Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4970

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5601
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een informatiebeschikking afgegeven in verband met door haar in het buitenland gehouden vermogen. De informatiebeschikking is kort voor de zitting bij de rechtbank, op 29 maart 2019, vernietigd door verweerder. Eiseres heeft verzocht om een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten. In geschil is of eiseres daar recht op heeft. De rechtbank volgt eiseres niet in haar primaire standpunt dat ten tijde van het afgeven van de informatiebeschikking dan wel ten tijde van de uitspraak op bezwaar, waarbij (een deel van) de informatiebeschikking is gehandhaafd, sprake is van het geven van een (informatie)beschikking/uitspraak op bezwaar terwijl op dat moment duidelijk is dat die (informatie)beschikking/uitspraak op bezwaar in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Ook van in vergaande mate van onzorgvuldig handelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zowel de informatiebeschikking als de uitspraak op bezwaar zijn van vóór de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 waarin de Hoge Raad uitleg geeft over de vraag wanneer inkomen in het buitenland opkomt in de zin van artikel 16, vierde lid, van de AWR. De rechtbank ziet wel aanleiding eiseres te volgen in haar subsidiaire standpunt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld door de informatiebeschikking tot kort voor de zitting bij de rechtbank te handhaven terwijl de arresten van de Hoge Raad dateren van 16 maart 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-07-2019
FutD 2019-1975
V-N Vandaag 2019/1757
V-N 2019/48.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 27 juni 2017 een informatiebeschikking genomen met betrekking tot aan eiseres op te leggen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2005 tot en met 2008.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van eiseres (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is ongehuwd en woonachtig in Amsterdam. Vanaf 2005 is zij in loondienst geweest bij [A BEDRIJF] BV. Vanaf 2008 is zij in loondienst bij [B BEDRIJF] BV. De heer [A] is eigenaar van deze onderneming. Eiseres ontvangt jaarlijks een inkomen van ongeveer € 41.000.

2. Bij brief van 2 september 2016 heeft eiseres opgave gedaan van door haar in het buitenland gehouden vermogen. Het betreft een bankrekening die zij in 2008 heeft geopend bij de UBS bank in Zwitserland en waarop zij een bedrag van € 115.000 heeft gestort.

3. Bij brief van 4 oktober 2016 is eiseres in de gelegenheid gesteld vóór 5 december 2016 middels het formulier ‘Verklaring vrijwillige verbetering’ nadere informatie te verstrekken.

4. In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiseres, bij brief van 30 januari 2017, de volgende informatie verstrekt:

Opening

De rekening, bestaande uit meerdere subrekeningen, is door [eiseres] geopend op 15 december 2008. Het openingsformulier treft u bijgaand aan (bijlage 1). De portfolio-overzichten over de jaren 2008 tot en met 2015 treft u bijgaand aan (bijlage 2).

Stortingen

Het in 2008 gestorte saldo is in de jaren daarvoor in Nederland opgebouwd en vervolgens in 2008 in contanten overgebracht en gestort op de Zwitserse bankrekening. Verdere stortingen hebben niet plaatsgevonden.

Opnames

Zoals ook blijkt uit de bijgevoegde mutatie-overzichten (bijlage 3), hebben de volgende opnames plaatsgevonden:

datum bedrag omschrijving

08-10-2010 € 15.150,00 Cash Withdrawal

14-07-2011 € 15.150,00 Cash Withdrawal

05-10-2012 € 10.100,00 Cash Withdrawal

Deze opnames (bijlage 4) zijn alle volledig consumptief besteed.”

5. In een e-mail van 30 maart 2017 heeft verweerder enkele vragen gesteld over het gestorte geld op de Zwitserse bankrekening. De volgende vragen zijn gesteld:

“Ik verzoek u een nadere toelichting te geven over het opgebouwde saldo:

 Met welke activiteiten is het saldo opgebouwd?;

 Valt het saldo op te splitsen in jaren? Zo ja, welke jaren betreft het, inclusief het bedrag per jaar;

 Waar werd contant geld aangehouden?”

6. Hierop is door de gemachtigde van eiseres, per e-mail van 12 april 2017, het volgende geantwoord:

“In reactie op uw vragen kan ik u namens [eiseres] berichten:

 Het saldo is in de loop der jaren opgebouwd uit overtollig spaargeld;

 Een opsplitsing per jaar is niet beschikbaar. Voor zover [eiseres] die splitsing wel zou kunnen maken zie ik overigens de fiscale relevantie daarvan niet in, nu het om in Nederland gespaarde/aangehouden gelden gaat waarover geen navordering meer mogelijk is;

 Het geld werd contant in Nederland bewaard, bewijzen daarvan zijn niet voorhanden.”

