Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:5193

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
15/192467-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met twee medeverdachten schuldig gemaakt aan afpersing. De nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van die afpersing leidt de rechtbank af uit gedragingen verricht voorafgaand aan de afpersing, namelijk gedragingen verband houdende met een geplande woningoverval. Opgelegd wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/192467-18 (P)

Uitspraakdatum: 29 mei 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toegestane wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 28 september 2018 te Wijdenes, gemeente Drechterland op de openbare weg de [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Iphone) en/of een simkaartpakket en/of een sleutelbos, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of (één van) zijn mededader(s)
- (meermalen) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gezegd/geroepen "Geld, nu meteen, haal je zakken leeg" en/of
- (vervolgens) een of meerdere vuurwapen(s), althans (een) daarop gelijkend(e) voorwerp(en), heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) heeft/hebben doorgeladen en/of
- (met kracht) [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt in het gezicht en/of op/tegen het hoofd;

subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 28 september 2018 te Wijdenes, gemeente Drechterland op de openbare weg de [adres] , tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Iphone) en/of een simkaartpakket en/of een sleutelbos, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat
- (meermalen) tegen voornoemde [slachtoffer] is gezegd/geroepen "Geld, nu meteen, haal je zakken leeg" en/of
- (vervolgens) een of meerdere vuurwapen(s), althans (een) daarop gelijkend(e) voorwerp(en), zijn getoond en/of (vervolgens) doorgeladen en/of
- (met kracht) [slachtoffer] is geslagen en/of gestompt in het gezicht en/of op/tegen het hoofd;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 september 2018 te Wijdenes, gemeente Drechterland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- in de directe nabijheid van de plaats van het misdrijf zich (met een auto) op te houden en/of op de uitkijk te gaan staan, teneinde die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] bij gevaar voor betrapping van zijn/hun misdrijf, te waarschuwen en/of

- met een auto die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of na de gepleegde overval van de plaats van het misdrijf naar elders te vervoeren.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van afpersing. Hierbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte samen met twee medeverdachten kennelijk van plan was een ander strafbaar feit te plegen dan het beroven van aangever [slachtoffer] , namelijk het plegen van een woningoverval op het adres [adres] te Wijdenes. De verdachten hebben, nadat [slachtoffer] in de nacht bij die woning was gearriveerd, en hen daarbij bij hun ‘activiteiten’ stoorde, [slachtoffer] beroofd van zijn telefoon en andere goederen. De officier van justitie heeft haar standpunt nader onderbouwd met diverse bijzonderheden, zoals die uit het dossier naar voren komen. Nu de beroving van aangever slechts een “bijproduct” is van een meeromvattend plan van alle drie de verdachten tezamen, is volgens de officier van justitie niet relevant welke twee van de drie verdachten aangever feitelijk hebben beroofd. Alle drie de verdachten hebben zich dan ook schuldig gemaakt aan medeplegen van afpersing.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde, te weten medeplegen van afpersing respectievelijk medeplichtigheid aan afpersing.

Daartoe heeft de raadsman zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat verdachte de derde persoon is geweest over wie aangever heeft verklaard, namelijk de persoon die op het moment van de beroving door de twee medeverdachten op enige afstand bij een auto stond. Hieromtrent heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij samen met de medeverdachten onderweg met de auto is gestopt, dat hij uit de auto is gestapt om frisse lucht te happen en niet weet wat de andere twee verdachten toen deden. Voorts heeft hij verklaard dat hij geen wetenschap had van enig plan van de medeverdachten om aangever te beroven. Uit het dossier kan volgens de raadsman niet worden afgeleid dat verdachte, als de derde persoon die bij de auto stond, een bijdrage daaraan of enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Evenmin kan worden vastgesteld dat sprake was een vooropgezet plan om aangever te beroven. Ook overigens biedt het dossier geen enkele steun voor het aannemen van enige betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde, nu bij hem geen belastende goederen zijn gevonden en op het aangetroffen wapen geen DNA van hem aanwezig was. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman nog aangevoerd dat verdachte niet in het bezit van een rijbewijs is en dat hij daarom niet medeplichtig kan zijn geweest op basis van een eventuele rol als bestuurder van de (vlucht)auto.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis vervat.

Bewijsoverweging

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee medeverdachten.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat niet is uitgesloten dat het medeplegen van het verweten misdrijf – in het onderhavige geval de afpersing van aangever – reeds is ontstaan in de (voor medeplegen voldoende mate van) samenwerking in strafbare gedragingen van verdachten voorafgaand aan dat verweten misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

Blijkens de getuigenverklaring van [getuige] , woonachtig op het adres [adres] , heeft een bekende van haar, genaamd [naam] “de jongens” getipt om bij “ons” (de rechtbank begrijpt: [familie getuige] , woonachtig op het adres [adres] ) te komen.

