Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5497

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3775
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat artikel 1, aanhef en onder ff van de Parkeerverordening 2018 van de gemeente Haarlem voor de definitie van woonadres aansluit bij de BAG-registratie. In casu zijn op één BAG-adres feitelijk twee zelfstandige appartementen gecreëerd. Het met ingang van 2018 ingevoerde systeem heeft tot gevolg dat het enkele creëren van een zelfstandige woonruimte niet langer een recht op een parkeervergunning kan doen ontstaan. De rechtbank acht aannemelijk dat de toelichting van verweerder doel en strekking van de wijziging van het begrip woonadres correct weergeeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2019
FutD 2019-1824
V-N Vandaag 2019/1564
Belastingblad 2019/332
V-N 2019/50.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1775
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 februari 2018 voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 voor een Parkeervergunning Zone C-Noord 2e auto een aanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 376,64.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met verzenddatum 23 juli 2018 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2019 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. de Bie-Stokman.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen over de gekozen tariefstructuur.

De rechtbank heeft op 9 april 2019 een reactie van verweerder ontvangen en doorgezonden naar eiser.


De rechtbank heeft op 25 april 2019 een reactie hierop van eiser ontvangen en doorgezonden naar verweerder.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 25 april 2019 bericht dat geen nadere zitting zal worden gehouden, tenzij een van de partijen, binnen vier weken na dagtekening van de brief, daarom verzoekt.

De rechtbank heeft bij brief van 29 mei 2019 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser bewoont een appartement aan de [A ADRES] . Dit adres ligt in het gebied dat in het besluit parkeerregulering is aangewezen als zone C-Noord. Eiser heeft één auto, te weten een [A MERK] met kenteken [A KENTEKEN] . [A] bewoont het appartement dat is gelegen onder het appartement van eiser. Dit appartement heeft in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) dezelfde adresaanduiding als het appartement van eiser.

2. Aan [A] zijn voor de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 en 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 parkeervergunningen voor een eerste auto verstrekt. In verband daarmee zijn met dagtekening 28 februari 2017 respectievelijk 28 februari 2018 aanslagen parkeerbelasting opgelegd. Aan eiser zijn voor de tijdvakken 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 en 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 parkeervergunningen voor een tweede auto verstrekt. In verband daarmee zijn met dagtekening 31 december 2017 respectievelijk 28 februari 2018 aanslagen parkeerbelasting opgelegd.

Geschil
3. In geschil is of aan eiser voor het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2018 terecht een aanslag naar het tarief voor een parkeervergunning voor een tweede auto is opgelegd.

4. Eiser heeft gesteld dat hij ten onrechte een aanslag heeft gekregen naar het tarief voor een tweede auto en voert daartoe aan dat het adres [A ADRES] bestaat uit twee zelfstandige appartementen. Er is derhalve geen sprake van een tweede auto op hetzelfde woonadres. De andere auto waarvoor een parkeervergunning is verleend, is eigendom van de bewoners van het andere appartement aan de [A ADRES] (de heer [A] en mevrouw [B] ).

5. Verweerder heeft gesteld dat op het adres [B ADRES] volgens de BAG-gegevens twee appartementen zijn gerealiseerd, te weten nr [A NUMMER] (bovenverdieping) en [B NUMMER] (benedenverdieping). Kennelijk huurt eiser op de bovenste verdieping een separaat appartement dat hij zelf aanduidt als ‘ [A NUMMER] II’. Dit is echter geen officiële adresaanduiding.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. Artikel 1, aanhef en onder i, van de Parkeerverordening 2017 van de gemeente Haarlem (hierna: Parkeerverordening 2017) bepaalt dat onder woonadres wordt verstaan:

“i. woonadres:

i. een gebouwd eigendom, of gedeelte daarvan dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, die bij dezelfde natuurlijke- of rechtspersoon in gebruik zijn;

ii. een samenstel van twee of meer van de in de voorgaande zinsnede bedoelde eigendommen of gedeelten daarvan die bij dezelfde natuurlijke- of rechtspersoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

iii. kamerverhuur wordt alleen aanwezig geacht indien een gebouwd eigendom volgens de WOZ-administratie voor kamerverhuur bestemd is;”

8. Artikel 1, aanhef en onder ff van de Parkeerverordening 2018 gemeente Haarlem (hierna: Parkeerverordening 2018) bepaalt dat onder woonadres wordt verstaan:

“een adres dat volgens de Basis Registratie Adressen en Gebouwen (BAG) een woonfunctie heeft.”

