Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5447

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek om intrekking van de catch-allbeschikking is naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3723

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 26 juni 2019 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.J.M.E. de Bont),

en

de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 24 november 2015 het verzoek van eiseres van 25 augustus 2015 om de twee hierna onder 1 en 2 genoemde catch-allbeschikkingen te herzien dan wel ter zake een 'tussenoplossing' te treffen, afgewezen.

Eiseres heeft op 29 juli 2016 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het door haar ingediende bezwaarschrift.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2016 de afwijzing van het verzoek van eiseres gehandhaafd.

Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 26 augustus 2016 bericht dat het beroep zich mede richt tegen de uitspraak op bezwaar en eiseres heeft bij deze brief aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 oktober 2016 heeft verweerder met betrekking tot een stuk (nummer 7 op de lijst van stukken) laten weten dat de rechtbank dit stuk bij het ministerie van verweerder of de betreffende inlichtingendienst kan inzien en de rechtbank meegedeeld dat op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend zij kennis van deze stukken mag nemen. Bij brief van 1 november 2016 heeft verweerder het beroep op geheimhouding nader gemotiveerd.

Eiseres heeft bij brief van 16 november 2016 op de brief van 1 november 2016 gereageerd.

De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 24 maart 2017 bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiseres heeft bij brief van 5 april 2017 de rechtbank bericht dat zij de rechtbank geen toestemming geeft kennis te nemen van het stuk waarvoor verweerder zich op geheimhouding heeft beroepen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019 te Haarlem. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met het nummer HAA 15/2332. Namens eiseres zijn verschenen mr. [A] , mr. [B] en mr. [C] (directeur van eiseres). Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. S.R. Stein en drs. T.M. Röhling.

Overwegingen

Feiten

1. Bij beschikking van 2 januari 2008 (hierna: catch-allbeschikking 1) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan eiseres mededeling gedaan van zijn besluit dat ingevolge artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie van tweeërlei gebruik (hierna: de Verordening) in verbinding met artikel 1. tweede lid, van de Regeling houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik het eiseres verboden is zonder vergunning ingots van nikkellegering uit te (laten) voeren naar Iran.

2. Bij beschikking van 10 februari 2009 (hierna: catch-allbeschikking 2) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan eiseres mededeling gedaan van zijn besluit dat ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening in verbinding met artikel 3 van het Besluit strategische goederen het eiseres verboden is zonder vergunning onderdelen voor gasturbines naar Iran te (laten) uitvoeren.

3. Bij brief van 8 april 2015 heeft eiseres aan verweerder onder meer het volgende bericht:

"Op 10 Feb 2009 is een catch-all opgelegd aan [X] BV waardoor export van (onderdelen van) gasturbines naar Iran zonder vergunning niet meer was toegestaan. (…)

Nu er op korte termijn ontwikkelingen te verwachten zijn op het gebied van het opheffen van sancties tegen Iran wil ik u verzoeken mij nu al te informeren over het opheffen van de catch-all."

4. In reactie op de brief van 8 april 2015 heeft verweerder aan eiseres bij brief van 17 augustus 2015 onder meer het volgende meegedeeld:

"Wij beschikken over inlichtingen die aangeven dat de betrokken onderdelen een rol kunnen spelen bij de elektriciteitsvoorziening van installaties van zorg (…). Tevens bestaat theoretisch het risico dat leveringen aan klanten die niet voorkomen in de bijlagen van de Iran-verordening zullen worden omgeleid. (…)

Overeenstemming over het "Joint Comprehensive Plan of Action" betekent potentieel een stap in de betrekkingen met Iran. Partijen dienen het plan echter nog te bekrachtigen en het treedt pas in werking wanneer het Internationaal Atoomenergie Agentschap de installaties in Iran zal hebben geïnspecteerd. (…)

Verder voorziet het plan in gefaseerde opheffing van sancties tegen Iran, waarbij voor bepaalde nucleair gerelateerde sancties een termijn van acht jaar is voorzien. Er is daarom nu geen aanleiding om de "catch all" beschikking waarover u schrijft in te trekken. (…)

Eventuele tussenoplossingen liggen evenmin voor de hand zolang de staat van dienst van [X] BV wat betreft "compliance" nog onder de rechter is."

5. Bij brief van 25 augustus 2015 (hierna: het verzoek) heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder in reactie op de brief van 17 augustus 2015 onder meer het volgende bericht:

"Met deze overwegingen geeft u er geen blijk van de beschikkingen te hebben herzien en de belangen opnieuw te hebben afgewogen. (…)

Blijkbaar zijn de beschikkingen ooit opgelegd teneinde in lijn te handelen met het internationale gedachtegoed. Met het tot stand komen van het Joint Comprehensive Plan is juist dit internationale gedachtengoed gewijzigd. (…)

Onder deze omstandigheden ligt het in de rede de onderhavige beschikkingen te herzien en de nieuwe ontwikkelingen - alsook de belangen van cliënte bij intrekking van de catch-all beschikkingen - in uw afweging te betrekken.