De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de afstand tussen de plaats van het delict en de plaats van aanhouding alsmede de tijdstippen waarop de afpersing en de aanhouding plaatsvonden, dat de drie verdachten met de BMW, kenteken [kenteken] , van de woning weggereden zijn naar het Van der Valkhotel en vervolgens aldaar op 28 september 2018 omstreeks 2.51 uur aangehouden zijn. Deze auto betrof een door [naam] van de eigenaar gehuurde auto, waarin kentekenplaten zijn aangetroffen – in de nacht van 26 of 27 september 2018 gestolen –, kennelijk met de bedoeling om het traceren van de (vlucht)auto te bemoeilijken. Overigens is niet duidelijk geworden of (één van de) verdachten deze auto gestolen (heeft) hebben of dat [naam] de auto aan (één van) de verdachten ter beschikking heeft gesteld. In/op diezelfde auto zijn na de aanhouding van de verdachten twee Alcatel telefoons aangetroffen en bij het uitlezen daarvan is gebleken dat beide telefoons op 28 september 2018 vanaf 0.46 uur respectievelijk 1.33 uur een zendmast aanstraalden die is gevestigd in de directe omgeving van de plaats delict. De verdachten bevonden zich dan ook al geruime tijd vóór het moment van de afpersing van aangever, welke plaatsvond omstreeks 2.25 uur, in de nabijheid van voornoemde woning.

Verder blijkt uit de verklaring van [getuige] voornoemd dat de woning is omsloten door een sloot, rondom. Een toegangshek vormt de enige toegang tot de woning. Via dat hek komt men in de tuin bij de woning. Het hek is afgesloten. Dat de verdachten al eerder op het (afgesloten) terrein van die woning aanwezig waren, blijkt uit de getuigenverklaring van [getuige] , waarin zij heeft verklaard dat zij rond 2.00 uur de eenden hoorde aan de linkerzijde van de woning die hoogstwaarschijnlijk door de komst van de verdachten waren opgeschrikt. Alle drie de verdachten zijn daadwerkelijk op het afgesloten terrein rondom de woning geweest. [getuige] heeft immers gezien dat twee personen in de tuin over het hek richting de openbare weg klommen en dat een derde persoon langs het keukenraam rende. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [slachtoffer] , de aangever.

Gelet op het voorgaande, in samenhang met het nachtelijk tijdstip, de omstandigheid dat geen van de verdachten in relatie tot de bewoners van de woning aan de [adres] stond, de ligging van de woning en de goederen die de verdachten dan wel een van hen bij zich droeg(en), te weten een sporttas, een of meer vuurwapens, duct-tape en tie-wraps, is de rechtbank van oordeel dat de verdachten zich bij de woning bevonden met het vooropgezette plan om die woning te overvallen, waarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten. Geen van de verdachten heeft bij de politie een inhoudelijke, concrete verklaring willen afleggen over hun aanwezigheid bij de woning in die nacht en de bij hen aangetroffen spullen, behoudens over de duct-tape en tie-wraps.

De rechtbank leidt uit voornoemde omstandigheden en de overige inhoud van het procesdossier af dat de verdachten in het uitvoeren van hun plan tot woningoverval zijn gestoord door de komst van aangever [slachtoffer] op de Vespa scooter bij de woning omstreeks 2.25 uur. Aangever is na zijn aankomst geslagen en heeft onder bedreiging van een vuurwapen zijn iPhone, een simkaartpakket en de sleutel van de Vespa scooter afgestaan. Twee van de drie verdachten hebben deze afpersing feitelijk uitgevoerd. Daarbij hebben zij het wapen gebruikt dat door de politie in de vluchtauto is aangetroffen en waarop DNA van zowel [medeverdachte 2] (hoofdprofiel) zelf als van [medeverdachte 1] werd aangetroffen. Een tweede vuurwapen, waarover aangever [slachtoffer] heeft verklaard, is niet bij verdachten aangetroffen. Dit geldt wel voor de buitgemaakte iPhone, die bij hen in de vluchtauto is aangetroffen en de scootersleutels die in de jaszak van [medeverdachte 2] zijn terug gevonden.

