Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5308

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3418
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat moet worden afgeweken van de wettelijke normbedragen voor gebruikelijk loon. Ook het beroep van eiseres op artikel 12a, derde lid, van de Wet LB faalt, nu zij daarvoor niets heeft gesteld. Indien te weinig loonheffing is geheven, heeft verweerder de keuze om een naheffingsaanslag in de loonheffing op te leggen aan de werknemer, een naheffingsaanslag in de loonheffing op te leggen aan de inhoudingsplichtige of het loonbestanddeel ten laste van de werknemer in de ib/pvv te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2019
FutD 2019-1786
V-N Vandaag 2019/1586
V-N 2019/49.27.8
NTFR 2019/2025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/3418 tot en met 16/3422

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2019 in de zaken tussen

[X] Hoofddorp Beheer B.V. (in liquidatie), gevestigd te [Z] , eiseres.

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 1 december 2015 over het jaar 2010 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 9.846 (HAA 16/3418).

Verweerder heeft op 21 januari 2016 een bezwaarschrift gedagtekend 10 december 2015 tegen de naheffingsaanslag 2010 ontvangen.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 11 december 2015 over het jaar 2011 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 7.313 (HAA 16/3419).

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 11 december 2015 over het jaar 2012 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 8.001 (HAA 16/3420).

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 11 december 2015 over het jaar 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 17.039 (HAA 16/3421).

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 11 december 2015 over het jaar 2015 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 28.634 (HAA 16/3422).

Verweerder heeft op 29 december 2015 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen 2011, 2012, 2013 en 2015 ontvangen.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juni 2016 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 1 juli 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 13 april 2018 een regiezitting gehouden.

Namens eiseres is verschenen [X] (hierna: [X] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, mr. ing. R.J. de Vries en

mr. B.F. Kroezen.

De rechtbank heeft de verdere behandeling van de zaken geschorst en partijen meegedeeld dat zij te zijner tijd zullen worden uitgenodigd voor een zitting waarop de inhoudelijke behandeling van de beroepen zal plaatsvinden.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2019. Namens eiseres is verschenen [X] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer en
mr. A. de Groot.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres dreef sinds 23 september 2004 een onderneming. De ondernemingsactiviteiten bestonden onder andere uit het beleggen van vermogens in effecten, onroerende zaken en andere vermogenswaarden. Eiseres is failliet verklaard op

15 augustus 2017.

2. De directeur-grootaandeelhouder van eiseres was [X] . Eiseres was directeur-grootaandeelhouder van [A BEDRIJF] B.V. [X] was tevens directeur-grootaandeelhouder van [B BEDRIJF] B.V. Deze vennootschappen exploiteerden beide een restaurant.

3. In de jaren 2010 tot en met 2013 heeft [X] werkzaamheden verricht voor eiseres.

4. Eiseres heeft over de jaren 2010 en 2011 wel en over de jaren 2012 en 2013 geen loonaangifte gedaan voor [X] . Over 2010 heeft eiseres een loon aangegeven van € 11.483,70 en over 2011 een loon van € 19.547,80.

5. In 2013 had eiseres in ieder geval ook drie andere werknemers in dienst, te weten [B] , [C] en [D] .

6. Eiseres liet aan [B] , [C] en [D] loon

betalen vanaf de bankrekeningen van [A BEDRIJF] B.V. of van [B BEDRIJF] B.V.

7. Eiseres heeft in 2013 aan de werknemers [B] , [C] en [D] loonbetalingen gedaan die zij niet in haar loonadministratie heeft verantwoord en ter zake waarvan zij geen aangifte heeft gedaan. Met betrekking tot die loonbetalingen heeft eiseres geen loonheffingen ingehouden en afgedragen.

8. Eiseres verzorgde voor het grootste deel zelf de loonadministratie. Zij leverde zonder bijbehorende stukken zoals bankafschriften overzichten van de door haar werknemers gewerkte uren in bij haar adviseur, [E] van [C BEDRIJF] te Aerdenhout, die vervolgens de loonaangiften deed.

9. Eiseres bewaarde geen werkroosters bij haar administratie.

10. Verweerder heeft bij eiseres op 2 december 2013 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 oktober 2013 en de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. Het onderzoek is nadien uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013. De resultaten zijn neergelegd in een rapport van 1 december 2015. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“6.1 Gebruikelijkloonregeling

Aanmerkelijkbelanghouder

De heer [X] (BSN [A NUMMER] ) is aandeelhouder met een aanmerkelijk belang, omdat hij, al dan niet met zijn partner 5% of meer van de aandelen heeft van [X] Hoofddorp Beheer B.V. (RSIN [B NUMMER] ). Aangezien arbeid wordt verricht, is sprake van de gebruikelijkloonregeling.

