Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5496

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
7297623 / EJ VERZ 18-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade bij arbeid. Ontvankelijkheid deelverzoek aanvullende deskundigenrapportage. Tegenverzoek door verweerster niet-ontvankelijk omdat mogelijke toewijzing daarvan een einde aan het geschil zou maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0895
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

Zaak- / rekestnummer: 7297623 / EJ VERZ 18-227

Deelgeschil beschikking van 23 januari 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

[woonplaats],

verzoeker bij verzoekschrift van 23 oktober 2018,

advocaat mr. S. Baggerman te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap EGIS PARKING SERVICES BV,

gevestigd in Amsterdam,

en

de naamloze vennootschap VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM,

gevestigd in Amsterdam,

verweersters,

advocaat mr. B. Fluit te Amsterdam.

Partijen zullen hierna genoemd worden [verzoeker], Egis en VGA (tezamen ook VGA).

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met producties

  • -

    het verweerschrift van 4 december 2018

  • -

    de mondelinge behandeling van 12 december 2018.

2 De feiten

2.1.

Op 19 februari 2014 is [verzoeker] een ongeval overkomen in de uitoefening van zijn

werkzaamheden. [verzoeker] werkte 36 uur per week als functioneel beheerder specialisatie en informatie bij Cition BV, het gemeentelijk parkeerbedrijf in Amsterdam. [verzoeker] kreeg die dag van zijn manager het verzoek om zijn bureau naar een andere etage te verhuizen. [verzoeker] deed dit samen met een aantal collega’s. Op de trap moest een draai worden gemaakt. Dit ging niet goed en een bureaupoot kwam met volle kracht tegen de schouder van [verzoeker] die hierdoor letsel opliep.

2.2.

[verzoeker] heeft zijn werkgever bij brief van 3 april 2014 aansprakelijk gesteld. Cition BV was tegen aansprakelijkheid verzekerd bij VGA.

2.3.

VGA heeft bij brief van 14 april 2014 namens haar verzekerde aansprakelijkheid erkend en de schaderegeling ter hand genomen. Zij heeft daartoe een schaderegelaar ingeschakeld, de heer [W] van GRM Expertises.

2.4.

De medisch adviseurs van partijen zijn gedurende de onderhandelingen tussen partijen overeengekomen om een gecombineerde medische expertise te laten plaatsvinden door zowel een orthopedisch chirurg als door een neuroloog van het NOC te Bilthoven. Het onderzoek in het NOC vond plaats op 7 juli 2015.

2.5.

Het conceptrapport van de deskundige orthopedisch chirurg en neuroloog werd op 24 september 2015 aan [verzoeker] toegestuurd in het kader van zijn inzage- en blokkeringsrecht.

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft [verzoeker] laten weten geen gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht. Daarbij heeft hij wel enige opmerkingen gemaakt over het anamneseverhaal. Deze opmerkingen zijn door de deskundigen in het rapport verwerkt.

2.6.

Op 3 november 2015 is het aangepaste conceptrapport aan de medisch adviseurs van [verzoeker] en VGA gestuurd. De medisch adviseur van [verzoeker] heeft daarop volgens het rapport niet gereageerd. De medisch adviseur van VGA heeft enkele aanvullende vragen gesteld, die in een “addendum” bij het rapport zijn beantwoord.

2.7.

Het definitieve rapport van orthopedisch chirurg [R] en van neuroloog [O] is op 19 januari 2016 aan beide partijen aangeboden. Voor zover voor de beoordeling van het onderhavige verzoek relevant, luidt dit rapport als volgt:

“Vrijwel direct heeft hij een hevige pijn in de nek en schouder gekregen. Die klachten zijn sindsdien blijven bestaan, zij het dat het inmiddels onder invloed van de behandeling van een orthopedisch manueeltherapeut beduidend beter is dan dat het direct na het trauma was. Wegens zijn aanhoudende en hevige klachten is hij neurologisch en orthopedisch onderzocht. Er heeft uiteindelijk ook MR-onderzoek van de cervicale wervelkolom en de rechter schouder plaatsgevonden (van de rechter schouder nog in mei 2015). Bijzondere afwijkingen zijn daarbij niet vastgesteld. De neuroloog en de orthopedisch chirurg van de DC Klinieken in Amsterdam hebben hem verwezen naar een gespecialiseerd orthomanueel therapeut in Amsterdam. Tevens kreeg hij wegens later opgetreden lage rugpijnen ook chiropractie (hij heeft in het verleden ook lage rugklachten gehad). Hiermee zijn de klachten verminderd, maar niet geheel verdwenen. Hij blijft klachten houden in de rechter schouder; er zijn krakende gevoelens in de nek- en schouderregio. Verder heeft hij moeite met activiteiten van zijn rechter arm boven schouderhoogte.

