar voornoemde [aangeefster] geschreeuwd;

15-113263-18 (zaak B) subsidiair


zij op 10 juni 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] met een mes in de rug en in een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte onder zaak A en zaak B subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

15-064069-18 (zaak A)

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

15-113263-18 (zaak B) subsidiair
poging tot zware mishandeling.

Beroep op noodweer(exces) zaak B subsidiair

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft namens verdachte wat betreft zaak B subsidiair een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweerexces en heeft verzocht verdachte ter zake van dit feit te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte van meet af aan heeft verklaard dat zij in haar woning door het slachtoffer fysiek is aangevallen en seksueel is aangerand. Volgens de raadsman vindt deze verklaring steun in het bij verdachte geconstateerde letsel (op een bovenbeen en op de kin) en het gegeven dat buren verdachte meermalen hebben horen roepen: “Mijn huis uit”. Verder zijn in de woning op de grond twee kleine ronde stippen aangetroffen en is op de foto’s (pagina 84) te zien dat er bloedspetters op de drempel van de voordeur zitten. Het is niet met zekerheid vast te stellen wat zich binnen in de woning van verdachte precies heeft afgespeeld, maar volgens de raadsman is op grond van het voorgaande wel voldoende aannemelijk geworden dat verdachte daar door het slachtoffer is aangevallen. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, althans een ogenblikkelijk dreigend gevaar daarvoor. In de ogen van verdachte was zij genoodzaakt zich hiertegen te verdedigen op een wijze zoals zij heeft gedaan. Daarbij is naar de mening van de raadsman voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Voor het geval een beroep op noodweer niet zou slagen, omdat verdachte naar het oordeel van de rechtbank disproportioneel zou hebben gehandeld, heeft de raadsman aangevoerd dat het handelen van verdachte dan voldoet aan alle wettelijke en juridische eisen om te komen tot een geslaagd beroep op noodweerexces. Mede gelet op de eerdere ervaringen van verdachte met fysiek en seksueel geweld door mannen, is door de aanranding van verdachte door het slachtoffer, gepleegd in haar eigen woning, bij verdachte een hevige gemoedsbeweging ontstaan, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer en ook noodweerexces niet kan slagen. Uitgaande van de verklaring van aangever, die wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, blijkt niet dat sprake was van een zogenoemde noodweersituatie. Een dergelijke situatie kan niet worden vastgesteld aan de hand van de verklaringen van verdachte zelf. De feitelijke toedracht, die de basis moet zijn voor een beroep op noodweer(exces), moet volgen uit een duidelijke, verifieerbare en aannemelijke verklaring van degene die zich op noodweer(exces) beroept. Daarvan is in deze zaak geen sprake, nu de verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig is, aldus de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer omdat de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Volgens de verklaring van verdachte is zij in haar woning door het slachtoffer aangevallen en heeft zij het slachtoffer toen in de woning uit zelfverdediging gestoken en/of gesneden. Zoals uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen volgt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het steken en snijden niet in de woning heeft plaatsgevonden, maar buiten de woning, op de galerij van de flat. De rechtbank wijst er in dat verband op dat buiten op de galerij een plas bloed lag en dat in de woning – afgezien van mogelijk twee kleine stipjes – geen bloed is aangetroffen, laat staan een plas bloed. Door de politie werden ook geen sporen van een conflict in de woning aangetroffen (pagina 88). De verklaring van verdachte over waar het steken en snijden heeft plaatsgevonden, is dus strijdig met de inhoud van de bewijsmiddelen.

Voorts stelt de rechtbank bij haar beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring(en) van verdachte voorop dat uit een uitgevoerde ademanalyse – omstreeks 01:30 uur, ongeveer 45 minuten na de melding aan de politie – is gebleken dat verdachte ten tijde van het gebeuren onder invloed van een zeer grote hoeveelheid alcohol was. De uitslag van de ademanalyse was maar liefst 1365 ug/l.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte pas tijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft verklaard dat zij seksueel is aangerand door het slachtoffer, hetgeen thans het speerpunt van haar beroep op zelfverdediging is. Zowel ten tijde van het ter plaatse komen van de politie als tijdens haar eerste verhoor bij de politie heeft verdachte hier niets over verklaard. De rechtbank acht dit opvallend.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd, wisselend, tegenstrijdig, feitelijk onjuist en/of ongeloofwaardig zijn. De rechtbank wijst, zonder uitputtend te willen zijn, op de volgende punten.

- Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat het incident bij daglicht heeft plaatsgevonden. Zij heeft in deze verklaring volhard, ook nadat de rechtbank het tijdstip van de melding bij de politie, het tijdstip van de aanhouding en het tijdstip van de ademanalyse, uitvoerig en meermaals aan verdachte heeft voorgehouden. Uit voornoemde stukken volgt dat het incident heeft plaatsgevonden toen het buiten al donker was.

- Ook heeft verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting haar verklaring bij de rechter-commissaris, dat het slachtoffer slechts een kwartier bij haar in de woning is geweest voordat hij haar heeft betast en aangevallen, herhaald. Dit strookt echter niet met haar verklaring dat het slachtoffer al in de middag bij haar kwam, hetgeen wordt bevestigd door het slachtoffer en door de getuige [getuige] , die heeft verklaard dat hij het slachtoffer al omstreeks 17:00 uur voor de deur bij verdachte heeft zien staan met bier en sherry.

- Tijdens haar eerste verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer jaloers en boos was omdat buurman [getuige] langskwam. Tijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft verdachte echter verklaard dat het slachtoffer boos op haar was omdat zij naar Suriname belde. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij die dag helemaal niet naar Suriname heeft gebeld.

- Verder heeft verdachte tijdens haar eerste verhoor bij de politie verklaard dat buurman [getuige] en het slachtoffer tegelijkertijd in haar woning zijn geweest. Geconfronteerd met de omstandigheid dat [getuige] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij nog nooit bij verdachte in de woning is geweest, heeft verdachte tijdens haar tweede verhoor verklaard dat het slachtoffer en [getuige] elkaar zelfs een hand hebben gegeven. Daarna heeft verdachte verklaard dat zij zich kon vergissen en dat het dan buurman [naam] moet zijn geweest die aanwezig was in de woning. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat [naam] en het slachtoffer elkaar niet kennen en elkaar nooit hebben ontmoet en dat [getuige] noch [naam] het slachtoffer een hand heeft gegeven.

- De verklaring van verdachte dat er geen bloed in de woning is aangetroffen omdat zij ná het incident haar woning heeft schoongemaakt, schuift de rechtbank terzijde. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de melding bij de politie (00:43 uur) en het arriveren van de politie ter plaatse (00:50 uur), waarbij de politie verdachte buiten op de galerij aantreft met het mes in de hand, is dit ongeloofwaardig.

- Verdachte heeft tijdens haar tweede verhoor bij de politie en het verhoor ter terechtzitting verklaard dat zij het slachtoffer heeft gestoken toen hij, met zijn handen, op haar afkwam. Volgens verdachte heeft zij het slachtoffer daarbij in zijn vingers gestoken. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de medische verklaring van het slachtoffer. Uit deze medische verklaring volgt niets ten aanzien van verwondingen aan de vingers van het slachtoffer.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte, dat zij in de woning door het slachtoffer fysiek is aangevallen en seksueel is aangerand, niet (concreet) door andere verklaringen en/of bevindingen wordt ondersteund. Integendeel, wordt deze verklaring door het slachtoffer ontkend.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden. Er is geen sprake geweest van een zogenoemde noodweersituatie.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank verwerpt ten aanzien van zaak B subsidiair ook het beroep op noodweerexces. Een beroep op noodweerexces kan alleen slagen bij een "overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging", dus wanneer er wel een noodweersituatie is geweest. Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, is deze situatie, de feitelijke toedracht die aan het verweer ten grondslag ligt, niet aannemelijk geworden.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van zaak A en zaak B primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij en toezicht van de reclassering, een ambulante behandeling bij het ForFACT of een soortgelijke instelling en een contactverbod met de slachtoffers in beide zaken, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat het in zaak B reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank zou komen tot de oplegging van een straf, heeft de raadsman de rechtbank verzocht een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet hoger te laten uitvallen dan de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Het terugsturen van verdachte naar de gevangenis heeft een negatief effect op haar geestelijk welzijn, los van het gegeven dat zij dan waarschijnlijk haar woning zal verliezen. De eis van de officier van justitie is buitensporig hoog gelet op de LOVS-oriëntatiepunten. Met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, kan invulling worden gegeven aan de gewenste hulp voor verdachte. Hierbij kan worden gedacht aan een lange proeftijd. Het hiernaast nog opleggen van een taakstraf treft geen redelijk doel. Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet op te heffen bij einduitspraak omdat bij een eventueel hoger beroep dan alle zorg waarin verdachte thans is ingebed zou zijn beëindigd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van een buurtbewoonster en een poging tot zware mishandeling van een buurtbewoner. Beide keren was zij zwaar onder invloed van alcohol en in het bezit van (onder andere) een mes.