Niet duidelijk is geworden welke twee verdachten degenen zijn geweest die de feitelijke handelingen bij de afpersing hebben uitgevoerd, terwijl de derde verdachte blijkens de verklaring van aangever, bij de gereedstaande auto stond waarin het drietal ongeveer 20 minuten later door de politie is aangetroffen. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of alle drie de verdachten als medepleger van de afpersing kunnen worden aangemerkt. Daartoe moet de vraag worden beantwoord of de voor het medeplegen van die afpersing relevante samenwerking reeds is ontstaan in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de woningoverval. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu niet is gebleken dat één van de verdachten zich na de aankomst van de aangever ter plaatse nadrukkelijk heeft gedistantieerd. Ieder van hen was ter plaatse toen aangever arriveerde en vervolgens, direct aansluitend, op het oprijpad dat toegang tot de woning geeft, afgeperst werd. Gelet hierop geldt naar het oordeel van de rechtbank dat er tussen hen niet alleen een nauwe en bewuste samenwerking bestond die was gericht op de geplande woningoverval, maar dat het bij gelegenheid van hun vlucht gepleegde misdrijf, namelijk de afpersing van de onverwacht ter plaatse verschenen aangever [slachtoffer] , ook tezamen en in vereniging is gepleegd. Dat de afpersing van aangever niet vooraf was besproken, maakt voormeld oordeel niet anders, nu de rechtbank de afpersing beschouwt als een rechtstreeks voortvloeisel uit de geplande woningoverval. Dat de derde persoon bij de auto geen feitelijke handelingen betreffende de afpersing heeft verricht, maakt dat oordeel evenmin anders. Immers, nu deze persoon had ingestemd met het plegen van een gewapende woningoverval, zich vervolgens niet gedistantieerd heeft toen zich een onvoorziene omstandigheid in de vorm van de komst van aangever voordeed, is de rechtbank van oordeel dat hij impliciet toestemming heeft gegeven voor het plegen van een minder omvattend vermogensdelict, te weten de afpersing van aangever.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 september 2018 te Wijdenes, gemeente Drechterland, op de openbare weg de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (iPhone) en een simkaartpakket en een sleutelbos, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorden, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of (één van) zijn mededaders
- tegen voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geroepen "Geld, nu meteen, haal je zakken leeg" en
- een of meerdere vuurwapens heeft/hebben getoond en een vuurwapen heeft doorgeladen en
- [slachtoffer] heeft/hebben geslagen in het gezicht.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de maatregel

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat met toepassing van het jeugdstrafrecht aan verdachte zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geïndiceerd geacht en de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht aan verdachte in plaats van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de Justitiële Documentatie van verdachte beperkt is en dat uit een plaatsing in de gesloten jeugdinrichting Harreveld in het verleden onder andere is gebleken dat verdachte daar goed functioneerde, dat hij op agressie laag scoorde en dat hij meewerkte aan zijn behandeling. Weliswaar blijkt uit de rapportages dat verdachte een lichte verstandelijke beperking heeft en dat hij verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, echter gelet op het voorgaande is oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een brug te ver en kan met een voorwaardelijke straf worden volstaan. Rekening houdend met de lange periode van het voorarrest zou een voorwaardelijke jeugddetentie van een à twee maanden volstaan, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het plan opgevat om in de nacht van 28 september 2018 een woning te overvallen. De spullen die verdachte en zijn medeverdachten bij zich droegen, onder meer een of meerdere wapens, duct-tape en tie-wraps, wijzen erop dat zij er niet voor schuwden om bij de uitvoering van dat misdrijf geweld te gebruiken. Het is de toevallige komst van aangever [slachtoffer] geweest die ervoor heeft gezorgd dat het plan is gewijzigd. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hem overvallen en zich daarmee schuldig gemaakt aan afpersing op de openbare weg, waarbij hem goederen op gewelddadige wijze afhandig zijn gemaakt. Daarbij heeft tenminste een van de daders het slachtoffer een wapen getoond en doorgeladen. Daarnaast is het slachtoffer in zijn gezicht geslagen. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachten heeft een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de bewoners van de woning waarop de overval was gemunt, de maatschappij in het algemeen, maar in het bijzonder op dat van het slachtoffer. De algemene ervaring leert dat zowel slachtoffers als getuigen van dergelijke feiten hiervan nog lange tijd psychische hinder kunnen ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 11 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

- het over verdachte (in een andere strafzaak) uitgebrachte Pro Justitia rapport gedateerd 3 maart 2019, opgesteld door D. Matser, psychiater. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Ondergetekende concludeert dat bij betrokkene sprake is van zwakbegaafdheid en van een norm-overschrijdend gedragsstoornis.

Betrokkene kan, vanuit zijn zwakbegaafdheid, in zijn algemeenheid minder goed oorzaak-gevolg relaties leggen en vooruitdenken. Vanuit zijn norm-overschrijdend gedragsstoornis is hij verminderd geneigd zich aan regels en conventies te houden en neemt hij een egocentrisch perspectief in waarbij hij gericht lijkt te zijn op met name doelen op de korte termijn (het bereiken van iets positiefs of het vermijden van iets negatiefs), veelal ten koste gaand van de doelen op langere termijn. Onderzoeker adviseert om de ten laste gelegde feiten hem in verminderde mate toe te rekenen.