7. Verweerder heeft (de gemachtigde van) eiseres daarop, per e-mail van 19 april 2017, het volgende bericht:

“[Eiseres] was uit mij ter beschikking staande informatie gedurende het jaar 2008 woonachtig op het adres [A ADRES] . Zij woonde op het aangegeven adres samen met (fiscaal partner) de heer [A] , een cannabisondernemer.

Op 15 december 2008 wordt € 115.000 aan contanten gestort in Zwitserland. Ik heb u gevraagd naar herkomst van het geld. Het antwoord betreft een “blote” stelling: het saldo is in de loop der jaren opgebouwd uit overtollig spaargeld en werd contant in Nederland bewaard. De stelling is verder niet onderbouwd met bescheiden.

De bewijslast voor de stelling ligt bij [eiseres]. Tot op heden heeft [eiseres] niet voldaan aan de informatieplicht van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.”

8. Hierop heeft nog een korte e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden.

9. Met dagtekening 27 juni 2017 is de informatiebeschikking afgegeven. In de informatiebeschikking is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Hoewel op u de verplichting rust om aan mijn informatieverzoek te voldoen heeft u niet of niet geheel aan dit informatieverzoek voldaan (art. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en art. 49 AWR). Daarom ontvangt u hierbij een informatiebeschikking ex art. 52a AWR voor het kalenderjaar 2005 tot en met het kalenderjaar 2008 ten behoeve van de op te leggen (navorderings)aanslag(en) inkomstenbelasting over het genoemde jaar (jaren).

Het gaat om de volgende vragen en informatieverzoeken:

- Met welke activiteiten is het saldo (€ 115.000) opgebouwd;

- Valt het saldo op te splitsen in jaren? Zo ja, welke jaren betreft het, inclusief het bedrag per jaar;

- Waar werd contant geld aangehouden;

- Contant geld kent een oorsprong. Op welke wijze bent u in het bezit gekomen van het totaalbedrag aan contanten? Geld van een spaarrekening opgenomen in contanten en vervolgens thuis aangehouden? Of salaris wat contant werd uitbetaald? Kortom, nadere informatie die uw “blote stelling” onderbouwen.

U kunt er naar aanleiding van deze beschikking voor kiezen alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Ik verzoek u de gevraagde gegevens binnen zes weken na dagtekening van deze brief aan mij te verstrekken.”

10. Namens eiseres heeft haar gemachtigde op 3 augustus 2017 pro forma bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking en het bezwaar gemotiveerd bij brief van 11 oktober 2017.

11. Bij brief van 31 oktober 2017 heeft verweerder een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar aan de gemachtigde van eiseres gestuurd. Hierin is eiseres in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Per e-mail van 10 november 2017 heeft zij verweerder bericht van die gelegenheid geen gebruik te maken.

12. Met dagtekening 14 november 2017 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Beoordeling van uw bezwaar

Ik ben van mening dat de volgende vragen uit de informatiebeschikkingen, weliswaar summier, maar voldoende zijn beantwoord:

- Met welke activiteiten is het saldo (€ 115.000) opgebouwd;

- Valt het saldo op te splitsen in jaren? Zo ja, welke jaren betreft het, inclusief het bedrag per jaar;

- Waar werd contant geld aangehouden;

De informatiebeschikkingen dienen naar mijn mening echter wel in stand te blijven omdat de volgende vraag niet (voldoende) is beantwoord:

- Contant geld kent een oorsprong. Op welke wijze bent u in het bezit gekomen van het totaalbedrag aan contanten? Geld van een spaarrekening opgenomen in contanten en vervolgens thuis aangehouden? Of salaris wat contant werd uitbetaald? Kortom, nadere informatie die uw “blote stelling” onderbouwen.

Met name de nadere informatie/onderbouwende stukken ontbreken bij de tot nu toe gestuurde informatie.

(…)

Omdat belastingplichtige blijft bij blote stellingen zonder onderbouwde stukken aan te leveren, is er een informatiebeschikking afgegeven. Aangezien het voor het vaststellen van de belastingschuld van belang is hoe het vermogen is opgebouwd en wat de herkomst van het vermogen is geweest, is [eiseres] op grond van artikel 47 en 49 van de AWR verplicht om de gevraagde informatie te verstrekken.

