Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4754

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 39
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA, toegenomen klachten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/39

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Akkas),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. WMG Nieuwburg).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres per januari 2017 een uitkering te verstrekken op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Bij besluit van 22 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres was voorheen werkzaam als thuiszorgmedewerkster. Op 4 oktober 2010 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Bij de beoordeling die heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de aanvraag om een uitkering op grond van de WIA per einde wachttijd werd eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Vanwege toegenomen klachten werd zij later alsnog voor een uitkering op grond van de WIA (WGA) in aanmerking gebracht, in de klasse 80-100%. In 2016 heeft verweerder beslist dat eiseres vanwege haar verbeterde gezondheidssituatie toch weer minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat haar WIA-uitkering daarom per 6 juli 2016 wordt beƫindigd. Het tegen dit besluit van 25 mei 2016 ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 14 juli 2017 ongegrond verklaard, ECLI:NL:RBNHO:2017:9599. Op het hiertegen gerichte hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan door de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op 25 juli 2017 heeft eiseres een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend wegens haar verslechterde gezondheidssituatie.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat uit het medisch onderzoek niet blijkt van toegenomen beperkingen sinds het vorig onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid van eiseres in 2016/2017. De verzekeringsarts heeft in deze procedure na onderzoek geoordeeld dat eiseres, met inachtneming van de in de functionele mogelijkheden lijsten (FML) van 1 maart 2017 en 1 december 2017 neergelegde beperkingen, evenzeer belastbaar is als in de voorgaande procedure tot beƫindiging van de WIA-uitkering.

3. Eiseres heeft aangevoerd, samengevat en voor zover van belang, dat er wel degelijk sprake is van een toegenomen arbeidsongeschiktheid door de verslechtering van haar gezondheidssituatie sinds januari 2016. Eiseres heeft diverse klachten op zowel psychisch als fysiek gebied en zelfs hele simpele huishoudelijk taken kan zij al niet meer uitvoeren. Eiseres heeft de afgelopen tijd ook meerdere operaties gehad in de hoop haar gezondheid te doen herstellen maar helaas hebben deze operaties niet gewenste resultaten gehad. Eiseres heeft moeite met lopen, zitten, staan en andere fysieke handelingen. Zij is daarom nu fysiek niet (meer) in staat de in de vorige procedure geselecteerde functies uit te voeren. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres in dit kader nog verwezen naar punt 4. van het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2019. Volgens eiseres blijkt hieruit dat de primaire verzekeringsarts zelf ook heeft geconstateerd dat de rugklachten van eiseres zijn toegenomen. Eiser heeft daarnaast in beroep aangevoerd dat ook de psychische klachten van eiseres zijn verergerd door de besluitvorming van verweerder, de situatie thuis met haar dementerende achtgenoot en de moeizame relatie met haar kinderen. Verder is eiseres van mening dat het medisch onderzoek in deze procedure onzorgvuldig is geweest. Nergens blijkt uit dat de verzekeringsarts daadwerkelijk gedegen onderzoek heeft verricht naar de huidige medische toestand van eiseres. Er is voornamelijk verwezen naar het rapport in de vorige procedure en er heeft slechts een heel kort onderzoekje plaatsgevonden dat nauwelijks naam mag hebben. Ter zitting heeft eiseres in dit kader nog aangevoerd dat verweerder zorgvuldigheidshalve nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische toestand van eiseres.

4. Verweerder handhaaft in beroep zijn standpunt dat niet is gebleken van toegenomen arbeidsbeperkingen. Verweerder verwijst ter verdere onderbouwing van zijn standpunt nog naar het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2019. Hierin is vermeld, kort samengevat, dat er geen aanwijzingen zijn voor toegenomen pathologie sinds 1 maart 2017 (datum vorige FML).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet zorgvuldig is geweest. Eiseres is gezien en onderzocht door de primaire verzekeringsarts op het spreekuur op 28 november 2018. Het dossier bevat verder de nodige (medische) gegevens, mede vanwege de eerdere procedure(s). Een verzekeringsarts mag daarnaast varen op zijn eigen oordeel wat betreft de aan te nemen beperkingen. Het behoort immers tot diens specifieke taak en deskundigheid om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. De enkele omstandigheid dat een spreekuur onderzoek kort heeft geduurd, is onvoldoende om het onderzoek onzorgvuldig te vinden. De verzekeringsarts heeft in dit geval, zo komt uit de rapportage naar voren, op basis van zijn onderzoek en de beschikbare medische gegevens, een voldoende duidelijk beeld gekregen van de medische situatie van eiseres. Bij dit oordeel heeft verweerder ook mee kunnen wegen dat er relatief kort geleden nog een medisch oordeel is gegeven over de arbeidsmogelijkheden van eiseres en dat er in deze procedure geen medische stukken zijn overgelegd waaruit een ander beeld naar voren komt. De stelling ter zitting dat uit punt 4. van het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat er ook door verweerder een toename van de medische klachten is geconstateerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt verweerder in haar ter zitting gegeven uitleg dat uit de context van deze zin duidelijk blijkt dat dit enkel de weergave is van hoe eiseres haar medische toestand heeft toegelicht. De juistheid van deze uitleg blijkt ook uit de conclusie in punt 5. van het commentaar dat er geen aanleiding is om op medische gronden een andere beslissing te nemen dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. De grond van eiseres dat verweerder zorgvuldigheidshalve nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische toestand van eiseres slaagt gezien hetgeen hiervoor is overwogen niet.

5.2.

Gelet op het vorenstaande, en dus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid van eiseres, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de in de vorige procedure aan eiseres voorgehouden functies thans niet langer geschikt zouden zijn. Daarbij betrekt de rechtbank tevens de omstandigheid dat deze rechtbank in haar uitspraak van 14 juli 2017 al een uitgebreid gemotiveerd oordeel heeft gegeven over de juistheid van de door verweerder voor eiseres geschikt geachte functies. Niet is gebleken dat dit oordeel nu niet meer juist zou zijn. De rechtbank ziet in het enkele feit dat tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld geen reden hierover anders te oordelen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.