9. Artikel 4 van de Parkeerverordening 2018 luidt voor zover hier van belang:
“1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen.

2. (…)

3. Een vergunning kan worden verleend aan de houder van (…) een motorvoertuig, (…), indien deze:

a. (…)

b. ingeschreven staat op een woonadres in een gebied dat in het vigerend besluit parkeerregulering is aangewezen als zone C, met dien verstande dat:

i. per woonadres maximaal 2 vergunningen worden verstrekt, en;

(…)”

10. Artikel 8, eerste lid, van de Parkeerverordening 2018 luidt, voor zover van belang:

“1. Een parkeervergunning als bedoeld in artikel 4, wordt voor ten hoogste één jaar verleend met een stilzwijgende verlenging per kalenderjaar.”

11. Artikel 19 van de Parkeerverordening 2018 luidt, voor zover van belang:

“2. Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de ‘Parkeerverordening 2017’, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

3. Vergunningen die zijn verleend krachtens de ‘Parkeerverordening 2017’ worden verlengd, worden geacht te zijn verleend krachtens Parkeerverordening 2018 gemeente Haarlem.”

12. Artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening parkeerbelastingen 2018 van de gemeente Haarlem (hierna: Parkeerbelastingverordening) bepaalt:

“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen heven:

a. (…)

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.”

13. Artikel 4 van de Parkeerbelastingverordening bepaalt:

“De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.”

14. Artikel 6, tweede lid, van de Parkeerbelastingverordening bepaalt:

“De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.”

15. De Tarieventabel parkeerbelastingen 2018 (hierna: Tarieventabel) luidt, voor zover van belang:

“2. Het tarief per tijdseenheid van één kalenderjaar voor een vergunning als bedoeld in:

(…)

c. Art. 4, derde lid onderdeel b van de Parkeerverordening 2018 voor Zone C voor de vergunning verleend voor:

i. de eerste auto geregistreerd op het woonadres, zoals gedefinieerd in

de Parkeerverordening 2018 € 99,-

ii. de tweede auto geregistreerd op het woonadres, zoals gedefinieerd in

de Parkeerverordening 2018 € 376,64

(…)

3. Indien het college een vergunning heeft verleend wordt voor de berekening van de onder (…) 2 c (…) tarieven uitgegaan van de geldigheidsduur van de verleende vergunning. Voor een vergunning aangevraagd voor de aanvang van het kalenderjaar wordt uitgegaan van de geldigheidsduur van een kalenderjaar. Vangt de verleende vergunning aan in de loop van het kalenderjaar dan is verschuldigd zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.(…)”

16. De rechtbank overweegt dat artikel 1, aanhef en onder ff van de Parkeerverordening 2018 voor de definitie van woonadres aansluit bij de BAG-registratie. Verweerder heeft gesteld dat ter plaatse van [B ADRES] in de BAG-registratie twee adressen worden onderscheiden. Het huisnummer [B NUMMER] is toegekend aan het appartement op de begane grond. Het huisnummer [A NUMMER] is toegekend aan het appartement gelegen onder dat van eiser. Het appartement van eiser beschikt niet over een afzonderlijke adresaanduiding in de BAG-registratie, aldus nog steeds verweerder. Eiser heeft dit alles niet weersproken. De omstandigheid dat eiser voor zijn appartement zelf de adresaanduiding [A ADRES] II gebruikt heeft naar het oordeel van de rechtbank geen invloed op de toepassing van de Parkeerverordening 2018. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat aan zijn appartement voor de toepassing van de Parkeerverordening 2018 niettemin een eigen woonadres toekomt, mede gelet op het begrip woonadres in de Parkeerverordening 2017. In verband daarmee heeft de rechtbank verweerder verzocht om een nadere toelichting op de achtergrond van de (wijziging van de) regeling.