Uw afsluitende opmerking "dat een tussenoplossing niet voor de hand ligt zolang de staat van dienst van [X] BV wat betreft "compliance' nog onder de rechter is" kunnen wij niet goed volgen. Cliënte is al jaren onderwerp van onderzoek en wordt aan alle kanten beperkt in haar uitvoer mogelijkheden. Gedurende deze periode heeft cliënte op alle vlakken medewerking en openheid van zaken verleend. (…)

Thans lijken de neuzen op Internationaal vlak (eindelijk) dezelfde kant op te staan.(…)

Wij verzoeken u namens cliënte dan ook nadrukkelijk - en conform het beleid - de beschikkingen te herzien. Ook een mogelijke 'tussenoplossing' zoals het nader specificeren op afnemer of product van de betreffende beschikkingen dient daarbij te worden onderzocht."

6. Bij besluit van 24 november 2015 heeft verweerder het verzoek afgewezen. In dit besluit is onder meer vermeld:

"Naar aanleiding van uw verzoek zijn opnieuw inlichtingen ingewonnen over de mogelijke inzet van gasturbines en onderdelen daarvan in Iran. Hieruit blijkt dat ook nu niet kan worden uitgesloten dat deze een rol zullen kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens."

7. Bij vonnis van 18 februari 2019 van de rechtbank Limburg (RBLIM:2019:1484) is eiseres - wegens het (samen met medeverdachten) opzetten van meerdere schijnconstructies in 2009 en 2010 met als doel om, in strijd met de catch-allbeschikking 2, zonder uitvoervergunning gasturbineonderdelen via een omweg aan klanten in Iran te leveren en wegens valsheid in geschrifte - veroordeeld tot een geldboete van € 500.000, waarvan € 250.000 voorwaardelijk. Eiseres heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Geschil
8. In geschil is de (bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde) afwijzing door verweerder van het verzoek van eiseres om de twee hiervoor onder 1 en 2 genoemde catch-allbeschikkingen te herzien dan wel ter zake een 'tussenoplossing' te treffen.

9. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de catch-allbeschikkingen zijn opgelegd in verband met het vermeende nucleaire programma en niet vanwege zorgen over omleiding naar het ballistisch raketprogramma. Nu [A BEDRIJF] rapporteert dat Iran zich ter zake van de nucleaire afspraken aan de afspraken houdt en de sancties tegen Iran begin 2016 definitief zijn ingetrokken, had verweerder de catch-allbeschikkingen moeten herzien.

Nu in de uitspraak op bezwaar expliciet staat vermeld dat de locaties waarover ten tijde van het opleggen van de catch-all zorgen bestonden inmiddels onder continu toezicht staan van het [A BEDRIJF] en Iran zich bovendien aan de afspraken houdt, valt niet in te zien op welke wijze verweerder nog meer vertrouwen zou kunnen krijgen door controles van het [A BEDRIJF] . Toch komt verweerder tot de conclusie dat gasturbines toch een rol zouden kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens. Deze conclusie is louter gebaseerd op 'geheime' informatie. Daarmee is het onmogelijk om daarop inhoudelijk te reageren. Duidelijk is wel dat andere landen op basis van die informatie tot een volledig andere afweging komen.

Eiseres stelt voorts dat met het in stand houden van de vergunningplicht de handel van eiseres feitelijk onmogelijk wordt gemaakt en daarmee haar internationale concurrentiepositie onevenredig wordt benadeeld.

Eiseres stelt verder dat de tekst van de opgelegde catch-allbeschikking 2 onduidelijk is, nu uit de strafzaak is gebleken dat consumables en klein materiaal niet onder de reikwijdte van deze beschikking valt.

Eiseres stelt ten slotte dat van een wettelijke meldplicht in dit geval geen sprake is, zodat daarmee ook niet in strijd is gehandeld. Dit had dan ook geen rol mogen spelen bij de beslissing op het verzoek om herziening.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toekenning van het verzoek om herziening van de catch-allbeschikkingen. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van de proceskosten in de bezwaar- en beroepsprocedure, alsmede om een schadevergoeding, waaronder immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden behandeld.

