Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5647

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2201
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand - Nederlandse kinderen - moeders identiteit/nationaliteit staat niet vast – afgeleid verblijfsrecht als derdelander? – de voorzieningenrechter treft een voorlopige voorziening: bijstand ten behoeve van de kinderen op grond van artikel 16 van de Participatiewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigden: E.M. Opdam, M. van der Tas).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen deze afwijzing een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in haar uitspraak van 1 november 2018 (zaaknummer AWB 18/4273) afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Voldoende aannemelijk is dat verzoekster in de periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld (te weten de betalingsperiode van het griffierecht: de beoordelingsperiode), niet beschikte over financiële middelen waarmee zij in staat zou zijn om het griffierecht te voldoen. Verzoekster voldoet daarmee aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen.

2.1

Verzoekster is afkomstig uit Kenia. Zij is vanuit Kenia in 2016 afgereisd naar België. Zij heeft zich in België laten registreren als (voornaam) [voornaam 1] (geslachtsnaam) [geslachtsnaam 1] .

2.2

In België is op [geboortedatum 1] haar oudste dochter (voornaam) [voornaam 2] (geslachtsnaam) [geslachtsnaam 1] geboren te Lier. Op 2 mei 2017 heeft verzoekster haar dochter [voornaam 2] laten erkennen bij de gemeente Haarlem door [naam] die de Nederlandse nationaliteit heeft. Na erkenning draagt [voornaam 2] de geslachtsnaam [geslachtsnaam 2] . Verzoekster heeft zich bij deze erkenning laten registreren als [voornaam 1] [geslachtsnaam 1] . Bij de aanvraag om een Nederlands paspoort voor [voornaam 2] is volgens verweerder gebleken dat het paspoort dat verzoekster op dat moment in gebruik had op 29 januari 2018 vals is bevonden. Op dit vervalste paspoort voert zij de voornamen [voornaam 1] [geslachtsnaam 1] en de geslachtsnaam [geslachtsnaam 3] .

2.3

Op [geboortedatum 2] is dochter (voornaam) [voornaam 3] (geslachtsnaam) [geslachtsnaam 3] geboren, op de akte van geboorte heeft verzoekster zich laten registreren als (voornamen) [voornaam 1] [geslachtsnaam 1] (geslachtsnaam) [geslachtsnaam 3] . Verzoekster heeft een vaderschapsactie gevoerd, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 9 maart 2019, waarin het vaderschap van [naam] over [voornaam 3] is vastgesteld.

2.4

Verzoekster heeft op 22 mei 2018 bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend tot afgifte van een EU-document voor verblijf bij haar dochter [voornaam 2] op grond van het arrest van het Hof van Justitie inzake Chavez Vilchez (C-133/15). De Staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen. In de uitspraak van 25 januari 2019 (zaaknummers AWB 18/7510 en 18/7511) heeft de voorzieningenrechter deze afwijzing bevestigd omdat verzoekster haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

2.5

Verzoekster verblijft met [voornaam 2] en [voornaam 3] thans in een opvanglocatie van de gemeente Haarlem. Zij ontvangt van Stem in de Stad € 50,- per week voor het levensonderhoud, tot 1 juli 2019.

Spoedeisend belang

3. Gelet op de onzekere financiële situatie van verzoekster neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van een spoedeisend belang. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter voorts nog dat verweerder ter zitting verklaard heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze procedure te willen afwachten alvorens een besluit over bijstandsverlening ten behoeve van [voornaam 3] te nemen, waarbij verweerder heeft aangegeven dat de beslistermijn is verstreken en een ingebrekestelling is ontvangen. Ook verweerder heeft derhalve belang bij een spoedig voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter.

4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. In het algemeen speelt een rol bij deze belangenafweging de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het bestreden besluit niet in stand zal blijven en de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn. Deze toetsing kan meebrengen dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over het geschil in de (eventuele) bodemprocedure. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Standpunt verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat volgens jurisprudentie (ECCI:NL:CRVB:2017:542 en ECLI:NL:CRVB:2017:2240) het de primaire verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. In dit geval heeft de Staatssecretaris geoordeeld dat verzoekster geen afgeleid verblijfsrecht toekomt omdat haar identiteit en nationaliteit niet vast staat. Dit oordeel is door de rechter (bij uitspraak van 25 januari 2019) getoetst en in stand gelaten. Volgens jurisprudentie mag verweerder in een situatie, waarin de staatssecretaris een besluit heeft genomen over het verblijfsrecht van een betrokkene, afgaan op een juiste toepassing van het Unierecht door de staatssecretaris en behoeft verweerder niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of bezwaarde met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Indien zich echter nadien een wijziging voordoet van omstandigheden die kan leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, vormt dat wel aanleiding om met de staatssecretaris in overleg te treden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:540).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuwe omstandigheid waardoor het college nogmaals met de IND in overleg dient te treden. Verzoekster is derhalve geen rechthebbende in de zin van artikel 11, tweede lid en derde lid van de PW.