Op grond van artikel 16 lid 4 van de AWR vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Eén van beide situaties moet zich voordoen wil de inspecteur de verlengde navorderingstermijn ex artikel 16, vierde lid AWR kunnen toepassen. Ik deel uw standpunt daarom niet dat de bevoegdheid om tot navordering over te gaan ontbreekt.

(…)

Beslissing kostenvergoeding

[Eiseres] heeft recht op een kostenvergoeding voor dit bezwaar. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 7:15 van de Algemene Wet Bestuursrecht en het Besluit Proceskosten Bestuursrecht.

Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand

[Eiseres] heeft recht op onderstaande forfaitaire vergoeding voor het inschakelen van rechtsbijstand.

Indienen van het bezwaar: € 246,00

(…)

Beslissing op uw bezwaar

Ik wijs uw bezwaar gedeeltelijk af.”

13. Eiseres is hiertegen op 18 december 2017 in beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

14. Partijen zijn vervolgens op 22 januari 2019 uitgenodigd om ter zitting te verschijnen op 29 maart 2019.

15. In een nader stuk van verweerder van 26 maart 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de informatiebeschikking kan komen te vervallen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij bereid is het griffierecht en de proceskosten van eiseres te vergoeden conform de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.

16. Naar aanleiding van de brief van verweerder is eiseres gevraagd of zij haar beroep wil handhaven en heeft de zitting op 29 maart 2019, in overleg met partijen, geen doorgang gevonden.

17. De gemachtigde van eiseres heeft gereageerd bij brief van 9 april 2019 en heeft daarbij aangegeven het beroep te willen handhaven in verband met het verzoek om een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten.

18. De rechtbank heeft partijen vervolgens uitgenodigd op een nieuwe zitting te verschijnen op 23 mei 2019.

19. Verweerder heeft op 19 april 2019 gereageerd op de brief van de gemachtigde van eiseres van 9 april 2019.

20. De gemachtigde van eiseres heeft op 7 mei 2019 nog een nader stuk overgelegd waarbij onder meer een cijfermatige onderbouwing is gegeven van het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding.

21. Gelet op de gewisselde stukken en het feit dat partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling, heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, bepaald dat het onderzoek ter zitting dat stond gepland op 23 mei 2019 achterwege is gebleven.

Geschil
22. In geschil is of eiseres recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. De informatiebeschikking is niet meer in geschil nu deze door verweerder is vernietigd.

23. Eiseres stelt primair dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding ten bedrage van € 13.734,27 voor de bezwaar- en de beroepsfase gezamenlijk omdat handhaving van de informatiebeschikking vanaf de uitspraak op bezwaar onhoudbaar was. Immers was verweerder in de uitspraak op bezwaar zelf van mening dat de ‘bron-vraag’ voldoende was beantwoord. Eiseres stelt dat een verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:303 en ECLI:NL:HR:2018:359) niet opgaat. Subsidiair stelt eiseres dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding ten bedrage van € 7.356,69. Dit bedrag ziet op de kosten die zijn gemaakt vanaf zes maanden na het verschijnen van de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018, dus vanaf 16 september 2018. Voor zover eiseres mee zou gaan in de stelling van verweerder dat het arrest bepalend was voor de (on)houdbaarheid van de informatiebeschikking, is er ruimte voor vergoeding van de nadien gemaakte kosten.

24. Verweerder stelt primair dat eiseres alleen in aanmerking komt voor een forfaitaire proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Verweerder stelt dat vanwege de onduidelijkheid over de eventuele buitenlandse herkomst van het gestorte bedrag en de mogelijkheid om nog over de betreffende jaren na te vorderen, terecht een informatiebeschikking is afgegeven. De definitieve uitleg van wat onder een bestanddeel dat ‘in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen’, zoals verwoord in artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), moet worden verstaan, is pas in de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 gegeven. Het is daarom onjuist dat tegen beter weten in is gehandeld bij het afgegeven van de informatiebeschikking en het gedeeltelijk handhaven daarvan bij de uitspraak op bezwaar. Voor de bezwaarfase is reeds een kostenvergoeding van € 246 toegekend, voor de beroepsfase bestaat recht op een vergoeding van € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift), aldus verweerder.

