Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4503

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
C/15/278051/HA ZA 18-550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De (overleden) vader van eiseres had een familierekening geopend waarop gelden ten behoeve van de kinderen stonden. Moeder, gedaagde, was aangewezen als beheerder van die rekening. Eiseres, dochter, vordert nu uitkering van haar deel op die rekening. Zij stelt dat doordat moeder de familierekening heeft opgeheven het geld dat daarop stond zonder toestemming van eiseres op een andere wijze heeft belegd, haar beheer over die rekening is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat de familierekening en het beheer van moeder aan elkaar gekoppeld waren. Omdat de rekening niet meer bestaat en het geld is herbelegd, zonder dat gebleken is van overeenstemming daarover met de kinderen, is het beheer van moeder – ook gelet op de kennelijke bedoeling van de erflater – geëindigd. Omdat moeder het vrijgekomen geld het vrijgekomen geld heeft herbelegd in vastgoed is er geen sprake meer van daden van beheer, maar van beschikking. De vordering van dochter op moeder wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/278051 / HA ZA 18-550

Vonnis van 1 mei 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. D.G.M. Ceder te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Dreef te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 oktober 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 maart 2019 en de daarin vermelde nader in het geding gebrachte stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 12 december 2008 heeft de vader van partijen, wijlen de heer [naam erflater] , een ABN AMRO rekening met nummer [rekeningnummer] geopend op naam van zichzelf en die van zijn drie kinderen. Op deze rekening is een bedrag van € 400.000,00 gestort. ABN AMRO had in een advies van februari 2008 geadviseerd een zogenaamde “familierekening” te openen, teneinde in het geval van vererving van het vermogen van de heer [naam erflater] de te betalen successierechten zoveel mogelijk te beperken. Het advies vermeldt onder meer:

“Tijdens de bespreking is naar voren gekomen dat het werken met een familierekening als hierboven beschreven geen volledige bescherming oplevert ten aanzien van het vermogen, maar dat u wel allerlei instrumenten bezit om ongewenst gedrag (opnames door de kinderen) te voorkomen.. Deze instrumenten zijn:

8914 Uw vordering op de kinderen is direct opeisbaar;

8915 U kunt gebruiken van uw herroepingsbevoegdheid (…);

8916 U kunt testamentaire maatregelen treffen.”

2.2.

Tevens heeft de heer [naam erflater] de drie kinderen ieder een bedrag van

€ 100.000,00 geleend en is hij door middel van de ABN AMRO-rekening een lening en schenkingsovereenkomst met hen aangegaan. Naast de overeenkomst van geldlening is een beheersovereenkomst opgesteld tussen de heer [naam erflater] (als beheerder) en zijn drie kinderen (als gerechtigden). Deze overeenkomst, die voor onbepaalde tijd is aangegaan, bevat onder meer de navolgende privatieve last:

“De gerechtigden geven bij deze aan de ondergetekende sub 1 (de heer [naam erflater] , toevoeging rechtbank) een privatieve last in de zin van art. 7:423 van het Burgerlijk Wetboek tot beheer van de rekening. Aldus is de schenker voor de duur van de overeenkomst met uitsluiting van de kinderen bevoegd tot beheer- en beschikkingshandelingen ten aanzien van de rekening en het daarop staande vermogen.”

2.3.

Artikel 2 van de beheersovereenkomst bepaalt vervolgens:

“Het beheer houdt het recht en de plicht in ter zake van de rekening al die handelingen te verrichten die voor een goed beheer noodzakelijk of gewenst zijn, waaronder het kopen en verkopen van effecten, alsmede de bevoegdheid tot het doen van opnames en/of overboekingen.”

2.4.

Tevens bepaalt de beheersovereenkomst dat, indien de heer [naam erflater] zijn functie als beheerder niet meer kan of wil uitoefenen, zijn echtgenote mevrouw [gedaagde] tot beheerder wordt aangewezen. De beheersovereenkomst kan niet worden opgezegd.

2.5.

In 2008 is een bedrag van € 40.000,00 per kind kwijtgescholden.

2.6.

De heer [naam erflater] is op 27 oktober 2009 overleden. In het testament van de heer [naam erflater] is een ouderlijke boedelverdeling opgenomen waarbij aan [gedaagde] alle baten in de nalatenschap zijn toegedeeld. De nalatenschap is door de erfgenamen zuiver aanvaard en de kinderen hebben het testament gestand gedaan. [gedaagde] is dan ook volledig bevoegd tot het innen van vorderingen en het opvorderen van goederen die behoren tot de nalatenschap.

2.7.

[gedaagde] heeft de hiervoor bedoelde ABN AMRO-rekening op 21 juni 2010 opgeheven. Op de rekening stond toen een bedrag van € 607.658,67. Met het vrijgekomen geld heeft zij een onroerende zaak (woning) gekocht in [land] . Deze woning is in 2017 met winst verkocht. Een deel van de opbrengst is door [gedaagde] geherinvesteerd in een project te [land] .

2.8.

Bij e-mail van 9 augustus 2016 heeft ABN AMRO aan [eiseres] onder meer geschreven:

“Het klopt dat er eind 2008 door uw vader een rekening is geopend, waarop destijds door hem EUR 400.000 is gestort. Het aandeel van ieder kind was 25% in deze rekening. Hierdoor ontstond een schuld van ieder kind van € 100.000 aan uw vader. Volgens onze gegevens is deze schuld in etappes kwijtgescholden (2008: EUR 40.000; 2009: 40.000, 2010: EUR 5.000; 2011: EUR 5.000, 2012: EUR 5.000 en 20213: EUR 5.000). De schuld is dus weg.

