Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4795

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
15/031388-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling van medewerker van zorginstelling waar verdachte verbleef. Verminderd toerekenbare dader. Overwegingen over de sanctie zien op dilemma van de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis in verhouding tot de op te straf met bijzondere voorwaarden waaronder opname in een kliniek. Belang dat verdachte niet op straat komt te staan maar aansluitend aan detentie wordt opgenomen. Dadelijke uitvoerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/031388-19 (P)

Uitspraakdatum: 24 mei 2019 (bij vervroeging)

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.J Wortelboer, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Heiloo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Heiloo [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn (meer dan) 130 kilogram aan lichaamsgewicht op die [slachtoffer] (af) te springen en/of met beide armen die [slachtoffer] om haar nek te grijpen en/of (met zijn lichaamsgewicht) die [slachtoffer] naar beneden te duwen/ 'in elkaar te drukken'/uit evenwicht te brengen, waardoor/waarbij die [slachtoffer] ten val kwam en/of (vervolgens) met zijn lichaam op die liggende [slachtoffer] te gaan liggen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder 2 laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.3.

Vrijspraak feit 1
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, nu hiervoor slechts één bewijsmiddel (de aangifte) voorhanden is en dit onvoldoende is om tot een veroordeling te komen. Verdachte zal daarom van feit 1 worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 5 februari 2019 (dossierpagina 16-18);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 februari 2019 (dossierpagina 37).

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 5 februari 2019 te Heiloo [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn meer dan 130 kilogram aan lichaamsgewicht op die [slachtoffer] te springen en met zijn lichaamsgewicht die [slachtoffer] naar beneden te drukken en uit evenwicht te brengen, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens met zijn lichaam op die liggende [slachtoffer] te gaan liggen.

Hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging opgemerkt dat de deskundigen adviseren verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en hij heeft bepleit het advies van de rapporterend psychiater te volgen tot plaatsing van verdachte op een forensisch psychiatrische afdeling. De raadsman acht plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek te zwaar voor verdachte.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een medewerkster van de zorginstelling waar hij verbleef. Het spreekt voor zich dat het handelen van verdachte voor de aangeefster beangstigend is geweest. Zij heeft als gevolg van het incident psychische hulp gezocht. Tevens heeft zij letsel opgelopen, waardoor zij gedurende enige tijd beperkt was in het dagelijks leven. Werknemers met een zorgtaak dienen in hun werk gevrijwaard te zijn van dergelijk agressief gedrag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijk delict met Justitie in aanraking is gekomen.

- de over verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage gedateerd 19 april 2019 van

dr. [psychiater] , psychiater.

- de over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage gedateerd 25 april 2019 van

drs. [psycholoog] , psycholoog.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 17 mei 2019 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Het psychiatrisch rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij dit onderzoek is geconstateerd dat betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van

de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis. Daarbij zorgt de autisme spectrumstoornis ervoor dat het tenlastegelegde betrokkene indien bewezen in verminderde mate kan worden toegerekend.

Op basis van het klinische oordeel is het risico op recidive bij betrokkene hoog als hij weer

terug zou komen bij het begeleid wonen van GGZ Noord-Holland-Noord of op een soortgelijke plek. Er is immers een stoornis in het autistische spectrum, waardoor betrokkene moeite heeft met de vele personele wisselingen en met de onrust die zijn medepatiënten geven. Het is nodig om vanuit de structuur van een psychiatrisch ziekenhuis op zoek te gaan naar een woonvorm die betrokkene voldoende structuur en veiligheid kan bieden. Er moet worden gekozen voor een forensisch psychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis (FPA) om zeker te zijn dat betrokkene daar voldoende structuur krijgt en zich er voldoende veilig voelt.

Geadviseerd wordt om bij een eventuele geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden te stellen dat betrokkene meewerkt aan een reclasseringstoezicht en een behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek.

Het psychologisch rapport houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene komt in het huidige onderzoek naar voren als een man een ernstige autistische stoornis die hem sterk beperkt in zijn handelen. Betrokkene werd op een open opnameafdeling van een psychiatrische kliniek behandeld maar hij werd toenemend psychisch en emotioneel instabiel en wilde naar een meer beschutte/gesloten/besloten afdeling. Hij is beperkt in zijn communicatieve vaardigheden en in zijn probleemoplossende vaardigheden en hij kan de ander niet juist taxeren en ook geen rekening houden met andermans overwegingen en gedreven door eigen rigide standpunten en ongeremd gedrag datgene trachten af te dwingen wat hij wil. Aldus kon het tenlastegelegde plaatsvinden. Het is te adviseren om betrokkene het tenlastegelegde in een sterk verminderde mate toe te rekenen.