Subsidiair stelt verweerder dat indien de rechtbank van oordeel is dat recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding, althans een vergoeding die hoger is dan het totale bedrag op grond van het tarief in het Besluit, voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk een bedrag van maximaal € 1.500 redelijk is. Na de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 is het belang van de in de informatiebeschikking gestelde en in bewaar gehandhaafde vraag vervallen. Om die reden is de informatiebeschikking vernietigd. Dat dit niet direct na het gewezen arrest maar enige tijd daarna is gebeurd, maakt niet dat sprake is van verregaand onzorgvuldig handelen, aldus verweerder.

25. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Informatiebeschikking

26. Nu de informatiebeschikking door verweerder is vernietigd is voor wat betreft het voorliggende besluit volledig tegemoetgekomen aan eiseres en dient het beroep

niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank ziet dan ook aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Integrale proceskostenvergoeding

27. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van zowel de bezwaar- als de beroepsfase. De gemachtigde van eiseres heeft de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand berekend op primair € 13.734,27 (gerekend vanaf de aanvang van de bezwaarfase op 27 juni 2017, de datum van de informatiebeschikking) en subsidiair € 7.356,69 (gerekend vanaf 16 september 2018, zijnde zes maanden na de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018).

28. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit worden proceskosten voor rechtsbijstand op forfaitaire basis vergoed. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

29. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (vgl. Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

30. Voor een integrale proceskostenvergoeding is tevens vereist dat de extra proceskosten in verband staan met de bijzondere omstandigheid (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA9380).

31. De rechtbank oordeelt als volgt. Het derde lid van artikel 16 van de AWR bepaalt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. In afwijking hiervan, bepaalt het vierde lid van artikel 16 van de AWR dat indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, de bevoegdheid tot navorderen vervalt door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

32. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiseres gedane opgave van door haar in het buitenland gehouden vermogen, vragen gesteld over de herkomst van het vermogen. Blijkens de informatiebeschikking lag de relevantie van deze vragen gelegen in mogelijkheid van op te leggen (navorderings)aanslagen. Verweerder was daarbij, blijkens de bewoording van de uitspraak op bezwaar, van mening dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar (artikel 16, vierde lid, van de AWR) van toepassing was. Gelet op de storting van het bedrag van € 115.000 op de Zwitserse bankrekening in 2008, waren er op het moment van het opleggen van de informatiebeschikking in 2017 nog geen twaalf jaren verstreken, ook niet ten opzichte van de jaren daarvoor, vanaf 2005. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat geen sprake is van het geven van een (informatie)beschikking terwijl op dat moment duidelijk is dat die (informatie)beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Ook van in vergaande mate van onzorgvuldig handelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

33. De Hoge Raad heeft op 16 maart 2018 (ECLI:NLHR:2018:303 en ECLI:NL:HR:2018:359) in beide arresten dezelfde uitleg gegeven over de vraag wanneer inkomen in het buitenland opkomt in de zin van artikel 16, vierde lid, van de AWR. De Hoge Raad heeft in het arrest met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2018:303 het volgende overwogen:

“2.1.1. Belanghebbenden zijn gehuwd en drijven sinds 1992 gezamenlijk een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (…). Zij exploiteren een ijssalon. De verkopen worden grotendeels contant afgerekend. In hun aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 hebben belanghebbenden winst uit onderneming aangegeven.

2.1.2.

Belanghebbenden hebben op 14 april 2014 met toepassing van de inkeerregeling aan de Belastingdienst gemeld dat zij een bedrag in contanten aanhouden, en tevens vermogen op bankrekeningen bij Crédit Agricole te Luxemburg (…). (…).

2.1.3.

Op een van de buitenlandse rekeningen hebben belanghebbenden op 4 november 2005 een bedrag van € 60.000 in contanten gestort (…). Belanghebbenden bewaarden dit bedrag aanvankelijk in een kluis in Nederland. Het is afkomstig uit contante omzet van de vof. (…).

(…)

2.2.

Voor het Hof was – voor zover in cassatie van belang – in geschil of de verlengde navorderingstermijn als bedoeld in artikel 16, lid 4, AWR van toepassing is op de winstcorrecties in box 1. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het heeft vastgesteld dat de storting uitsluitend haar oorsprong vindt in omzet uit de ijssalon die in Nederland is behaald. Naar het oordeel van het Hof is de enkele omstandigheid dat het met deze omzet verkregen bedrag naderhand op een buitenlandse bankrekening is gestort, onvoldoende om onder de verlengde navorderingstermijn te vallen. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

(…)

2.4.2. (…).