10. Verweerder heeft aan de (bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde) afwijzing ten grondslag gelegd dat uit opgevraagde informatie van 17 november 2015 blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat (onderdelen van) gasturbines een rol zullen kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens. Het is technisch niet mogelijk om onderdelen van gasturbines te gebruiken in nucleaire installaties, vliegtuigmotoren of ballistische raketten. De relevantie beperkt zich tot het realiseren van een stand-alone energievoorziening van de locaties van zorg. Verweerder wil de export van gasturbineonderdelen per geval kunnen beoordelen en daarom is de vergunningplicht nodig. Hierbij komt dat bij eiseres onregelmatigheden zijn geconstateerd bij een controle door de toezichthouder, waardoor het vertrouwen in de compliance door eiseres ook enige schade heeft opgelopen.

De catch-allbeschikkingen zijn nadrukkelijk geen verbod op uitvoer van genoemde goederen naar Iran. De uitvoer is echter wel vergunningplichting. De gewijzigde situatie in de relatie met Iran en de daarbij behorende versoepeling van het beoordelingskader voor export van strategische goederen naar Iran zal kunnen blijken uit beslissingen op vergunningaanvragen. Eiseres heeft sinds 2010 echter geen vergunningaanvragen meer gedaan.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

12.1.

Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij geen belang heeft bij beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaarschrift. In zoverre is het beroep dan ook niet-ontvankelijk.

12.2

Voorts is ter zitting komen vast te staan dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de catch-allbeschikking 1, nu eiseres na het opleggen van deze beschikking geen uitvoervergunning voor ingots heeft aangevraagd, eiseres niet (meer) in ingots handelt en deze beschikking geen rol speelt in de (nog lopende) strafzaak. Ook in zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.

Verzoek herziening catch-allbeschikking 2

13. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij met haar verzoek om herziening heeft bedoeld te verzoeken om intrekking van de vergunningplicht met ingang van de datum van haar verzoek, dan wel om een tussenoplossing te treffen.

14. De rechtbank stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek om intrekking van de catch-allbeschikking 2 moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van de uitspraak op bezwaar, dat is 8 augustus 2016. Feiten en omstandigheden die door partijen naar voren zijn gebracht en die betrekking hebben op de periode na deze datum, zal de rechtbank daarom niet in de beoordeling betrekken. Feiten en omstandigheden die na 8 augustus 2016 zijn gebleken, maar betrekking hebben op aan die datum voorafgaande periode kan de rechtbank wel in haar oordeel meewegen.

15.1.

Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek met name gebaseerd op de door hem op 17 september 2015 van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst ontvangen reactie (ambtsbericht) op zijn verzoek om informatie van 10 september 2015. In dit verzoek (gedingstuk 5) wordt aan de inlichtingendienst verzocht om actualisering van de inlichtingen die leidden tot oplegging van de catch-allbeschikkingen, om een inschatting van de effectiviteit van de opgelegde vergunningplicht, en om een visie op de (on-)mogelijkheden om te komen tot een lijst van eindgebruikers, hetzij negatief (partijen aan wie niet geleverd kan worden), hetzij positief (partijen waartegen geen bezwaar bestaat). Verweerder heeft de ontvangen reactie als gedingstuk 7 onder geheimhouding aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft van de inhoud van dit stuk echter geen kennis kunnen nemen, omdat eiseres, nadat de geheimhoudingskamer had geoordeeld dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, de rechtbank daartoe geen toestemming heeft verleend.

15.2.

De gevolgen van het weigeren van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, komen in beginsel voor rekening van degene die de toestemming heeft geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in dit geval anders over te oordelen. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid van de stelling van verweerder over dit stuk, te weten dat op grond van dit stuk ook ten tijde van de uitspraak op bezwaar niet kan worden uitgesloten dat de gasturbines een rol zullen kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens. Daarmee heeft verweerder het verzoek van eiseres beoordeeld aan de hand van de op dat moment geldende en concrete veiligheidssituatie. Aan de ter zitting door eiseres ingenomen stelling dat het verband tussen de goederen die onder de catch-allbeschikking vallen en de ontwikkeling van kernwapens te ver verwijderd is om als deugdelijke motivering van de afwijzing te kunnen dienen, gaat de rechtbank voorbij omdat zij de juistheid van die stelling, zonder kennisneming van de inhoud van het ambtsbericht, niet kan beoordelen.

16. Voorts staat vast dat eiseres in de lopende strafzaak is veroordeeld voor het in 2009 en 2010 via een omweg leveren van gasturbineonderdelen in strijd met de catch-allbeschikking 2 zonder uitvoervergunning aan klanten in Iran. Reeds daarmee vindt de door verweerder bij zijn bestreden besluit meegewogen omstandigheid dat het vertrouwen van verweerder dat eiseres zich aan de geldende exportcontrolewetgeving houdt schade heeft opgelopen, voldoende grondslag in de feiten. Hetgeen overigens in dit kader in de beroepsgronden is aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

17.1.