Gemeten met gestandaardiseerde risicotaxatie-instrumenten en in combinatie met de

ernst en hardnekkigheid van zijn psychiatrische problematiek is in te schatten dat het

recidiverisico hoog is.

De onderzoeker geeft de rechtbank in overweging, indien het tenlastegelegde bewezen

wordt verklaard, om betrokkene binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel te verplichten tot klinische behandeling in een FPK.

Toezicht door de reclassering op de naleving van de voorwaarden is aangewezen.

De rechtbank volgt de conclusies van voornoemde deskundigen over de toerekenbaarheid en is van oordeel dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Het reclasseringsrapport houdt onder meer het volgende in:

Kijkend naar de score op de OXREC in combinatie met het delictverleden en de geconstateerde problematiek wordt door rapporteur de kans op recidive met letselschade ingeschat als hoog. De [verdachte] is bekend met herhaaldelijk grensoverschrijdend (delict)gedrag (agressie), voortkomend uit forse psychische problematiek, waarbij er nauwelijks sprake lijkt van inzicht in zijn eigen handelen.

Een plaatsing in een forensische kliniek is geïndiceerd. Het is het NIFP/IFZ/DIZ tot op heden niet gelukt om een kliniek te vinden voor de [verdachte] . Mocht er nog geen kliniek zijn na de detentie, zal er gestart worden met overbruggingszorg. Het is zaak, dat er vanuit de kliniek aandacht is voor een doorplaatsing naar een kliniek of andersoortige zorg waar hij voor de langere tijd kan verblijven. Het is noodzakelijk dat de opname aansluit op de detentie.

Bij een veroordeling adviseren wij een voorwaardelijke straf met onderstaande bijzondere voorwaarden op te leggen.

een meldplicht bij de reclassering;

opname in een zorginstelling (start met overbruggingszorg).

Wij adviseren dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf aan verdachte moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van die straf ziet de rechtbank zich voor een dilemma geplaatst. In beginsel zou de rechtbank in het onderhavige geval oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend vinden die de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet overschrijdt. Dit zou betekenen dat verdachte per direct in vrijheid moet worden gesteld. Verdachte kan echter niet terugkeren naar de zorginstelling waar hij verbleef en een andere passende plek is nog niet gevonden. Dit zou leiden tot de onacceptabele situatie dat verdachte op straat zou komen te staan. De deskundigen achten een plaatsing en behandeling in een psychiatrische kliniek geboden, waarbij het noodzakelijk wordt geacht dat de plaatsing aansluit op de detentie. Daarbij is er vanwege de psychiatrische stoornis van verdachte een hoog risico op het wederom plegen van een geweldsdelict. Daarom zal de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur op te leggen, zodat in ieder geval tijdig overbruggingszorg voor verdachte kan worden geregeld. De rechtbank ziet zich genoodzaakt dit te doen, om te voorkomen dat verdachte tussen de wal en het schip zal raken en ter bescherming van de maatschappij.

De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, met de bedoeling verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank acht verplicht contact met en begeleiding door Reclassering Nederland noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Daarnaast acht de rechtbank de opname van verdachte in een zorginstelling noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzonder voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Omdat er, gelet op de ernst van de psychiatrische stoornis in samenhang met het vastgestelde

gebruik van geweld, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom

een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid

van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de voorwaarden dadelijk

uitvoerbaar zijn.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.203,95 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 750,- immateriële schade en € 453,95 materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- pijnstillers: € 31,80;

- sportabonnementen: € 70,75;

- verlies aan arbeidsvermogen: € 351,40.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 102,55 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De kosten van de pijnstillers en het sportabonnement, waartegen geen verweer is gevoerd, zullen dan ook worden toegewezen.

De gevorderde vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen komt bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing in deze strafzaak niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Gelet op de onderbouwing van de vordering, het verhandelde ter terechtzitting en de bedragen die de rechtbank in min of meer vergelijkbare gevallen toekent, komt de rechtbank toekenning van een bedrag van € 500,- billijk voor.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 602,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 2 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 132 (honderdtweeëndertig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 (veertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland op een door de reclassering te bepalen locatie en wijze zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- zich zal laten opnemen en behandelen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of een Forensisch Psychiatrische Afdeling of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Indien er niet direct aansluitend op detentie een passende plek beschikbaar is, laat veroordeelde zich eerst ter overbrugging elders, in een door de daarvoor verantwoordelijke instantie te bepalen zorginstelling, opnemen. De opname duurt de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.

- indien de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Stelt dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking, te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 602,55 (zegge: zeshonderdtwee euro en vijfenvijftig cent), bestaande uit € 102,55 als vergoeding voor de materiële en € 500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 602,55 (zegge: zeshonderdtwee euro en vijfenvijftig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Voskens, voorzitter,

mr. D.D.M. Hazeu en mr. N. Boots, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 mei 2019.