Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:558

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3044
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht aannemelijk dat het de bedoeling van partijen is geweest dat sprake zou zijn van een bedrag aan huur dat lag onder de huurtoeslaggrens. Met ingang van 1 juli 2015 heeft een zodanige huurverhoging plaatsgevonden, dat deze rekenhuur boven de toeslaggrens uitkwam. Dit heeft echter niet geleid tot verbreking of wijziging van het huurcontract. Niettemin is aan eiser voor al deze jaren een voorschot huurtoeslag verleend.

Eerst bij de definitieve berekening voor het jaar 2016 is de huurtoeslag berekend op nihil. De verhuurder heeft met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 de huurprijzen aangepast aan de oorspronkelijk bedoelde huurprijzen. De rechtbank oordeelt dat eiser in de drie in geding zijnde jaren met succes aanspraak kan maken op huurtoeslag.

Wetsverwijzingen
Wet op de huurtoeslag 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-07-2019
V-N Vandaag 2019/1634
V-N 2019/36.30.42
NTFR 2019/1715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: S.N. Peijnenburg),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Toeslagen Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 16 maart 2018 de huurtoeslag 2016 definitief berekend op

€ 0.

Verweerder heeft bij besluit van 9 maart 2018 het voorschot huurtoeslag 2017 herzien op

€ 0.

Verweerder heeft bij besluit van 21 april 2018 het voorschot huurtoeslag 2018 herzien op

€ 0.

Verweerder heeft op 16 april 2018 een bezwaarschrift tegen deze beschikkingen ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juni 2018 de beschikkingen gehandhaafd.

De bewindvoerder van eiser, [A] , heeft namens Eiser daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Koullali.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 26 mei 2014 een aanvraagformulier voor het verkrijgen van huursubsidie ingediend.

2. Eiser is met ingang van 17 juni 2015 een huurovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd voor de woning op het adres [A ADRES] . Eiser staat vanaf 24 juni 2015 ingeschreven op dit adres . De aanvangshuur (basis netto-huur) bedroeg € 680,72, vermeerderd met servicekosten. De rekenhuur bedroeg € 710,08. Per 1 juli 2015 is de netto-huur van de woning verhoogd met 1%.

3. Eiser ontvangt huurtoeslag per 1 juli 2015.

Bij voorschotbeschikking van 28 december 2015 wordt het voorschot huursubsidie voor het jaar 2016 berekend op € 4.110. Blijkens de specificatie bedroeg de rekenhuur toen € 717,02 per maand.

4. Bij verweerder is over 2016 een kale huurprijs berekend van € 687,53. Daarnaast wordt € 1,50 in rekening gebracht voor energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten,

€ 7,47 schoonmaakkosten en € 10,52 voor de huismeester. Dit komt overeen met de overgelegde stukken van verhuurder [A BEDRIJF] . De rekenhuur bedraagt hiermee € 717,02.

Bij verweerder is over 2017 een kale huurprijs berekend van € 687,53. Daarnaast wordt

€ 11,50 in rekening gebracht voor energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten,

€ 7,62 schoonmaakkosten en € 10,65 voor de huismeester. Dit komt overeen met de overgelegde stukken van verhuurder [A BEDRIJF] . De rekenhuur bedraagt hiermee € 717,30.

Bij verweerder is over 2018 een kale huurprijs berekend van € 687,53. Daarnaast wordt

€ 11,50 in rekening gebracht voor energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten,

€ 7,62 schoonmaakkosten en € 10,97 voor de huismeester. Dit komt overeen met de overgelegde stukken van verhuurder [A BEDRIJF] . De rekenhuur bedraagt hiermee € 717,62.

5. [A BEDRIJF] heeft op 1 juli 2018 de huurprijzen met terugwerkende kracht aangepast, waarbij de subsidiabele huurprijs is vastgesteld op:

Per 1 juli 2015: € 710,02

Per 1 juli 2016: € 710,30

Per 1 juli 2017: € 710,09

Per 1 juli 2018: € 709,59.

Geschil
6. In geschil is of eiser in de jaren 2016 tot en met 2018 recht heeft op huurtoeslag.

7. Eiser stelt dat de verhuurder [A BEDRIJF] en hijzelf bij het aangaan van de huurovereenkomst zijn uitgegaan van een huurprijs die zodanig was dat hij onder de rekenhuur zou blijven. Dit was ook het geval op het moment van het sluiten van de overeenkomst, echter heeft de verhuurder per 1 juli 2015 per abuis is gerekend met een stijgingspercentage van 1%. Ten gevolge hiervan was de rekenhuur per 1 juli 2015 te hoog voor toekenning van huurtoeslag. [A BEDRIJF] heeft naderhand de kale huurprijs met terugwerkende kracht per 1 juli 2015 opnieuw berekend en verlaagd, en het te veel betaalde bedrag aan huur aan eiser terugbetaald.

8. Verweerder stelt dat het recht op huurtoeslag is ingegaan op 1 juli 2015 en op per die datum te hoog was om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Eiser komt aldus niet in aanmerking voor een verworven ercht, dat de situatie voor 1 juli 2015 anders was doet daaraan niet af, aldus verweerder, omdat het recht pas op 1 juli is ingegaan. Dat de verhuurder met terugwerkende kracht de huurprijs heeft aangepast maakt dat niet anders, aldus verweerder. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing op de huurtoeslag.

11. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder rekenhuur verstaan: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd.

12. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht, zoals luidend ten tijde van belang, wordt geen huurtoeslag toegekend als - kort samengevat - de rekenhuur
hoger is dan € 710,68 per maand.

13. De rechtbank is van oordeel dat eiser recht heeft op huurtoeslag over de jaren 2016 tot en met 2018. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Het eerste voorschot huurtoeslag is toegekend op basis van een lopende aanvraag, ingediend op 26 mei 2014. Vast staat dat de huurprijs die werd berekend ten tijde van het sluiten van het huurcontract, vóór 1 juli 2015, lager was dan € 710,68 per maand, zodat eiser op basis van die rekenhuur in aanmerking zou komen voor huurtoeslag. De rechtbank acht verder ook aannemelijk dat het de bedoeling van partijen is geweest dat sprake zou zijn van een bedrag aan huur dat lag onder de huurtoeslaggrens. Niettemin heeft er met ingang van 1 juli 2015 een zodanige huurverhoging plaatsgevonden, dat deze rekenhuur boven de toeslaggrens uitkwam. Dit heeft echter niet geleid tot verbreking of wijziging van het huurcontract. De verhuurder heeft met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 de huurprijzen aangepast aan de oorspronkelijk bedoelde huurprijzen. Blijkens de specificatie voorschotbeschikking huurtoeslag 2016 is verweerder bij toekenning van het voorschot 2016 uitgegaan van een rekenhuur van € 717,02. Voor de berekening van het voorschot 2017 is verweerder uitgegaan van een rekenhuur van € 717,30 en voor het jaar 2018 van een rekenhuur van € 717,62. Niettemin is aan eiser voor al deze drie jaren een voorschot huurtoeslag verleend.

Eerst bij de definitieve berekening voor het jaar 2016 is de huurtoeslag berekend op nihil, waarbij evenals bij de voorschotbeschikking 2016 is uitgegaan van een rekenhuur van

€ 717,02.

Op grond van al voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat eiser in de drie in geding zijnde jaren met succes aanspraak kan maken op huurtoeslag.

15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op eisers bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.