Ondergetekende concludeert dat sprake is van een cognitieve beperking en een sociaal-emotionele achterstand (van ongeveer 5 jaar) en vanuit zijn persoonlijkheid is er dus geen reden om hem als meerderjarige te berechten.

Er is sprake van psychopathologie en ernstig disfunctioneren. De ernst van het ten laste gelegde wordt als ernstig ingeschat en het recidiverisico is sterk verhoogd. De ontwikkelingsmogelijkheden worden als beperkt ingeschat waarbij het eigen netwerk nauwelijks helpend is in het bereiken van doelen hierbij, hetgeen impliceert dat hij vooralsnog afhankelijk is van extern (professioneel) toezicht. In het verleden is gebleken dat het functioneren binnen een gesloten setting niet voorspellend is voor zijn functioneren in de vrije maatschappij. Hierbij zal hij begeleid moeten worden op instructieniveau en zal er een duidelijke dagstructuur voor hem moeten zijn waarbinnen hij zich kan bewegen. Dit zal binnen een juridisch (stevig) gedwongen kader moeten plaatsvinden.

Wanneer gekeken wordt naar de zorgbehoefte en de mogelijkheden tot beïnvloeding

van de risicofactoren van betrokkene wordt gezien dat er op een breed front nog veel geleerd moet worden. De leerbaarheid lijkt echter beperkt te zijn. In de gesprekken kan

niet worden gekomen tot beschouwingen, belevingen of analyses. Betrokkene lijkt hierbij

niet leerbaar op inzicht-niveau, maar zal middels structuur, instructie én toezicht in

hel gareel gehouden moeten worden. Het advies voor het behandelkader vanuit onderzoeker is om een begrenzende structuur en daginvulling vorm te geven binnen de kaders van een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Mocht betrokkene zich niet kunnen houden aan de voorwaarden, lijkt een omzetting naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel onafwendbaar waarbij plaatsing binnen een VIC-LVG of binnen Hoeve Bosschoord door onderzoeker als

meest passend wordt beschouwd.

- het over verdachte (in een andere strafzaak) uitgebrachte Pro Justitia rapport gedateerd 6 maart 2019 en de op deze zaak gerichte aanvulling daarop gedateerd 13 mei 2019, beide opgesteld door A.J. van de Linde, gz-psycholoog. Deze rapporten houden onder meer in:

Ondergetekende concludeert dat bij betrokkene sprake is van een cognitieve beperking (intelligentie op een grensvlak van zwakbegaafdheid en lichte verstandelijke beperking; IQ van 71) en een sociaal emotionele ontwikkelingsachterstand in combinatie met een norm-overschrijdend gedragsstoornis. Deze ontwikkelingsbeperking en stoornis waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig.

Volgens ondergetekende kan worden vastgesteld dat betrokkene een jongen is die vanwege zijn cognitieve en sociaal emotionele ontwikkelingsachterstand en vanwege de norm-overschrijdend gedragsstoornis die bij hem is vastgesteld op alle levensgebieden beperkt is in het sturing geven aan zijn eigen gedrag. Bij het ten laste gelegde gaat het om een in groepsverband gepleegd gewelddadig delict waarbij het aannemelijk is dat de beperkingen van betrokkene een rol hebben gespeeld. Indien bewezen geacht wordt geadviseerd betrokkene het ten laste gelegde daarom in verminderde mate toe te rekenen.

Gezien de aard van de problematiek en gezien de jonge leeftijd van betrokkene wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Bij betrokkene zijn meerdere risicofactoren die onder andere samenhangen met het gegeven dat hij zich eerder heeft onttrokken aan toezicht en interventies en dat er eerder delinquent gedrag is geweest, ook zijn er risico's in de vorm van problemen met het hanteren van boosheid, beperkingen in de copingvaardigheden en een gebrek aan empathie. Verder is er bij hem sprake geweest van geringe schoolprestaties en ook dit vormt een risicofactor. Een risicofactor is ook de beïnvloedbaarheid van betrokkene waarbij hij geneigd kan zijn mee te gaan in negatief gedrag van anderen.