Voor aandeelhouders die arbeid verrichten ten behoeve van de vennootschap of coöperatie waarin zij een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001 hebben wordt het loon van de werknemer-aanmerkelijkbelanghouder (hierna AB-werknemer) bepaald op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (gebruikelijkloonregeling).

Aan de voorwaarden voor de gebruikelijkloonregeling wordt over de jaren 2010 tot en met 2013 niet

voldaan. Bij het beoordelen van het gebruikelijk loon hebben wij rekening gehouden met de ter

beschikking gestelde personenauto aan de heer [X] , die tevens privé is gebruikt.

6.2

Netto lonen

6.2.1

Bevindingen

Uit de bankbescheiden is mede gebleken dat er meer netto loon is uitbetaald dan dat er in de

salarisadministratie over het jaar 2013 is verantwoord. Bij analyse van de bankbescheiden bleek dat er meer netto loon was uitbetaald aan de bij ons bekend zijnde werknemers. Wij hebben onze bevindingen besproken met de heer [X] (directeur) en de heer [E] ( [C BEDRIJF] ).

Naar aanleiding van dit overleg zijn we overeengekomen dat over de jaren 2010 tot en met 2013 de

gebruikelijkloonregeling van toepassing is en de salarisadministratie over het jaar 2013 voor de overige werknemers op basis van de daadwerkelijke netto loonbetalingen zal worden aangepast.

(…)

6.3

Verhaal

De inhoudingsplichtige heeft aangegeven dat hij de loonheffing niet gaat verhalen op de

desbetreffende werknemers. Hierdoor zal de niet verhaalde loonheffing in het jaar van bewustwording (2015) als loon worden aangemerkt. Dit resulteert in de volgende naheffingsaanslag rekening houdend met het tabeltarief:

Naheffing

Jaar Te belasten loon Percentage Eindheffing Loonbelasting/premie

Volksverzekeringen

2015 € 39.950 72,4 € 28.634

Totaal € 39.950 € 28.634

6.4

Correctieverplichting/naheffingsaanslag

Tijdens het onderzoek is gebleken dat over de jaren 2010 tot en met 2013 de ingediende

loonaangiften niet juist zijn.

Na overleg zijn we overeengekomen dat de salarisadministratie over de jaren 2010 tot en met 2013 op basis van de daadwerkelijke netto loonbetalingen zal worden aangepast. Dit is gebeurd en de heer [E] heeft aan de Belastingdienst deze nieuwe salarisadministratie aangeboden ter controle. De nieuwe salarisadministratie werd in overleg met inhoudingsplichtige en de heer [E] besproken en is akkoord bevonden.

Op grond van artikel 28a, lid 2 Wet op de loonbelasting 1964 hebben wij bij inhoudingsplichtige de correctieverplichting opgelegd, waarmee hij wordt verplicht om door middel van correctieberichten alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

Diverse keren is inhoudingsplichtige, via de heer [E] (salarisadministrateur), verzocht om de juiste gegevens van de nieuwe salarisadministratie middels correctieberichten door te geven. Echter aan dit verzoek kon de heer [E] geen gehoor geven, omdat de heer [X] daarvoor geen toestemming geeft.

Aangezien na herhaaldelijk verzoek er geen correctieberichten zijn ingezonden, gaan wij over tot het opleggen van naheffingsaanslagen.

(…)”

11. Verweerder heeft het verschil tussen de verschuldigde loonheffingen over de jaren 2010 tot en met 2013 volgens de aangepaste en de oorspronkelijke loonadministratie nageheven.

12. Eiseres heeft tijdens het boekenonderzoek aangegeven dat zij de alsnog verschuldigde loonheffingen niet gaat verhalen. Verweerder heeft de niet-verhaalde loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) over de jaren 2010 tot en met 2013 aangemerkt als loon in het jaar waarin eiseres van verhaal heeft afgezien, te weten het jaar 2015, en hierover nageheven.

Geschil
13. In geschil is of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2010 niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden en voorts of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

14. Eiseres stelt te overwegen de nageheven loonheffingen inzake de netto-lonen te gaan verhalen op grond van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB). Eiseres betoogt dat de in artikel 12a, derde lid, van de Wet LB genoemde € 5.000-grens op [X] van toepassing was. Verder dient volgens eiseres rekening te worden gehouden met het feit dat managementfees zijn doorbelast alsmede met het feit dat [X] ziek is geweest, behandelingen moest ondergaan en in de desbetreffende jaren niet in staat was om fulltime te werken. Met betrekking tot het jaar 2010 stelt eiseres dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen.