5.2

Ten aanzien van een verstrekking van bijstand aan de minderjarige [voornaam 2] stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoofdregel uitgaat van het feit dat ouders die niet rechtmatig in Nederland verblijven voor zichzelf geen recht hebben op bijstand. Het Nederlandse

minderjarige kind zelf heeft, vanwege zijn minderjarigheid, geen recht op bijstand. Verweerder komt niet toe aan de toetsing van artikel 16 van de PW nu niet vast te stellen is welke nationaliteit [voornaam 2] heeft. Zij staat niet als ingezetene ingeschreven in de BRP. Ook staat zij niet ingeschreven in de RNI (registratie niet-ingezetenen).

5.3

Verweerder heeft voorts betwist dat verzoekster de biologische moeder is van [voornaam 2] en [voornaam 3] en heeft voorts betwist dat [voornaam 2] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verweerder heeft erkend dat [voornaam 3] - vanaf 6 juni 2019 - de Nederlandse nationaliteit heeft. Om die reden heeft verweerder zich bereid verklaard bijstand ten behoeve van [voornaam 3] te verlenen, maar in verzoekster niet haar wettelijke vertegenwoordiger te zien, omdat zij zich niet kan legitimeren. Hierdoor is er behoefte aan het aanwijzen van een wettelijk vertegenwoordiger, die de aanvraag voor [voornaam 3] kan doen en kan zorgdragen voor het naleven van de voorschriften van de PW.

Standpunt verzoekster

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij [voornaam 2] en [voornaam 3] verzorgt. Zij heeft de Keniaanse nationaliteit maar zij is niet in het bezit van een paspoort. Ze verwijst naar verschillende bewijzen over haar identiteit en haar band met haar dochters. Beide kinderen hebben dezelfde Nederlandse vader. De rechtbank heeft het vaderschap bij [voornaam 3] vastgesteld op 6 maart 2019 en op 6 juni 2019 verkrijgt [voornaam 3] van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld - inzake het afgeleid verblijfsrecht - tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 januari 2019. Verzoekster handhaaft haar standpunt dat zij wel een afgeleid verblijfsrecht heeft en een paspoortvereiste strookt niet met Unierecht. Ook in het arrest Chavez Vilchez waarop zij een beroep doet was sprake van een moeder met identiteitsproblemen.

Verzoekster voert aan dat kinderen wiens verzorgende ouder geen inkomen hebben, recht hebben op bijstand (zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2005:AU0687, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9963) omdat kinderen recht hebben op een toereikende levensstandaard ex artikel 2, 3, 26 en 27 van het IVRK. Verzoekster ontvangt tijdelijk leefgeld van Stem in de Stad, zij krijgt geen kinderbijslag of toeslagen. De zeer kwetsbare kinderen leven in extreme armoede, zijn dakloos en hebben recht op bescherming ex artikel 3 en 8 EVRM. Er is volgens verzoekster sprake van excessief formalisme (vgl EHRM Rodrigues da Silva and Hoogkamer v. the Netherlands, 31 januari 2006, r.o. 44).

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.1

Ter zitting is besproken dat de aanvraag van bijstand ten behoeve van [voornaam 3] geen deel uitmaakt van het bestreden besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen omvat echter ook [voornaam 3] . Verweerder heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het betrekken van [voornaam 3] in deze procedure, integendeel de uitspraak van de voorzieningenrechter te willen gebruiken als richtsnoer bij de beoordeling van de aanvraag ten behoeve van [voornaam 3] . De voorzieningenrechter zal in zijn voorlopig oordeel dan ook niet slechts de situatie van verzoekster en [voornaam 2] bespreken, maar ook ten aanzien van [voornaam 3] een voorlopig oordeel geven.