Geadviseerd wordt de interventies ter beperking van het recidivegevaar en ter bevordering

van een positieve ontwikkeling van betrokkene te laten plaatsvinden binnen het juridisch ka­

der van een voorwaardelijke PIJ maatregel die, wanneer betrokkene zich niet aan de voor­

waarden houdt, kan worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank kan zich verenigen met de adviezen en conclusies van deze deskundigen in die zin dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en een norm-overschrijdend gedragsstoornis, dat deze condities aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde, dat dit de gedragskeuzes of gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde en dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate dient te worden toegerekend. Daarbij overweegt de rechtbank ten aanzien van de rapportage van de psychiater nog het volgende. Uit de rapportage blijkt dat deze is opgemaakt naar aanleiding van andere strafbare feiten dan het onderhavige bewezen verklaarde feit, namelijk mishandeling en bedreiging. Desondanks neemt de rechtbank de conclusies over, aangezien het een recent rapport is en evident is dat de problematiek die in deze rapportage is geconstateerd, gezien de aard daarvan, ook thans nog aanwezig is bij verdachte. De rechtbank maakt bovenstaande conclusies dan ook tot de hare.

- het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 15 maart 2019, opgesteld

door M. Haltman, werkzaam bij Reclassering Nederland. Dit rapport houdt onder meer in:

Betrokkene behoort tot de Top 400 aanpak. Tot op heden hebben de ingezette trajecten niet het gewenste resultaat gehad. Het lukte vanwege de wantrouwende en ongemotiveerde houding van betrokkene niet om te werken aan gedragsverandering. Ook zijn leerachterstand en de daaruit vloeiende gedragsproblematiek belemmert een positief verloop van zijn ontwikkeling. Het gedrag van betrokkene is zeer wisselend, wantrouwend en agressief te noemen.

Kijkend naar de delictgeschiedenis, de praktische leefgebieden en de problematiek van betrokkene is de kans op recidive en het risico op letselschade hoog.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen en betrokkene te veroordelen tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, deelname aan een daginvulling in de vorm van een leer- en werktraject, het verlenen van medewerking aan schuldhulpverlening en het vergroten van een positief ondersteunend netwerk.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om, met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het jeugdstrafrecht toe te passen, hoewel verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van 18 jaar had bereikt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de rapportages blijkt dat bij verdachte sprake is van een ontwikkelingsachterstand op sociaal emotioneel niveau. Daarbij heeft de psychiater geconcludeerd dat die achterstand ongeveer 5 jaar betreft. De rechtbank neemt daarbij eveneens in aanmerking dat de deskundigen, alsook de officier van justitie en de raadsman het op dit punt met elkaar eens zijn.

PIJ-maatregel

De rechtbank stelt allereerst vast dat het gepleegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Verder is de rechtbank op grond van voormelde rapportages van oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogen bestond en daarnaast dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Hierbij betrekt de rechtbank dat de kans op herhaling hoog wordt geschat en verdachte er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat een PIJ-maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank zal die PIJ-maatregel in voorwaardelijke vorm voor de duur van twee jaar opleggen en daaraan verbinden de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

De rechtbank acht - anders dan de raadsman - een voorwaardelijke jeugddetentie in dit geval niet passend. Uit bovengenoemd reclasseringsadvies blijkt dat begeleiding en ambulante behandelingen van verdachte in het verleden niet hebben bijdragen aan gedragsverandering, dit vanwege de wantrouwende, agressieve en ongemotiveerde houding van verdachte. Daarbij komt dat uit het psychologisch rapport blijkt dat verdachte zich eerder aan toezicht en interventies heeft onttrokken. Gelet daarop en de noodzaak van behandeling van verdachte acht de rechtbank oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel als forse(re) stok achter de deur op zijn plaats, opdat verdachte wordt gemotiveerd zich aan de voorwaarden te houden en daarnaast hem ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Nu zonder behandeling van verdachte er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zal de rechtbank op de voet van artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 77a, 77c, 77g, 77s, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Maatregel

Legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter anders gelast en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam zolang en zo frequentie als de reclassering dat nodig vindt;

  • -

    zich laat behandelen ten aanzien van zijn persoonlijke problemen door middel van ambulante outreachende zorg door Het Perspectief of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    deelneemt aan een daginvulling in de vorm van een leer- en werktraject voor jongeren;

  • -

    medewerking verleent aan het in kaart brengen van zijn financiële situatie en, indien nodig, wordt aangemeld voor schuldhulpverlening;

  • -

    medewerking verleent aan het vergroten van een positief ondersteunend netwerk.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Beveelt dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. I.H. Lips en mr. M.S. Lamboo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Bähr, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2019.

mr. Ph. Burgers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 28 september 2018 (doorgenummerde pagina’s 20 tot en met 24)