15. Verweerder neemt in de procedure die ziet op de naheffingsaanslag voor het jaar 2010 het standpunt in dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, en concludeert dat dat beroep gegrond is. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen zelf stelt verweerder dat de bewijslast bij eiseres ligt; het gaat om correcties op basis van de gebruikelijk-loonregeling. Verder stelt verweerder dat eiseres in de jaren 2010 tot en met 2013 netto-loonbetalingen heeft gedaan aan haar werknemers die niet in de aangiften zijn verwerkt. Eiseres moet zich hiervan bewust zijn geweest. De naheffingsaanslagen zijn volgens verweerder terecht opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen die zien op de jaren 2011 tot en met 2013 en 2015.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar tegen naheffingsaanslag 2010

17. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

18. De naheffingsaanslag is gedagtekend 1 december 2015. Gesteld noch gebleken is dat de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 2 december 2015. Alsdan had het bezwaarschrift uiterlijk op 12 januari 2016 bij verweerder ingediend moeten worden, dan wel, bij ter post bezorging uiterlijk op deze dag, door verweerder uiterlijk op 19 januari 2016 moeten zijn ontvangen. Verweerder stelt dat hij het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag eerst op 21 januari 2016 heeft ontvangen en verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar het op het bezwaarschrift aangebrachte datumstempel. Eiseres heeft volstaan met de stelling dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt, doch heeft niet concreet aan kunnen geven op welke datum zij het bezwaarschrift heeft verzonden, laat staan dat zij enige onderbouwing van deze verzending heeft overgelegd. Ook van een aangetekende verzending ontbreekt bewijs. Dat eiseres daar niet (meer) over beschikt, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico dient te blijven.

De rechtbank beschikt over het door verweerder op het bezwaarschrift geplaatste stempel van ontvangst, met als datum 21 januari 2016. Gelet hierop dient als bewijsrechtelijk uitgangspunt te worden aanvaard dat de terpostbezorging kort voor 21 januari 2016 heeft plaatsgevonden (vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8262). De rechtbank is van oordeel dat eiseres, met hetgeen zij heeft aangevoerd, dit bewijsrechtelijke uitgangspunt niet heeft ontkracht. Dat betekent dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn is ingediend.

19. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin een belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op privéomstandigheden van [X] in de jaren 2014 en 2015. De rechtbank acht deze stelling te algemeen van aard. Daarnaast is sprake van oorzaken die zich gedurende langere tijd voordeden en die derhalve niet een aan het einde van de bezwaartermijn onverwachte gebeurtenis vormen. Eiseres had dan ook tijdig maatregelen kunnen treffen om die overschrijding te voorkomen. Zo had zij niet-ontvankelijkheid kunnen voorkomen door het (laten) indienen van een pro-forma bezwaarschrift, waarbij de rechtbank nog in aanmerking neemt dat eiseres beschikte over een administrateur, die voor haar bezwaar had kunnen maken. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor toepassing van artikel 6:11 van de Awb. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep dat ziet op 2010 dient dan ook gegrond te worden verklaard. Gelet op het voorgaande wordt aan een inhoudelijke beoordeling van dit beroep niet meer toegekomen.

Naheffingsaanslagen 2011, 2012 en 2013

20. Artikel 12a, van de Wet LB (tekst 2011) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in een kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op € 41.000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. Indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een hoger loon gebruikelijk is, wordt het loon gesteld op een zodanig bedrag dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, met dien verstande dat – indien bij het lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in dienst zijn – het niet lager wordt gesteld dan het hoogste loon van de overige werknemers.

(…)

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bij toepassing van het eerste en tweede lid vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, en – als het lichaam tot een concern behoort – de tot hetzelfde concern behorende andere lichamen, in het kalenderjaar niet hoger is dan € 5.000.”

In 2012 en 2013 was de wettekst gelijkluidend, met dien verstande dat in het eerste lid € 42.000 respectievelijk € 43.000 als bedrag werd vermeld.

21. Ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel d, van de Wet LB wordt – voor zover hiervan belang – als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.