Het slachtoffer [aangeefster] is door verdachte bedreigd met een mes en een ijzeren staaf. Uit de aangifte van het slachtoffer, die zich in haar eigen woning bevond en verdachte voor haar voordeur zag staan en dreigen, volgt dat verdachte het slachtoffer ernstige vrees heeft aangejaagd. Het slachtoffer heeft verklaard dat haar hele leven is ontregeld door verdachte. Zij en haar kinderen kunnen er niet van slapen en durven niet naar buiten. Ook uit het requisitoir van de officier van justitie volgt dat de bedreiging een grote impact heeft gehad op het slachtoffer en dat zij tot op heden op een schuiladres verblijft.

Het slachtoffer [aangever] is door verdachte driemaal in het lichaam gestoken met een groot keukenmes. Dit is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft met haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dergelijke geweldmisdrijven hebben doorgaans nog lange tijd last van hetgeen hen is aangedaan. Dat het slachtoffer in deze zaak zijn aangifte heeft willen intrekken, doet aan de ernst van het feit niets af.

Verder heeft verdachte met haar handelen andere buurtbewoners en omstanders ongewild getuige van haar gewelddadige handelen laten zijn en deze personen gechoqueerd. Dit door tijdens twee losstaande incidenten in een flatgebouw naar (een) wapen(s) te grijpen, daar tijdens één incident mee te dreigen en het tijdens een ander incident daadwerkelijk te gebruiken. De rechtbank rekent verdachte dit ontwrichtende en beangstigende gedrag ernstig aan. Bovendien acht de rechtbank het bijzonder zorgelijk dat verdachte, ondanks confrontatie met wat zich heeft afgespeeld, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen en – tot nu toe – geen aanknopingspunten voor zelfinzicht heeft gegeven. Zo geeft zij aan geen alcoholprobleem te hebben en weigert zij te stoppen met haar gewoonte om elk weekend minstens twee flessen sherry te drinken. Daarmee, in samenhang beschouwd met de persoon van verdachte (zie nader hieronder), blijft de mogelijkheid van herhaling van een dergelijke voor buitenstaanders onverwachte aanval open. Zeker nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij nog steeds te allen tijde een mes onder haar bank bewaart.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 30 november 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder, zij het jaren geleden (in 2010 en 2011), ter zake van geweldsdelicten als de onderhavige onherroepelijk is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 4 september 2018, van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. In het rapport wordt geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting (ForFACT). Volgens de reclassering kan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de kans op recidive verhogen omdat detentiestraf mogelijk een negatief effect zal kunnen hebben op het emotionele welzijn van verdachte. Instabiele emotionaliteit lijkt de kans op recidive te verhogen. Ter terechtzitting heeft de getuige [toezichthouder] , de toezichthouder van verdachte in het kader van haar schorsing, dit advies onderschreven. Volgens [toezichthouder] houdt verdachte zich aan haar meldplicht en is ook de ambulante behandeling bij het ForFACT inmiddels gestart. [toezichthouder] ziet het alcoholgebruik van verdachte wel degelijk als een mogelijke risicofactor, maar volgens [toezichthouder] is het meer aangewezen en effectiever om verdachte in het kader van het toezicht te motiveren hieraan te (gaan) werken in plaats van haar nu dwingend een behandeling bij de Brijder op te leggen;