Ik ben vannacht 28 september 2018 tussen 02.00 uur en 02.30 uur in Wijdenes ter hoogte van de [adres] met geweld en onder bedreiging van een vuurwapen beroofd van mijn telefoon door twee jongens van een jaar of twintig schat ik. Ze waren met z'n drieën maar de beroving werd door twee van de drie gedaan. Het gebeurde voor het hek aan de voorkant van het huis. Dat is zo'n automatisch hek en dat zat dicht. Mijn telefoon die nu weg is, is van het merk Apple, type IPhone 7. Ik zat op dat moment nog op de scooter voor dat hek toen ik geluid hoorde. Voor mij rechts van het huis hoorde ik geluid van voetstappen. Ik zag in een flits mannen in van de criminele pakken en voor dat ik het wist sprong er een man over het hek waar ik voor stond. Die man stond ook nagenoeg gelijk voor mij en begon heel snel en hard tegen mij te praten. Ik hoorde zeggen: ‘Geld nu meteen, haal je zakken leeg.’ Er kwam ook een tweede man over het hek gesprongen en die kwam ook naar mij toe. Eén van de twee heeft het pistool ook doorgeladen door de bovenkant naar achter te trekken. Ik hoorde wel een metaalgeluid en dacht daardoor dat het echte pistolen waren. De eerste man die tegen mij sprak hield zijn pistool in zijn linkerhand. Hij sloeg mij met zijn rechterhand één keer op mijn rechterkant van mijn gezicht. De tweede man stond er meer bij met zijn pistool op mijn gericht en die eerste was echt met mij bezig. De eerste man riep laat je zakken zien, ik wil nu geld. Ik haalde mijn telefoon uit mijn broekzak en ook het simkaartpakketje. Hij pakte het allebei meteen uit mijn handen. Ik zag ook nog een derde man die wat meer op afstand was bij een auto. Die twee mannen gingen ineens rennen richting die auto. Die derde was al dicht bij die auto. Ze zijn in die auto gestapt en meteen weggereden.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 11 oktober 2018 (doorgenummerde pagina’s 75 tot en met 77)

Woonachtig op het adres [adres] te Wijdenes .

Ik zat beneden in de keuken, het was op 28 september 2018 omstreeks 02.10 uur. [slachtoffer] appte mij dat hij langs wilde komen. Ik was aan het wachten en ik wilde even kijken of [slachtoffer] mogelijk al zou komen. Ik ben vervolgens naar het raam gelopen van de keuken, vanaf daar heb je zicht op het hek. Toen ik keek was het ongeveer 02.12 uur. Ik keek dus naar het hek en ik zag niks op dat moment, ik hoorde wel de eenden aan de linkerzijde van de woning. Rond 02.25 uur ging ik weer kijken, ik keek door het rechterraam en dat raam heeft ook zicht op het hek wat toegang geeft tot onze tuin. Dat is de enige toegang tot onze woning. Rondom de woning ligt een sloot. Deze sloot is een meter of 2,5 breed. Ik zag dat er bij het hek beweging was; ik zag twee personen over het hek klimmen. Ik weet zeker dat twee personen vanuit onze tuin bezig waren om over het hek te klimmen naar de openbare weg toe.

Op dat moment zag ik een andere persoon onze tuin in rennen. Ik zag dat hij over het oprijpad richting de schuur rende, ik zag dat hij langs de keuken rende.

Ik ben daarna naar de woonkamer gerend en daar heb ik het meest linkse raam opengedaan. Ik heb vervolgens geschreeuwd, “wie zijn dat”, daarbij zag ik dat er drie personen weg renden. Ik zag dat zij wegrenden over het gras, dat was buiten onze tuin.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 28 september 2018 (doorgenummerde pagina 18)

Op 28 september 2018, omstreeks 2.30 uur, hoorden wij dat de centralist van het Operationeel Centrum te Alkmaar ons verzocht te gaan naar het adres [adres] te Wijdenes . Onmiddellijk begaven wij ons naar het opgegeven adres. Ter plaatse zagen wij dat er een man op ons af kwam lopen die zich voorstelde als [naam] . Op de vraag wat er gebeurd was hoorde wij [naam] zeggen: "De vriend van mijn dochter kwam met de scooter naar ons huis. Toen hij voor het hek stond sprongen er drie mannen over het hek. Deze mannen stonden dus al in onze tuin.”

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 28 september 2018 (doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 29)

Op 28 september 2018 hoorden wij dat eenheden werden gestuurd naar het [adres] te Wijdenes. De daders van de overval zouden zijn weggereden in een auto in de richting van Zuiderdijk. Van de daders was bekend dat zij met een Marokkaans accent praatten. In verband met gebiedsdekking besloten wij in het Hoornse te blijven, maar wel positie in te nemen op de kruising Provincialeweg N506, Kernweg en de Scheldeweg. Vanaf deze positie hadden wij zicht op wat er vanaf de Westerdijk kwam in de richting van Hoorn en wat er vanaf de N506 kwam uit de richting van Wijdenes in de richting van Hoorn.