Het uitgangspunt van het door verweerder gevoerde exportcontrolebeleid dat veiligheidsbelangen altijd gaan boven economische belangen acht de rechtbank op zichzelf genomen niet onredelijk.

17.2.

De stelling van eiseres dat de catch-allbeschikking 2 de concurrentiepositie van eiseres onevenredig benadeelt en dat verweerder op grond hiervan de beschikking had moeten intrekken, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht aangeeft, houdt de catch-allbeschikking geen uitvoerverbod in. Dat de vergunningplicht de handel van eiseres feitelijk onmogelijk maakte, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt in dit verband verder nog dat het verkrijgen van een exportvergunning een bedrijfsrisico is waarmee eiseres in haar contractvorming met haar klanten rekening kan houden.

17.3.

Ten aanzien van de stellingen van eiseres ter zake van het ontbreken van een level playing field, overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat individuele lidstaten van de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit de Verordening, met zich brengt dat het niet uitgesloten is dat verschil ontstaat in de uitleg en toepassing van de regelgeving in de verschillende lidstaten. Dat doet echter aan de rechtmatigheid van de catch-allbeschikking 2 niet af en verweerder was dan ook niet gehouden op deze grond de catch-allbeschikking 2 in te trekken.

17.4.

Dat geldt evenzeer voor de stelling van eiseres dat voor haar beperkingen gelden die voor andere Nederlandse bedrijven niet gelden. In reactie hierop heeft verweerder ter zitting toegelicht dat (ook thans nog) voor meerdere Nederlandse bedrijven een ad hoc vergunningplicht geldt voor de export voor goederen naar Iran. Aan de aan deze bedrijven oplegde catch-allbeschikkingen en aan de daarin opgenomen (ruime of minder ruime) omschrijving van goederen die onder het uitvoerverbod vallen, ligt telkens een individuele beoordeling ten grondslag, die afhankelijk van de omstandigheden van het geval - waaronder het veiligheidsbelang en de mate van compliance van het bedrijf - per bedrijf verschillend kan uitvallen. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen.

18. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het verzoek om intrekking van de catch-allbeschikking 2 naar het oordeel van de rechtbank kunnen afwijzen. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het treffen van een tussenoplossing als door eiseres voorgesteld niet mogelijk is, omdat het omleidingsrisico alleen in concrete gevallen en niet op voorhand kan worden beoordeeld. De overige door eiseres ingediende beroepsgronden kunnen niet tot een ander oordeel leiden, en behoeven daarom geen bespreking. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Vergoeding (immateriële) schade

19.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

19.2.

De redelijke termijn is aangevangen op 5 januari 2016. De rechtbank doet uitspraak op 26 juni 2019. Dit is een tijdsverloop van afgerond 42 maanden. De redelijke termijn is derhalve met 18 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Van dit tijdsverloop dient een periode vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2016 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2019, derhalve een tijdsverloop van afgerond 35 maanden, te worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (42 – 35 =) 7 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient een periode van (7 – 6 =) 1 maand aan verweerder te worden toegerekend en een periode van (35 – 18 =) 17 maanden aan de Minister voor Rechtsbescherming. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 1.500 een bedrag van € 83,33 (1/18 deel van € 1.500) te vergoeden en de Minister voor Rechtsbescherming € 1.416,67 (17/18 deel van € 1.500).

20. Eiseres heeft tevens verzocht om toekenning van overige schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen sprake van een onrechtmatig besluit. Bovendien heeft eiseres haar verzoek om schadevergoeding niet onderbouwd. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten en griffierecht

21.1.

Aangezien eiseres - naar tussen partijen ook niet in geschil is - terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en aan eiseres een immateriële schadevergoeding wordt toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een factor 0,5). Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand blijft.

21.2.

Nu een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend en die overschrijding zowel aan verweerder als aan de rechterbank is toe te rekenen, zal de rechtbank verweerder en de Minister voor Rechtsbescherming ieder veroordelen tot het vergoeden van de helft van de proceskosten en van de helft van het door eiseres betaalde het griffierecht van € 334 (zie Hoge Raad19 februari 2016, ELCI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar voor zover die betreft het verzoek om herziening van de catch-allbeschikking 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 83,33 aan immateriële schadevergoeding, tot een bedrag van € 256 aan proceskosten en tot een bedrag van € 167 ter vergoeding van het betaalde griffierecht;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 1.416,67 aan immateriële schadevergoeding, tot een bedrag van € 256 aan proceskosten en tot een bedrag van € 167 ter vergoeding van het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. M.C. van As, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.