- het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport van M.L. Sikkens, gz-psycholoog, gedateerd 10 september 2018. Dit houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is een 47-jarige Surinaamse, alleenstaande vrouw, die vanaf jongvolwassen leeftijd in Nederland woont. De levensloop is complex, met zowel in de (vroege) jeugd als op volwassen leeftijd traumatiserende episodes, onder andere vanuit fysiek en seksueel geweld door mannen. Betrokkene heeft een langdurig en succesvol ambulant behandeltraject doorlopen, gericht op (met name) een depressieve stoornis, er wordt gedurende dit behandeltraject en door onderzoeker geen ernstige psychiatrische stoornis of persoonlijkheidsstoornis gediagnostiseerd en de gewetensfunctie en de zelfreflectie zijn voldoende ontwikkeld, met een lichte neiging tot externaliseren van problemen.

De beschreven problematiek heeft in algemene zin een enigszins beperkende werking ten aanzien van (het ervaren van) gedragskeuzes. Gesteld kan worden dat zowel de verstandelijke beperking als de stoornis in alcoholgebruik een rol spelen in de aanloop naar de tenlastegelegde feiten, maar er kan geen direct verband worden gelegd tussen deze stoornissen en de tenlastegelegde feiten. In die zin is geen sprake van doorwerking en geen sprake van verminderde toerekenbaarheid.

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Tevens stelt onderzoeker een lichte (tot matige) stoornis in alcoholgebruik vast, mede aan de hand van collaterale informatie. In het verleden is, op basis van zelfrapportage en dossierinformatie, sprake geweest van een depressieve stoornis; deze is succesvol behandeld en niet (volledig) gerecidiveerd. De lichte verstandelijke beperking is een stabiel gegeven. De stoornis in alcoholgebruik lijkt reeds over het verloop van (in ieder geval) een aantal jaar van toepassing.

Vanuit een toezichtkader door de reclassering kan het verloop op alle leefgebieden en op de risicofactoren gemonitord worden en waar nodig ondersteuning worden georganiseerd. Een combinatie van meer praktisch ingestelde hulp (bijvoorbeeld ten aanzien van de schulden, de daginvulling etc.) en psychologische hulp, gericht op de emoties en het gedrag, wordt noodzakelijk geacht om een verdere negatieve ontwikkeling in het functioneren en daarmee een verhoogde kans op nieuwe conflictsituaties tegen te gaan. Toezicht op het alcoholgebruik, als concrete risicofactor, wordt hierbij aanbevolen.

Met de inhoud van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen en zij zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafsoort en de strafmaat.

De op te leggen straffen

De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt enerzijds met name doordat de rechtbank is gekomen tot een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie is gevorderd en anderzijds omdat de rechtbank veel waarde hecht aan het voortzetten van het reeds ingezette hulptraject rondom verdachte. De rechtbank acht het zeer onwenselijk om verdachte naar detentie terug te sturen en daarmee het hulptraject te doorkruizen. Gelet op de hiervoor besproken rapportages moet het zwaartepunt komen te liggen bij de begeleiding, monitoring en ondersteuning van verdachte.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 240 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 200 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Dit met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarbij acht de rechtbank verplicht contact met en toezicht door de reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Verder acht de rechtbank de ambulante behandeling bij het ForFACT of een andere instelling voor ambulante forensische zorg noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal ook aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden, evenals een contactverbod met [aangeefster] , het slachtoffer in zaak A, en [aangever] , het slachtoffer in zaak B.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt met name de aard en de ernst van zaak B subsidiair oplegging van deze deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Omdat er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Hiermee wordt ook de zorg waarin verdachte thans is ingebed, gecontinueerd. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren moet worden opgelegd. Dit als vergelding en genoegdoening voor de slachtoffers.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder zaak B primair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder zaak A en zaak B subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder zaak A en zaak B subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 200 (tweehonderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen vijf dagen na dit vonnis meldt bij de reclassering op het adres Vincent van Goghweg 73 te Zaandam en zich vervolgens gedurende de proeftijd van drie jaren zal blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling zal stellen bij het ForACT of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven, ook als dit een alcoholverbod en/of urinecontroles inhoudt;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangever] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteplaats] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot het verrichten van 60 (zestig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2019.

De voorzitter, mr. C.A.M. van der Heijden, en de jongste rechter, mr. I.S. Burggraaff, zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.