Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4752

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
C/15/288112 / FA RK 19/2516
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de rechtbank staat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat bij betrokkene sprake is van een geestelijke stoornis. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van artikel 2, eerste en tweede lid, Wet Bopz niet volgt dat in alle gevallen op het moment van het verlenen van de voorlopige machtiging helder moet zijn welke diagnose op de betrokkene van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

voorlopige machtiging

zaak-/rekestnr.: C/15/288112 / FA RK 19/2516

beschikking van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2019

van de rechtbank Noord-Holland naar aanleiding van het door de officier van justitie

op 30 april 2019 ingediende verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging om:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

wonende te [plaats] ,

thans zwervende,

hierna: betrokkene,

te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis.

1 Procedure

1.1

Bij het verzoek is overgelegd een geneeskundige verklaring van 29 april 2019.

1.2

De rechtbank heeft op 21 mei 2019 de volgende personen gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat mr. F.J.J. Baars,

- [medewerker Fourzorg/ambulante zorg] namens Fourzorg/ambulante zorg,

- [casemanager] , verbonden als casemanager aan de Brijder,

- [mentor] , mentor.

2 Beoordeling

2.1

De rechtbank ziet op grond van de informatie zoals die uit de stukken en ter zitting naar voren is gekomen aanleiding om een voorlopige machtiging voor betrokkene af te geven voor de duur van vier maanden.

2.2

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.3

Mr. Baars heeft – kort samengevat – namens betrokkene primair verzocht het verzoek af te wijzen, omdat hij van mening is dat er onvoldoende grondslag is voor een gedwongen opname. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat een voorlopige machtiging noodzakelijk is, verzoekt mr. Baars subsidiair een machtiging te verlenen voor maximaal vier maanden. Deze termijn lijkt toereikend om diagnostisch onderzoek te kunnen verrichten en advies te kunnen uitbrengen over een mogelijke behandeling van betrokkene.

2.4

Betrokkene heeft – kort samengevat – ter zitting ontkend aan een psychische stoornis te lijden. Wel heeft hij zijn alcoholverslaving erkend en gezegd dat hij bereid is om aan de opname mee te werken en daarmee diagnostisch onderzoek mogelijk te maken. Hij erkent dat daarvoor een gedwongen opname noodzakelijk is omdat het hem anders niet zal lukken om zes weken geen alcohol te nuttigen. Betrokkene wil wel goed op de opname worden voorbereid, omdat onvoorspelbare situaties hem veel stress geven. Zijn huivering voor een opname is vooral is ingegeven door zijn angst voor het nieuwe/onbekende en weerstand tegen zaken die hem worden opgedrongen. Verder zou hij eigenlijk het liefst met rust gelaten willen worden.

2.5

De mentor heeft ter zitting verklaard dat zij een voorlopige machtiging noodzakelijk acht, ondanks dat het onder de gegeven omstandigheden op dit moment redelijk gaat met betrokkene. Er zijn grote zorgen over betrokkene en een diagnostisch onderzoek biedt betrokkene mogelijk een kans om zijn leven wat beter op de rails te krijgen. De mentor vraagt zich wel af of het verzoek op het juiste moment wordt gedaan, omdat betrokkene in de zomer weinig problemen ervaart met het leiden van een zwervend bestaan.

2.6

De casemanager heeft ter zitting aangegeven dat zij vindt dat betrokkene moet worden opgenomen, omdat er sprake is van een langdurige alcoholverslaving en volgens het behandelteam uit het gedrag van betrokkene kan worden afgeleid dat er sprake is van psychiatrische problematiek, al is nog niet precies duidelijk welke diagnose op betrokkene van toepassing is. Zonder rechterlijke machtiging zal het niet lukken om een diagnose te stellen, omdat voor diagnostisch onderzoek vereist is dat betrokkene zes weken abstinent is van alcohol en hij daaraan op vrijwillige basis niet meewerkt. De casemanager kan instemmen met een machtiging voor de duur van vier maanden, omdat die duur naar alle waarschijnlijkheid voldoende is voor het stellen van een gedegen diagnose en het geven van een behandeladvies.