Bij lichamelijk onderzoek worden lichte functiebeperkingen bij de anteflexie- en abductiebeweging gevonden. Er is een zwelling aan de voorzijde van de rechter schouder palpabel. Bij de beeldvormende diagnostiek zijn er op de gewone röntgenfoto’s geen afwijkingen zichtbaar. Het MR-onderzoek van de rechter schouder toont wel een subcutane zwelling aan de voorzijde van de rechter schouder passend bij een lipoom. Verder zijn er geen bijzonderheden.

Ook bij het neurologisch onderzoek beschrijft de heer [verzoeker] eveneens zijn klachten die na het incident van 19.02.2014 aanwezig zijn gebleven en de behandeling daarvan. Hij houdt vooral last van pijn in de rechter schouder en links in de nek, maar ook van hoofdpijn die uit de nek lijkt te komen. Tevens zijn er klachten in het gebied tussen de schouderbladen en onder in de rug. Deze klachten nemen toe bij fysieke belasting en onder invloed van koude en geven beperkingen. Subjectief is de kracht in de rechter hand verminderd. Hij kan inmiddels wel weer beter slapen en op de rechterzijde liggen. Hij stelt ook nog concentratie- en geheugenklachten te hebben, maar het is niet duidelijk waarom, ook niet met het oog op de aard van het ongeval. (…)

CONCLUSIE:

A. Conclusie op orthopedisch gebied:

1. Op orthopedisch gebied is er sprake van een klinisch impingementsyndroom van de

rechter schouder met lichte functiebeperkingen.

2. Er wordt een lipoom dan wel een georganiseerd hematoom aan de voorzijde van de

rechter schouder gevonden.

B. Conclusie op neurologisch gebied:

Er is geen neurologisch substraat voor de klachten en afwijkingen die hij na het trauma van

19.02.2014 is blijven houden.

De klachten lijken vooral myotendinogeen bepaald te zijn.

De klachten over de concentratie zijn niet te begrijpen op basis van het ongevalsmechanisme en waarschijnlijk te relateren aan de pijnklachten.

BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:

(…)

De diagnose op orthopedisch vakgebied luidt dat er op klinische gronden sprake is van een impingementsyndroom van de rechter schouder en dat er sprake is van een georganiseerd hematoom of lipoom aan de voorzijde van de rechter schouder.

Neurologisch gezien zijn er geen afwijkingen als gevolg van het trauma. Er is geen radiculair syndroom op basis van een cervicale HNP, zoals dat binnen de behandelende sector is gesuggereerd.

Voor zover de klachten zijn te duiden lijkt het vooral te gaan om een myotendinogeen bepaald beeld.

Voor zover er lage rugpijnen en concentratiestoornissen bestaan spelen deze in

het geheel van de huidige situatie niet of nauwelijks een rol. (…)

Volgens de AMA-Guides en de NOV-richtlijnen kan van een functiebeperking worden gesproken.

Met gebruik van de AMA-Guides 6e editie kan tabel 15-34 op pagina 475 worden gehanteerd en dan is er vanwege de beperkte anteflexie en abductie sprake van 3 + 3 = 6% functieverlies van de rechter schouder. Volgens tabel 15-11 op pagina 420 is er dan sprake van 4% b.i.g.p. De NOV-richtlijnen geven hierin geen nadere specificaties.

Neurologisch gezien kan aan betrokkene noch op basis van de 6e editie van de AMA Guides, noch op basis van de NVN-richtlijnen van december 2013 (5e editie) een (percentage) functieverlies worden toegekend. Er is geen neurologisch substraat voor de pijnklachten en overige klachten aantoonbaar. (…)

Er is geen neurologische basis voor de klachten die na het ongeval zijn opgetreden, en het is niet de verwachting dat deze alsnog gaat ontstaan. In weerwil van zijn klachten kan de

neurologische situatie niet beter worden dan deze nu al is. (…)

Orthopedisch en neurologisch gezien zijn de klachten niet geheel invoelbaar, mede gelet op de wijze waarop zij door betrokkene naar voren worden gebracht. Er is ook een discrepantie tussen de klachten en lijdensdruk enerzijds en anderzijds het feit dat hij bijvoorbeeld wel zijn werkzaamheden kon blijven doen.