7.2

De eerste vraag die aan de orde is, is of verzoekster recht heeft op bijstand op grond van de PW omdat zij als zogeheten derdelander de verzorgende ouder van (een) Nederlands(e) kind(eren) is. Indien dat zou vaststaan, zou immers sprake zijn van een afgeleid verblijfsrecht op grond van verdragsbepalingen (artikel 20 VWEU). De situatie in deze zaak acht de voorzieningenrechter echter te complex om die vraag in een procedure als de onderhavige (een voorlopige voorziening) te kunnen beantwoorden. Vooralsnog kan niet worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft aangesloten bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2019. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan de voorlopige beoordeling van het recht op bijstand van [voornaam 2] en [voornaam 3] op grond van artikel 16 van de PW.

7.3

Bij beoordeling van dit recht op bijstand van beide kinderen, gaat de voorzieningenrechter uit van het navolgende. De voorzieningenrechter acht het allereerst zeer aannemelijk dat verzoekster de biologische moeder van [voornaam 2] en van [voornaam 3] is. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat onaannemelijk is dat de uitslag van het DNA-onderzoek met betrekking tot [voornaam 2] betrekking heeft op iemand anders dan verzoekster. Weliswaar is de toegepaste methode van identificatie bij het DNA-onderzoek niet waterdicht, bij gebreke van een geldig paspoort heeft verzoekster zich laten identificeren aan de hand van een pasfoto, maar van enig aanknopingspunt dat niet verzoeksters DNA vergeleken is met dat van [voornaam 2] is niet gebleken. Ten aanzien van [voornaam 3] heeft verzoekster een succesvolle vaderschapsactie bij de civiele rechter gevoerd. Deze omstandigheid levert op zijn minst genomen een sterke aanwijzing op dat verzoekster de biologische moeder van [voornaam 3] is. Indien verweerder ondanks de voorgaande overwegingen wenst vast te houden aan de ontkenning van de biologische band tussen verzoekster en [voornaam 2] en [voornaam 3] , ligt het op de weg van verweerder dat nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door aanvullend DNA-onderzoek).

Ten aanzien van de nationaliteit van [voornaam 2] is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat genoegzaam vast staat dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft dan wel zal krijgen. Verweerder heeft niet bestreden dat [voornaam 2] een vader heeft met de Nederlandse nationaliteit, die [voornaam 2] heeft erkend. Dat de akte van erkenning mogelijk formele gebreken kent omdat de identiteit van verzoekster (en dus ook de identiteit van [voornaam 2] ) niet vast zou staan, doet daar niet aan af.

7.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Nederlanderschap van [voornaam 3] vaststaat en dat met een hoge mate van waarschijnlijk ook [voornaam 2] de Nederlandse nationaliteit heeft dan wel zal krijgen. Daarnaast staat met een hoge mate van waarschijnlijkheid vast dat verzoekster de biologische moeder is van [voornaam 2] en [voornaam 3] . Verder staat vast dat sprake is van een acute noodsituatie, omdat het gezin niet kan rekenen op een inkomstenbron die voldoende zeker is. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat beide kinderen op grond van artikel 16 PW aanspraak kunnen maken op bijstand. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Nu het gaat om kinderen die volledig afhankelijk zijn van de zorg van verzoekster zal deze voorlopige voorziening bestaan uit het toekennen van bijstand ten behoeve van zowel [voornaam 2] als [voornaam 3] . Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat gebruikelijk is in een dergelijk geval (waarbij sprake is van het ontbreken van woonkosten) een bedrag van € 75,- per kind per week te verstrekken voor levensonderhoud. Daarbij aansluitend zal de voorzieningenrechter € 75,- per kind per week toekennen, derhalve in totaal € 150,- per week. Verweerder zal dit bedrag met ingang van 1 juli 2019 (zijnde datum van stopzetting bijdrage Stem in de Stad) dienen te betalen aan verzoekster, als verzorger van de kinderen. Ter zitting heeft (gemachtigde van) verzoekster verklaard dat zij wel over een bankrekening beschikt, zodat daarop de bijstand zou kunnen worden gestort. Voor zover nodig zal de voorzieningenrechter verzoekster op voet van artikel 8:21, derde lid, van de Awb benoemen tot voorlopig vertegenwoordiger van [voornaam 2] en [voornaam 3] .

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder met ingang van 1 juli 2019 bijstand zal verstrekken ten behoeve van [voornaam 2] en [voornaam 3] , ter hoogte van € 150,- per week, uit te betalen aan verzoekster, tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure (met zaaknummer 19/1573);

- benoemt verzoekster voor zover nodig tot voorlopig vertegenwoordiger van [voornaam 2] en [voornaam 3] ;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.