2.7

De rechtbank overweegt dat voor het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) – kort gezegd – vereist is dat er sprake is van een geestelijke stoornis die betrokkene gevaar doet veroorzaken, welk gevaar slechts door een opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van artikel 2, eerste en tweede lid, Wet Bopz niet volgt dat in alle gevallen op het moment van het verlenen van de voorlopige machtiging helder moet zijn welke diagnose op de betrokkene van toepassing is.

2.8

Voor de rechtbank staat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat bij betrokkene sprake is van een geestelijke stoornis. Uit de geneeskundige verklaring, opgesteld door een psychiater die betrokkene persoonlijk heeft gesproken en onderzocht, blijkt dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een alcoholverslaving en waarschijnlijk cognitieve schade als gevolg van alcoholmisbruik, mogelijk M. Korsakov. Daarnaast speelt mogelijk een PTSD en is waarschijnlijk sprake van persoonlijkheidspathologie.

De casemanager heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het behandelteam ervan overtuigd is dat betrokkene cognitieve schade en een geestelijke stoornis heeft. Hiertoe heeft zij gewezen op het soms bizarre en ook wel seksueel aanstootgevende gedrag dat betrokkene kan vertonen, zoals het gooien met uitwerpselen en urine naar zijn buren en het nodeloos bellen met 112 na het voorwenden van epileptische insulten. Ook in de nachtopvang heeft betrokken herhaaldelijk ‘de boel op stelten gezet’. Als betrokkene op dat gedrag wordt aangesproken, ziet hij volgens de casemanager niet in dat dat gedrag ongepast is. Betrokkene heeft ter zitting zelf verteld dat hij de laatste tijd dromen heeft waarin hij alles kan bepalen en iedereen van alles voor hem kan laten doen. Ter zitting heeft betrokkene verder meermaals aangegeven dat hij zich aangevallen voelt, hoewel hij volgens de rechtbank respectvol is aangesproken.

Hoewel een exacte diagnose bij betrokkene nog niet is gesteld, leidt de rechtbank uit het voorgaande (in samenhang bezien) af dat er bij betrokkene onmiskenbaar sprake is van een geestelijke stoornis.

2.9

De rechtbank is van oordeel dat deze stoornis betrokkene ook gevaar doet veroorzaken. Uit de geneeskundige verklaring blijkt het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat, zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen, betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen en het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Dit gevaar blijkt overduidelijk uit het feit dat betrokkene overlast veroorzaakt, waardoor hij uit zijn huis is gezet en hem de toegang bij de daklozenopvang en de bibliotheek is ontzegd. Betrokkene leeft inmiddels al enkele maanden op straat. Voorts is gebleken dat de medische situatie van betrokkene zeer zorgelijk is. Betrokkene heeft mogelijk levercirrose en heeft meerdere keren een epileptisch insult gehad. Gelet op de aanwezige cognitieve schade en de alcoholverslaving is het reëel te veronderstellen dat betrokkene niet altijd in staat zal zijn om adequaat om te gaan met zijn gezondheidsproblemen, waardoor hij ook een gevaar voor zichzelf vormt.

2.10

Gebleken is voorts dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Betrokkene geeft weliswaar in enige mate blijk van de bereidheid om zich in een psychiatrisch ziekenhuis te laten onderzoeken, maar niet om vrijwillig te verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis zonder gebruik van alcohol. Daarnaast heeft betrokkene onvoldoende overzicht en besef van de ernst van de situatie, waardoor niet van een consistente bereidheid kan worden gesproken.

2.11

De rechtbank zal de machtiging verlenen voor de duur van vier maanden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de voorlopige machtiging op dit moment hoofdzakelijk is aangevraagd met het doel om diagnostisch onderzoek bij betrokkene mogelijk te maken. Naar het zich laat aanzien kunnen dat onderzoek en een bijbehorend advies over het vervolgtraject binnen vier maanden worden afgerond. De rechtbank verwacht verder dat een voorlopige machtiging voor de duur van vier maanden tot een vruchtbaarder samenwerking zal leiden met betrokkene dan wanneer de machtiging voor de maximale termijn van zes maanden zou worden afgegeven.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

verleent een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 Wet Bopz, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven, tot en met 21 september 2019.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbeij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 mei 2019.