Positief is dat het hem is gelukt om zijn aanvankelijke overgewicht terug te brengen tot de huidige 109 kg en dat ook een verbetering in de klachten is opgetreden onder begeleiding van de orthopedisch manueel therapeut (die ook heeft aangegeven dat op termijn een (verdere) verbetering mogelijk moet zijn).”

2.8.

In onderling overleg is vervolgens verzekeringsarts [E] verzocht om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te doen bij [verzoeker]. Dat onderzoek heeft op 15 januari 2018 plaatsgevonden en deskundige [E] heeft daarvan op 8 maart 2018 een concept rapport opgemaakt.

Naar aanleiding van dat concept hebben [verzoeker] en de beide medisch adviseurs opmerkingen gemaakt, waarna de deskundige op 10 mei 2018 zijn eindrapport heeft gepresenteerd. In dit rapport stelde de deskundige de volgende beperkingen vast:

het dragen van riemen om de rechter schouder, met daaraan zware lasten, zoals persluchtflessen;

zware schokken en trillingen op de rechter schouder, zoals dat bij zwaar hoveniers- en stratenmaker gereedschap voorkomt;

zwaar sleutelwerk, zoals dat voorkomt bij automonteurs;

hoog frequent reiken: af en toe, kortdurend (ongeveer 10 minuten aangesloten en 2 keer per uur ongeveer 10 minuten aangesloten), is een hogere frequentie (tot 1200 keer per uur) en verder dan 50 cm reiken akkoord

zwaar tillen en dragen: maximaal 10 kg en niet verder dan ongeveer 10 meter dragen. De last moet tegen het lichaam aangedrukt kunnen worden, dan wel met afhangende armen - zoals bij een boodschappentas - gedragen kunnen worden;

frequent lichte voorwerpen hanteren (tot 1 kg): mits gelijkelijk verdeeld over de 8-urige werkdag, maximaal ongeveer 15 minuten achtereen met rechts. Dan ongeveer 5-10 minuten geen lichte voorwerpen hanteren en vervolgens weer tot ongeveer 15 minuten aaneengesloten lichte voorwerpen hanteren akkoord;

frequent zware lasten hanteren: tot 10 x 10 kg per uur hanteren (volgens het voorschrift bij item zwaar tillen en dragen) is akkoord;

klimmen: beperkt vanwege de beperking ten aanzien van voorwaarts heffen van de rechter arm;

boven schouderhoogte werken: rechts niet goed mogelijk. Betrokkene kan wel - in ieder geval met de linker hand - boven schouderhoogte actief zijn en de rechter hand als ondersteuning van de linker arm gebruiken, als met de linker arm iets zwaars, zoals een volle ordner, van een plank boven hoofd hoogte gepakt moet worden.

De deskundige neemt geen beperkingen ten aanzien van de nekbelastbaarheid aan (pagina 18 van het deskundigenbericht). In de eerste plaats omdat [R] en [O] bij onderzoek – behoudens wat behoedzaam bewegen van het hoofd bij het onderzoek van de nek – geen afwijkingen ten aanzien van de nek vonden en ook geen beperkingen ten aanzien van de nekbelastbaarheid aan de orde achtten. Daarnaast is ten aanzien van de klachtenpresentatie van de nek naar zijn oordeel sprake van kennelijke inconsistenties.

Gevraagd naar niet-ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen, antwoordde de deskundige:

Er is naar mijn oordeel geen sprake van niet-ongevalsgerelateerde beperkingen.

Subjectief is sprake van nekklachten maar deze werden door [R] en [O] niet

aangenomen noch als niet-ongevalsgevolg geduid. Hetzelfde geldt voor de hoofdpijn- en

concentratieklachten die betrokkene rapporteert.

Naar aanleiding van de opmerkingen en verzoeken van de heer [C], medisch adviseur van [verzoeker], reageerde de deskundige als volgt:

Het door de heer [C] gepostuleerde ten aanzien van de nek, kan ik niet volgen. Afgezien mijn opmerkingen ten aanzien van de nek op pagina 18 van dit deskundigenbericht (zie hiervoor), vond orthopedisch chirurg (niet praktiserend) [R] behoudens het wat behoedzaam bewegen van de cervicale wervelkolom immers geen afwijkingen bij onderzoek van de nek (zie pagina 7 van het deskundigenbericht van [R] en [O]).

Ook neuroloog [O] vond bij het onderzoek van de nek geen afwijkingen (zie pagina 9 van het deskundigenbericht van [R] en [O]). Wel ontstond bij onderzoek van de nek pijn ter plaatse van de rechter schouder.