17. Verweerder heeft toegelicht dat de gemeenteraad de definitie van woonadres in de Parkeerverordening 2018 naar aanleiding van de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2018, ECLI:RBNHO:2018:3468 heeft aangepast. De rechtbank leidt uit de definitie van woonadres in de Parkeerverordening 2017, voormelde uitspraak en de toelichting van verweerder af dat tot en met het jaar 2017 voor de invulling van het begrip woonadres aansluiting werd gezocht bij de feitelijke situatie, doch dat dit met ingang van 2018 uit het oogpunt van regulering van de parkeerdruk niet langer wenselijk werd geacht. Uit de redactie van artikel 1, aanhef en onder i, van de Parkeerverordening 2017, volgt dat in een geval als het onderhavige, waarin op één BAG-adres feitelijk twee zelfstandige appartementen zijn gecreëerd, ook twee woonadressen moeten worden onderscheiden. De consequentie daarvan is een verdubbeling van het recht op parkeervergunningen per BAG-adres. Het met ingang van 2018 ingevoerde systeem heeft tot gevolg dat het enkele creëren van een zelfstandige woonruimte niet langer een recht op een parkeervergunning kan doen ontstaan. In zoverre heeft dit systeem ten opzichte van het vroegere ontegenzeggelijk een matigend effect op de parkeerdruk. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat de toelichting van verweerder doel en strekking van de wijziging van het begrip woonadres correct weergeeft. Hoewel aan eiser moet worden toegegeven dat het voor de inzichtelijkheid beter zou zijn geweest wanneer de achtergrond van de wijziging van het begrip woonadres in enig aan de gemeenteraad voorgelegd stuk was vastgelegd, kan het ontbreken van zodanige vastlegging niet tot de conclusie leiden dat aan de duidelijke tekst van de Parkeerverordening 2018 moet worden voorbijgegaan. De omstandigheid dat de woonsituatie van eiser ten opzichte van het jaar 2017 in 2018 geen wijziging heeft ondergaan kan er niet toe leiden dat eiser aanspraak maakt op toepassing van het begrip woonadres uit de Parkeerverordening 2017. De Parkeerverordening 2017 is blijkens het bepaalde in artikel 19, tweede lid van de Parkeerverordening 2018 bij de inwerkingtreding van laatstgenoemde verordening immers komen te vervallen, en eiser heeft overigens geen omstandigheden gesteld op grond waarvan hem ter zake een in rechte te respecteren beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. De conclusie luidt dat de parkeervergunningen ten name van eiser en van [A] voor hetzelfde woonadres in de zin van de Parkeerverordening 2018 zijn afgegeven.

18. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken af dat eiser in verband met zijn verhuizing in september 2017 naar de [A ADRES] in of omstreeks deze maand een aanvraag voor een parkeervergunning heeft gedaan, dat deze voor de maanden oktober tot en met december 2017 is verleend en vervolgens voor het jaar 2018 stilzwijgend is verlengd. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken voorts af dat de aan [A] in 2017 een parkeervergunning is verstrekt voor alle maanden van dat jaar, en dat ook deze vergunning voor het jaar 2018 stilzwijgend is verlengd (vgl. artikel 8 van de Parkeerverordening 2018 en paragraaf 3 van de Tarieventabel). Blijkens het bepaalde in artikel 19, derde lid, van de Parkeerverordening 2018 worden de stilzwijgend verlengde parkeervergunningen geacht krachtens de Parkeerverordening 2018 te zijn verleend. Dat betekent dat de parkeerbelasting verschuldigd is naar de tarieven die gelden voor het jaar 2018 (vgl. artikel 2, aanhef en onder b, artikel 4 en artikel 6, tweede lid, van de Parkeerbelastingverordening 2018). Voor de vraag of de aanslag ten name van eiser is opgelegd naar het juiste tarief dient beoordeeld te worden of de auto van eiser voor het jaar 2018 moet worden aangemerkt als de eerste of de tweede auto geregistreerd op de [A ADRES] , waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat slechts één auto de eerste kan zijn (paragraaf 2 van de Tarieventabel). Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de volgorde van ontvangst van de aanvraag voor een parkeervergunning bepalend is voor de kwalificatie als eerste of tweede auto. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder hier niet in te volgen. Voor het onderhavige belastingjaar 2018 is echter van eiser noch van [A] een aanvraag voor een parkeervergunning ontvangen. De rechtbank grijpt daarom aan bij de volgorde van de ontvangst van de oorspronkelijke aanvragen. Uit de omstandigheden dat voor 2017 ten name van [A] voor het gehele jaar een vergunning voor een eerste auto is afgegeven, eiser eerst in de loop van 2017 naar de [A ADRES] is verhuisd en ten name van hem voor de laatste drie maanden van dat jaar een vergunning voor een tweede auto is afgegeven, leidt de rechtbank af dat de aanvraag van eiser later is ontvangen dan de aanvraag van [A] . Verweerder heeft de aanslag voor het jaar 2018 derhalve terecht naar het tarief voor een tweede auto opgelegd. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.