Uit de hiervoor in 2.2 vermelde, in cassatie niet bestreden, vaststelling van het Hof over de oorsprong van de storting, volgt dat het hier gaat om winstbestanddelen waarvan de verwerving en ontvangst geen enkel aanknopingspunt hadden met een ander land dan Nederland. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat die winstbestanddelen zijn opgekomen in het buitenland in de zin van artikel 16, lid 4, AWR. Dit wordt niet anders indien deze bedragen naderhand buiten het zich van de Nederlandse belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van die bedragen en de storting ervan op de buitenlandse bankrekening is in dit verband niet van belang.”

34. Nu de uitspraak op bezwaar dateert van 14 november 2017, derhalve van vóór het hiervoor geciteerde arrest van de Hoge Raad, is de rechtbank van oordeel dat ook geen sprake is van het doen van uitspraak op bezwaar terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak op bezwaar in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Ook is in dit geval van in vergaande mate van onzorgvuldig handelen naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het primaire standpunt van eiseres slaagt daarom niet.

35. Verweerder heeft in zijn brief van 26 maart 2019 vermeld dat hij na het bestuderen van de stukken van mening is dat de informatiebeschikking kan komen te vervallen. Verweerder merkt daarbij in zijn brief van 19 april 2019 op dat het verweerschrift is gedagtekend op 31 januari 2018, derhalve vóór de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 zodat ook bij de aanvang van de beroepsprocedure geen aanleiding bestond om op grond van (gewijzigde) jurisprudentie de informatiebeschikking alsnog te vernietigen. Ook het beroepschrift zelf gaf daartoe geen aanleiding, aldus verweerder. Na het ontvangen van de oproep voor de zitting is bij de bestudering van de zaak gebleken dat door de na het schrijven van het verweerschrift gewezen arresten van de Hoge Raad het belang van de bij de informatiebeschikking gestelde en in bezwaar gehandhaafde vraag inmiddels was vervallen omdat uit het arrest volgt dat in het onderhavige geval de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar toch niet van toepassing is, aldus nog steeds verweerder.

36. De rechtbank ziet aanleiding om eiseres te volgen in haar subsidiaire standpunt. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld door de informatiebeschikking tot kort voor de geplande zitting op 29 maart 2019 te handhaven terwijl de arresten van de Hoge Raad dateren van 16 maart 2018. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens de overgelegde facturen en specificaties door de gemachtigde van eiseres diverse werkzaamheden zijn verricht die verband hielden met het ingestelde beroep en dat blijkens diezelfde specificaties in de periode na genoemde arresten gemachtigde contact heeft gehad met verweerder over het ingestelde beroep. Verweerder heeft niet dan wel onvoldoende weersproken dat de op de specificaties vermelde werkzaamheden zijn verricht, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

37. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde bedrag van € 7.356,69 onredelijk hoog is voor de onderhavige procedure en dat een vergoeding ten bedrage van € 1.500 redelijk is. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

38. Zoals hiervoor onder 30 is vermeld, is voor de toekenning van een integrale proceskostenvergoeding vereist dat de extra proceskosten in verband staan met de bijzondere omstandigheid. Het afwijken van de toekenning van een forfaitaire kostenvergoeding betekent niet automatisch dat alle door eiseres gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking (moeten) komen. De rechtbank is evenwel onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat eiseres moet worden gevolgd in haar berekening van de werkelijke kosten op € 7.356,69. Naar volgt uit de door de gemachtigde van eiseres overgelegde facturen met bijbehorende specificaties, zien deze kosten op werkzaamheden die de gemachtigde ten behoeve van eiseres heeft gemaakt en ziet het grootste deel van die kosten op werkzaamheden die kort voor de zitting van 29 maart 2019 zijn gemaakt. Van een wanverhouding tussen de gemaakte kosten en de verrichte werkzaamheden is niet gebleken. Nu daarnaast de kosten van de eerste zes maanden na de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018 niet zijn meegerekend bij wijze van redelijke termijn voor verweerder om de informatiebeschikking te vernietigen, hetgeen de rechtbank alleszins redelijk voorkomt, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het toekennen van een lagere kostenvergoeding.

Slotsom

39. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard en ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 7.356,69.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 7.356,69, en

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.