Voorts namen [R] en [O] geen beperkingen aan ten aanzien van de nek.

2.9.

Egis is de rechtsopvolgster van Cition BV.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoek bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv:

  1. te bepalen dat zijn klachten, bestaande uit:
    • pijnklachten van de rechter schouder,
    • pijnklachten van de nek,
    • hoofdpijn, en
    • concentratieproblemen,
    in juridisch causaal verband staan tot het [verzoeker] op 19 februari 2014 overkomen ongeval,

  2. VGA te bevelen binnen een door de rechtbank (de kantonrechter leest: de kantonrechter)te bepalen termijn medewerking te verlenen aan het in het kader van de verdere schaderegeling op gezamenlijk verzoek doen laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door verzekeringsarts [E], hierbij de leidraad deskundigenonderzoeken in acht te nemen en te bepalen dat VGA alle hiermee verband houdende redelijke buitengerechtelijke kosten voor haar rekening dient te nemen,

  3. Op grond van artikel 1019aa Rv de kosten van deze procedure te begroten op € 6.338,- en VGA te bevelen dit bedrag binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking te vergoeden door overmaking aan de advocaat van [verzoeker].

3.2.

Tussen partijen bestaat al jarenlang een discussie over de waardering van de

letselschade van [verzoeker] als gevolg van het hem op 19 februari 2014 overkomen ongeval. Met name het causaal verband en de vraag naar de beperkingen van [verzoeker] als gevolg van het ongeval houdt partijen verdeeld. Om die reden is [verzoeker] het verzoek te doen om het causaal

verband vast te stellen tussen het hem overkomen ongeval en zijn klachten en te bevelen dat VGA medewerking verleent aan het in gezamenlijk overleg laten plaatsvinden van aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

3.3.

VGA heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een tegenverzoek ingediend:

VGA verzoekt de rechtbank (de kantonrechter leest: de kantonrechter) bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv te bepalen dat met een slotbetaling aan [verzoeker] van € 18.500,-- zijn schade als een gevolg van het hem op 19 februari 2014 (de kantonrechter leest:) overkomen ongeval volledig zal zijn vergoed.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid deelverzoek onder B

4.1.

VGA voert als verweer tegen deelverzoek B aan dat hiermee feitelijk de weg van het verzoeken van een voorlopig deskundigenbericht wordt omzeild. Dat procesrechtelijke instrument is daarvoor bedoeld. VGA heeft voor een onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14675.
Anders dan in die uitspraak en ook anders dan in de procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, gaat het in dit geval om een verzoek tot het doen van aanvullend onderzoek door een deskundige, die in deze zaak al uitgebreid onderzoek heeft verricht.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan dat verzoek in een deelgeschil worden gedaan.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Ontvankelijkheid tegenverzoek

4.2.

Het is niet uitgesloten om een deelgeschil bij wijze van tegenverzoek te starten. De voorwaarden die aan verzoek tot het voeren van een deelgeschil worden gesteld, gelden uiteraard ook voor een tegenverzoek.

Kort gezegd is het deelgeschil bedoeld om obstakels in de afwikkeling van personenschade weg te nemen, om partijen in de gelegenheid te stellen vastgelopen onderhandelingen buiten rechte weer op te vatten en te bezien of alsnog een definitieve buitengerechtelijke regeling kan worden bereikt.

Toewijzing van het tegenverzoek zoals VGA dat heeft gedaan, zal er niet toe leiden dat er weer onderhandelingen worden opgevat. Evenmin zal daardoor een buitengerechtelijke regeling tot stand kunnen komen. Toewijzing van het verzoek zou immers definitief een einde aan het geschil maken. Daarvoor is een deelgeschil niet bedoeld.

VGA kan daarom niet in het tegenverzoek worden ontvangen.

Het verzoek, onderdeel A

4.3.

In dit deelgeschil gaat het met name om de vraag naar het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en het ongeval.

VGA heeft het causaal verband tussen de kneuzing van de rechterschouder en het ongeval erkend, maar betwist dat de overige klachten van [verzoeker] hun oorzaak vinden in het ongeval.

[verzoeker] stelt in het verzoekschrift dat ondanks de expertiserapporten van de neuroloog, orthopedisch chirurg en verzekeringsarts discussie blijft bestaan over de causaliteitsvraag.