Wij wisten dat er drie personen bij de diefstal met geweld betrokken waren. Na ongeveer 2 minuten zagen wij dat een voertuig ons passeerde, dit was een BMW 1 serie. Doordat wij ons grote zoeklicht op het dak aan hadden konden wij in het donker vrij goed zien dat er drie jonge manspersonen in het voertuig zaten, welke donker haar hadden en blanke tot lichtgetinte huidskleur hadden. Wij zagen dat het voertuig voorzien was van het kenteken [kenteken] . Wij hebben direct een stopteken gegevens middels verlicht transparant aan de voorzijde van ons voertuig. Wij zagen dat het voertuig de eerste mogelijkheid langs de weg, waar hij kon stoppen oversloeg en door bleef rijden in de richting van het Van der Valk hotel. Hierop hebben wij kort de blauwe zwaailichten aangezet. Wij zagen dat het voertuig vervolgens richting aan gaf naar rechts om het terrein van Hotel Van der Valk op te rijden. Wij zagen dat het voertuig vervolgens ook daadwerkelijk het terrein op reed en stopte voor de slagbomen aldaar. We hebben hierop meteen de portieren van het voertuig open getrokken en geroepen dat zij hun handen omhoog moesten houden. Wij zagen dat er in het voertuig drie jongens zaten met een Turks/Marokkaans uiterlijk.

De bestuurder van het voertuig bleek later te zijn: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

De persoon aan de kant van de bijrijder bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

De persoon die achter de bijrijder zat, bleek later te zijn: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Ik zag dat deze persoon een mobiele telefoon op het dak van de auto legde.

Wij, verbalisanten, hebben in het voertuig gekeken. Wij zagen in dit voertuig de volgende goederen liggen:

- 2 kentekenplaten met kenteken [kenteken] , welke thuishoren op een zwarte BMW 1 serie en welke in het verleden al 2 keer zijn gestolen;
- 2 mobiele telefoons van het merk Alcatel;

- 1 mobiele telefoon van het merk Apple. Deze telefoon lag onder de bijrijdersstoel van het voertuig;
- 1 vuurwapen.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 30 september 2018 (doorgenummerde pagina 104)

Ik raadpleegde het politiecomputersysteem op het kenteken [kenteken] . Ik zag vervolgens dat dit voertuig per 28 september 2018 voor diefstal gesignaleerd stond bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer middels de code A87.

In het betreffende voertuig zijn gestolen kentekenplaten aangetroffen met de combinatie [kenteken] . Deze bleken bij navraag van een BMW te zijn afgehaald op de [straat] te Amsterdam in de avond en nacht van 27 op 28 september 2018.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 24 oktober 2018 (los processtuk)

Uit de printlijsten van beide Alcatel telefoons blijkt dat er gebruik wordt gemaakt van de provider KPN. De dichtstbijzijnde KPN zendmast ten opzichte van de plaats delict [adres] te Wijdenes is KPN zendmast nr. 314048439, welke is gevestigd aan de Hemmerbuurt 123 te Hem.

Zendmastaanstraling KPN zendmast 314048439 van beide Alcatel telefoons van 28 september 2018.

Uit de printlijsten van beide Alcatel telefoons blijkt dat de volgende gebruikers op 28 september 2018 de volgende tijdstippen de eerder genoemde zendmast aanstralen:

De gebruiker van IMEI-nummer 357083088231340 ( [telefoonnummer 1] )

01.33.52 uur en 01.38.28 uur.

De gebruiker van IMEI-nummer 357083088231522 ( [telefoonnummer 2] )

00.46.29 uur, 00.46.30 uur, 00.46.34 uur, 01.33.52 uur, 01.34.41 uur, 01.35.05 uur, 01.38.28,

01.58.57, 01.59.35 en 02.17.18 uur.

Uit de gegevens van het zendmastgebied van de bedoelde zendmast blijkt dat het plaats delict van de straatroof aan de [adres] te Wijdenes binnen dit gebied valt.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 1 november 2018 (doorgenummerde pagina’s 130 tot en met 132)
Ik heb onderzoek gedaan naar de reistijd vanaf de plaats delict van de overval, de [adres] te Wijdenes, tot de locatie waar de BMW met kenteken [kenteken] voor het eerst door de politie werd gezien.

Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat er ongeveer 18 à 19 minuten heeft gezeten tussen het tijdstip van vertrek van de daders van de beroving vanaf de plaats delict, de [adres] te Wijdenes, en het zien rijden van de BMW [kenteken] op de Provincialeweg N506 bij de kruising Kernweg/Scheldeweg te Hoorn. Uit de routeplanner van Google Maps blijkt dat de reistijd tussen de [adres] te Wijdenes en de Provincialeweg N506 bij de kruising Kernweg/Scheldeweg te Hoorn ongeveer 16 à 17 minuten bedraagt.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 28 september 2018 (doorgenummerde pagina 37)

Tijdens de insluitingsfouillering van [medeverdachte 1] op 28 september 2018 trof ik in de rechterjaszak aan een prop van (vermoedelijk) duct-tape en twee tie-wraps aan.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 28 september 2018 (doorgenummerde pagina 34)

Tijdens de insluiting van verdachte [medeverdachte 2] trof ik in de jaszak van [medeverdachte 2] een sleutelbos aan met Vespasleutels.

Een proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever [slachtoffer] van 29 september 2018 (doorgenummerde pagina 67)

V: Ik begreep van jou dat die daders deze sleutels [de rechtbank begrijpt: de sleutels van de scooter] ook hebben weggenomen. Kun je vertellen hoe dat is gegaan?

A: Dat heb ik zelf niet door gehad. Ik keek naar de grond. De sleutels zaten op dat moment nog in de scooter. Ik weet het dus niet. Ik hoorde later van mijn vriendin en de politie dat deze sleutels dus ook weg waren.

V: Ik toon jou nu een sleutelbos met daaraan 3 sleutels. Wat is hierop jouw reactie?
A: Ja, dat is de sleutelbos waarover ik spreek. Ik herken de sleutelhanger en de sleutels. U ziet dat er van één van de sleutels een stuk af is.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 30 september 2018 (doorgenummerde pagina 72)

In de auto, waarin de drie aangehouden verdachten reden kort voordat zij werden aangehouden, werd een mobiele telefoon van het merk Apple aangetroffen. Deze mobiele telefoon werd getoond aan aangever [slachtoffer] . Hij verklaarde de telefoon te herkennen als zijn eigendom. Eerder had aangever [slachtoffer] verklaard dat de ontgrendelcode van zijn mobiele telefoon [code] was. Op het politiebureau sloot ik de in beslag genomen iPhone aan op de oplader van [slachtoffer] . Ik zag op het scherm dat de batterij begon op te laden en ik zag dat er een ontgrendelcode werd gevraagd. Hierop voerde ik de cijfers [code] in. Ik zag dat de telefoon ontgrendeld werd.

Een proces-verbaal van biologisch vooronderzoek van [verbalisant] van 1 oktober 2018 (doorgenummerde pagina 46)

In verband met een straatroof te Wijdenes in de gemeente Drechterland op 28 september

2018 werd op verzoek van de Eenheid Noord-Holland door ons een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager.

Sporendrager

Goednummer: PL1100-2018187868-934545

Object: Vuurwapen (pistool).

Ik heb de ruwe delen van het vuurwapen (AALW9354NL) bemonsterd met behulp van een wattenstaafje op de mogelijke aanwezigheid van dragermateriaal c.q. op mogelijk aanwezige gebruikssporen. Ik heb de sporen separaat veiliggesteld in een envelop, gewaarmerkt met SIN AALW9354NL (…) en verzegeld.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 januari 2019 (los processtuk)

SIN Beschrijving DNA-profiel DNA kan afkomstig zijn van Bewijskracht

AALW9354NL#01 DNA-mengprofiel van

(ruwe delen) minimaal vier personen verdachte [medeverdachte 2] kleiner dan

1 op 1 miljard

Afgeleid van DNA hoofdprofiel verdachte [medeverdachte 1]

en minimaal twee

andere personen

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek Nederlands Forensisch

Voor het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte R. [medeverdachte 1] en DNA-mengprofiel AALW9354NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:

  • -

    bemonstering AALW9354NL#01 bevat DNA van vier personen;

  • -

    verdachte [medeverdachte 2] is donor van een relatief grote hoeveelheid DNA in deze bemonstering;

  • -

    de onbekende personen in dit mengsel zijn niet onderling of aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verwant.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en twee willekeurige onbekende personen.

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en drie willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AALW9354NL#01 is circa 3 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Het proces-verbaal van onderzoek wapen van [verbalisant] van 27 november 2018 (doorgenummerde pagina 49)

Goednummer: PL1100-2018187868-934545

Wapen
Het onderzochte voorwerp is een wapen. Het is een alarmpistool in het kaliber 9 millimeter P.A.K.

Munitie
Bij het wapen zijn 11 patronen aanwezig.

Juridische omschrijving:
Gezien het vorenstaande is dit start/alarmpistool een wapen, in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.

Noot verbalisant: Deze wapens hebben de uiterlijke vorm van echte pistolen en revolvers waardoor ze voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. Deze alarmwapens zijn geschikt om alarmpatronen af te vuren. De gasuitlaat (geen loop) staat loodrecht op de lengte richting van de veronderstelde loop.