22. Vaststaat dat [X] werkzaamheden voor eiseres heeft verricht en dat hij een aanmerkelijk belang had in eiseres. Dat betekent dat de zogenoemde gebruikelijk-loonregeling van toepassing is en eiseres de bedragen als opgenomen in artikel 12a van de Wet LB in de aangiften loonheffingen had moeten opnemen. Eiseres heeft voor [X] echter voor 2011 een bedrag van € 19.547 en voor de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen loon in aanmerking genomen.

23. De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat in het onderwerpelijke geval redenen waren om een lager loon (in 2011) dan het wettelijke normbedrag dan wel in het geheel geen loon (in 2012 en 2013) in aanmerking te nemen. Eiseres heeft daartoe gesteld dat [X] ten gevolge van gezondheidsproblemen slechts in staat was om parttime te werken en vanaf medio 2013 in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat deze enkele stelling van eiseres, die niet is geconcretiseerd laat staan onderbouwd, onvoldoende aanleiding vormt om af te wijken van de normbedragen.

24. Eiseres heeft zich in dit verband ook beroepen op artikel 12a, derde lid, van de Wet LB (tekst tot en met 2013). Eiseres heeft in dit verband in het geheel geen feiten gesteld laat staan aannemelijk gemaakt, die tot toepassing van deze bepaling aanleiding geven. Voorts doet de stelling van eiseres dat sprake was van doorbelaste managementfees aan het voorgaande niets af. De rechtbank kan hiervoor geen enkele aanwijzing vinden in het rapport van het boekenonderzoek of in de overige gedingstukken.

25. Eiseres heeft in beroep eerst ter zitting de correcties met betrekking tot de werknemers [B] , [C] en [D] betwist. De rechtbank overweegt dat voor de naheffing ter zake van genoemde correcties - de berekening van de netto-loonbetalingen die aan deze werknemers zijn gedaan doch niet in de aangiften waren opgenomen en ter zake waarvan geen afdracht heeft plaatsgevonden - is uitgegaan van de door de administrateur van eiseres, [E] , aangepaste loonadministratie. Eiseres heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd waarom thans afgeweken zou moeten worden van deze gegevens.

26. Het betoog van eiseres dat verweerder in eerste instantie moet naheffen dan wel navorderen bij de werknemer, vindt geen steun in het recht. Voor de loonheffing, zijnde een voorheffing op de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (ib/pvv), zijn er twee verantwoordelijken, te weten de werkgever en de werknemer als respectievelijk inhoudingsplichtige en belastingplichtige. Indien te weinig loonheffing is geheven, heeft verweerder de keuze om een naheffingsaanslag in de loonheffing op te leggen aan de werknemer, een naheffingsaanslag in de loonheffing op te leggen aan de inhoudingsplichtige of het loonbestanddeel ten laste van de werknemer in de ib/pvv te betrekken. In beginsel is verweerder vrij in deze keuze, mits hij daarmee blijft binnen de grenzen van de beginselen van behoorlijk bestuur en het systeem van de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er in het onderhavige geval voor verweerder geen enkele aanleiding om de onderhavige correcties niet bij de werkgever na te heffen.

Naheffingsaanslag 2015

27. Verweerder heeft over het jaar 2015 de loonheffing ter zake van de naheffing in 2013 met betrekking tot de netto-loonbetalingen aan de werknemers [B] , [C] en [D] en de naheffing over de jaren 2010 tot en met 2013 met betrekking tot het gebruikelijk loon als loon aangemerkt. Vaststaat dat eiseres de loonheffing in de betreffende jaren niet heeft verhaald op de werknemers. De enkele verklaring van eiseres dat zij voornemens is deze loonheffing alsnog te gaan verhalen, acht de rechtbank onvoldoende. Verweerder heeft daarom het voor de werknemers ontstane voordeel terecht gebruteerd en over het jaar 2015 nageheven bij eiseres. In de van hem afkomstige stukken heeft verweerder overigens ten onrechte vermeld dat het voordeel € 39.950 bedraagt. Indien de over 2010 tot en met 2013 nageheven bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen bij elkaar worden opgeteld, resulteert dit in het bedrag van € 39.550. Gezien het nageheven bedrag van € 28.634 en het tarief van 72,4% heeft verweerder wel met het juiste bedrag (€ 39.550) gerekend, zodat niet kan worden gezegd dat verweerder over 2015 te veel heeft nageheven.

Slotsom

28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ten aanzien van 2010 gegrond en de beroepen ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2013 en 2015 ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. In verband met de gegrondverklaring van het beroep ten aanzien van 2010 veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met betrekking tot 2011 tot en met 2013 en 2015 ongegrond;

- verklaart het beroep met betrekking tot 2010 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar die ziet op 2010;

- verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2010 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.