De verschillende deskundigen hebben zich echter wel uitgesproken over de causaliteitsvraag en VGA accepteert de uitkomsten van de deskundigenonderzoeken. Het is dus niet zozeer dat er “discussie” is over de causaliteitsvraag, maar meer dat [verzoeker] zich niet neerlegt bij de bevindingen van de deskundigen.

De vraag is of er in dit stadium van de procedure nog ruimte bestaat om de bevindingen van de deskundigen te betwisten.

4.4.

[verzoeker] stelt dat VGA in het kader van de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 BW zijn schade dient te vergoeden. VGA heeft die aansprakelijkheid erkend. Het is dan vervolgens aan [verzoeker] om (de hoogte van) zijn schade te stellen en waar nodig daarvan bewijs te leveren.

Volgens inmiddels vaste rechtspraak is het aan de benadeelde om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij aan gezondheidsklachten lijdt. Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, wat doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van klachten - overigens ook als het niet of moeilijk objectiveerbare klachten betreft - worden uitgegaan (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1661).

4.5.

[verzoeker] stelt dat zijn klachten plausibel zijn. Hij onderbouwt zijn stelling door te verwijzen naar zijn medisch dossier. Hieruit blijkt dat hij de nekklachten en hoofdpijnklachten al op 25 maart 2014 (twee maanden na het ongeval) heeft gemeld, terwijl hij deze klachten eerder niet had. De concentratieproblemen worden beschreven in de rapportage van de neuroloog en orthopedisch chirurg van 19 januari 2016.

4.6.

De vraag of de klachten plausibel zijn moet worden beoordeeld in relatie tot het ongeval. In deze zaak hebben drie deskundigen zich over die vraag gebogen.

Partijen hebben op gezamenlijk verzoek een orthopedisch chirurg en een neuroloog benoemd om expertise te laten verrichten. De deskundigheid van deze deskundigen en kwaliteit van hun rapport van 19 januari 2016 staan tussen partijen niet ter discussie. Het rapport is op een correcte wijze tot stand gekomen en biedt inzicht in de wijze waarop de deskundigen tot hun oordeel zijn gekomen. Dat is ook de mening van de medisch adviseur van [verzoeker], in zijn reactie op het conceptrapport:
“De voorliggende expertise maakt een volledige en zorgvuldige indruk. De conclusies zijn op een logische manier onderbouwd en de rapporteurs volgen de vigerende Richtlijnen. Er zijn geen directe punten in de expertise die aanleiding geven voor opmerkingen mijnerzijds. De rapportage geeft een correct inzicht in de medische ongevalsgevolgen.”

Onder deze omstandigheden kent de kantonrechter zeer grote betekenis toe aan de bevindingen van de orthopedisch chirurg en de neuroloog.

4.7.

Door deze deskundigen is vastgesteld dat de nekklachten, hoofdpijnklachten en concentratieproblemen niet in relatie tot het ongeval staan. Verzekeringsarts [E], die partijen eveneens op gezamenlijk verzoek hebben ingeschakeld, heeft zich hierbij aangesloten. De kantonrechter herhaalt hier de conclusie van met name de neuroloog (zie hiervoor onder 2.7):

“Er is geen neurologisch substraat voor de klachten en afwijkingen die hij na het trauma van 19.02.2014 is blijven houden. De klachten lijken vooral myotendinogeen bepaald te zijn.

De klachten over de concentratie zijn niet te begrijpen op basis van het ongevalsmechanisme en waarschijnlijk te relateren aan de pijnklachten.”

4.8.

[verzoeker] heeft weliswaar uiteengezet waaruit de door hem ervaren klachten bestaan, maar met een verwijzing naar de onderliggende medische informatie heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter, tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting door VGA op dit punt en de rapporten van de drie op gezamenlijk verzoek geraadpleegde deskundigen, onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat de gemelde klachten in dit geval plausibel zijn. [verzoeker] is vooralsnog niet in het bewijs geslaagd. Uitsluitend het eerste onderdeel van het verzoek onder A is daarom toewijsbaar (dat juridisch causaal verband was overigens al erkend door VGA).

Het verzoek, onderdeel B, aanvullend onderzoek

4.9.

[verzoeker] heeft de bevindingen van de deskundigen niet betwist, zoals blijkt uit voormeld citaat. Wel heeft de medisch adviseur van [verzoeker] kritiek geleverd op de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door verzekeringsarts [E]. Die kritiek komt er kort gezegd op neer dat deze deskundige geen rekening heeft gehouden met de beperkingen als gevolg van de nekklachten, hoofdpijn en concentratieproblemen

De deskundige heeft deze kritiek beantwoord door te stellen dat hij de rapportage van de orthopedisch chirurg en de neuroloog als uitgangspunt heeft genomen. In die rapportage worden geen afwijkingen aan de nek is vastgesteld. Ook zijn geen beperkingen ten aanzien van de nek aangenomen. Daarnaast gaat de deskundige op pagina 18 van zijn deskundigenbericht in op de klachtenpresentatie van de nek, die volgens hem kennelijke inconsistenties vertoont.

De kantonrechter is van oordeel dat de verzekeringsdeskundige op deze wijze zijn onderzoek juist heeft uitgevoerd en dat er, mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de ongevalsgevolgen, geen ruimte bestaat voor aanvullend onderzoek op dit gebied.

Dit onderdeel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Het verzoek, onderdeel B, onbeantwoorde vraag

4.10.

In de opdrachtbrief aan verzekeringsarts [E] wordt onder meer het volgende verzocht:
“Met nadruk verzoeken partijen om de op uw terrein aanwezig geweest zijnde beperkingen in het eerste half jaar na het ongeval zo goed mogelijk te duiden. Wilt u daarvoor zonodig een afzonderlijk beschrijving (en FML) aan wijden?”

[verzoeker] stelt dat de deskundige deze vraag niet heeft beantwoord in zijn rapportage. Dat wordt door VGA niet betwist.

De kantonrechter merkt op dat geen van beide partijen dit naar aanleiding van de conceptrapportage hebben opgemerkt. Desondanks constateert ook de kantonrechter dat de vraag onbeantwoord is gebleven. De kantonrechter ziet in wat VGA ter zitting heeft aangevoerd geen reden om op voorhand aan te nemen dat aanvullend onderzoek op dit punt geen meerwaarde zou hebben of niet relevant zou zijn. Dit onderdeel van het verzoek is daarom toewijsbaar, evenals de hiermee verband houdende niet betwiste nevenverzoeken.

Kosten van de deelgeschilprocedure

4.11.

[verzoeker] verzoekt de kosten van deze procedure te begroten en VGA te bevelen dat bedrag te betalen aan [verzoeker].

Ook als een verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient de kantonrechter de kosten te begroten. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Dat is, anders dan VGA meent, niet het geval. [verzoeker] heeft het verzoek ingediend op grond van het standpunt van zijn medisch adviseur. Hoewel het verzoek voor het belangrijkste deel wordt afgewezen, was het ingenomen standpunt pleitbaar. Bovendien wordt een klein deel van het verzoek ook toegewezen.

4.12.

VGA heeft verweer gevoerd tegen het aantal in rekening gebrachte uren, in totaal 20 uur.
De kantonrechter houdt bij de begroting rekening met de volgende factoren.
Het gaat hier om een enigszins complexe zaak, maar van betrekkelijk geringe omvang. Gelet op de aard van de zaak (vaststelling oorzakelijk verband tussen ongeval en schade), de ervaring van de raadsman van [verzoeker] en het financieel belang van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het aantal aan het deelgeschil bestede uren (14), voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets.

[verzoeker] heeft voorts de kosten verband houdend met de zitting begroot op 6 uur inclusief reistijd. De kantonrechter acht ook deze kosten redelijk, gezien voorbereidingstijd, feitelijke zittingsduur en reistijd.

Het verzochte zal daarom worden toegewezen.
De aansprakelijkheid is door VGA erkend. Daarom zal VGA ook worden veroordeeld tot betaling van de begrote kosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

inzake het verzoek

5.1.

bepaalt dat de pijnklachten van [verzoeker] aan zijn rechter schouder in juridisch causaal verband staan tot het [verzoeker] op 19 februari 2014 overkomen ongeval,

5.2.

beveelt VGA binnen een maand na heden medewerking te verlenen aan het door verzekeringsarts [E] doen laten beantwoorden van de vraag, zoals hiervoor onder 4.10 omschreven, hierbij de leidraad deskundigenonderzoeken in acht te nemen en bepaalt dat VGA alle hiermee verband houdende redelijke buitengerechtelijke kosten voor haar rekening dient te nemen,

5.3.

begroot op grond van artikel 1019aa Rv de kosten van deze procedure op € 6.338,- (inclusief btw en griffierecht), en veroordeelt VGA tot betaling van dat bedrag binnen zeven dagen na heden,

5.4.

wijst het verzoek voor het overige af,
inzake het tegenverzoek

5.5.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2019.

type: LJS

coll: ST