Er is een beheersovereenkomst opgesteld, waarin u heeft afgesproken om uw vader te benoemen tot beheerder van de rekening. Naderhand is de beheersovereenkomst gewijzigd en is ook de tenaamstelling van de rekening gewijzigd (…) Door het overlijden van uw vader zal de beheersovereenkomst niet meer van toepassing zijn (…)

De conclusie is dat de 3 kinderen [achternaam] een vordering hebben ter grootte van 25% van het bedrag van de actuele waarde van de rekening. Wat er met deze rekening na het overlijden van uw vader is gebeurd, is ons niet bekend. De oorspronkelijke rekening ( [rekeningnummer] ) bestaat niet meer. Wellicht is het geld overgeboekt naar een andere rekening of anderszins belegd (…)”

2.9.

Bij e-mail van 13 december 2016 heeft ABN AMRO aan de advocaat van [eiseres] onder meer medegedeeld:

“De doelstelling van het gezamenlijk beleggen met door wijlen de heer [eiseres] en door mevrouw [eiseres] geschonken bedragen is geweest dat het vermogen voor de kinderen was bestemd als een aanvulling op het pensioen. De kinderen kunnen daarom ook niet beschikken over het vermogen en mevrouw [gedaagde] is gerechtigd het beleggingsbeleid vast te stellen.”

2.10.

En bij e-mail van 30 januari 2019 heeft ABN AMRO aan de advocaat van [gedaagde] bericht:

“Zoals besproken willen wij hierbij bevestigen dat ons e-mailbericht van 9 augustus 2016 aan mevrouw [eiseres] een onjuiste passage bevat,

Het betreft de zin:

Door het overlijden van uw vader zal de beheersovereenkomst niet meer van toepassing

zijn.

Deze passage is onjuist, gelet op onderdeel 6 van de beheersovereenkomst, waarin voorzien is in opvolging door mevrouw [gedaagde] .

De laatste alinea van genoemd e-mailbericht bevat een juiste vaststelling, namelijk dat de 3 kinderen een vordering hebben ter grootte van 25% van de actuele waarde van het beheerde vermogen. Gelet op de beheersovereenkomst betreft het een niet-opeisbare vordering.”

2.11.

Bij e-mail van 14 februari 2019 hebben de broer en zus van [eiseres] onder meer verklaard:

“Om haar ( [eiseres] , toevoeging rechtbank) te helpen in Zuid Afrika een bestaan op te bouwen, wat hun daarvoor zonder de financiële steun nauwelijks was gelukt, hebben wij allen besloten een huis te kopen waar [voornaam eiseres] een bed en breakfast zou beginnen, om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Om dit te kunnen bewerkstelligen heeft onze moeder de aandelen verkocht om geld vrij te maken voor deze koop. Wij waren daar alle drie van op de hoogte (…) Het huis was nooit eigendom van [voornaam eiseres] .

We hebben nooit gevraagd naar een jaarverslag, omdat de aandelenpoel opgeheven was met mede weten van ons allen en het door de accountant ieder jaar in de stukken vermeld staat als een rente dragende schuld naar ons toe. Wij weten ook dat deze pas opeisbaar is bij het overlijden van onze moeder.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na het vonnis inzage middels originele bescheiden en afschriften te geven over het vermogen waaruit de actuele huidige waarde van de herbeleging en de genomen stappen van de afgelopen negen jaar blijkt;

II. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan de ad I uit te spreken veroordeling binnen twee weken na betekeningen van het te wijzen vonnis bij wijze van dwangsom een bedrag van € 1.000,00;

III. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] haar volledige vorderingsrecht uit te keren, met een minimum van € 174.502,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2010, tot de dag der algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan de ad I uit te spreken veroordeling binnen twee weken na betekeningen van het te wijzen vonnis bij wijze van dwangsom een bedrag van € 1.000,00;

V. [gedaagde] subsidiair, indien de rechtbank van mening is dat [gedaagde] nog beheerder van de rekening en het erop staande vemrogen is, [gedaagde] per direct te ontheffen als beheerder van de rekening en het daarop staande vermogen en [eiseres] te benoemen tot beheerder van het vermogen;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] stelt ter adstructie van haar vorderingen dat [gedaagde] , zonder de kinderen daarvan op de hoogte stellen en zonder dat [eiseres] daarmee heeft ingestemd, de familierekening heeft opgeheven. Daarmee is het beheer van die rekening geëindigd. [gedaagde] heeft daarmee niet overeenkomstig haar bevoegdheden als beheerder gehandeld. Indien [gedaagde] nog wel als beheerder moet worden aangemerkt, stelt [eiseres] dat er sprake is van wanbeheer omdat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de bepalingen van de beheersovereenkomst. Tevens is het vermogen van de familierekening vermengd met vermogen van [gedaagde] zelf en is er geen gescheiden administratie van beide vermogens bijgehouden. Ook heeft [gedaagde] structureel nagelaten een opgave te verstrekken van het vermogen op de rekening.

4.2.

[gedaagde] voert aan dat zij op grond van de beheersovereenkomst – met uitsluiting van de kinderen – bevoegd is om alle handelingen te verrichten die voor een goed beheer noodzakelijk of wenselijk zijn, waaronder het kopen en verkopen van effecten, alsmede het doen van opnames of overboekingen. Op grond van de beheersovereenkomst was [gedaagde] derhalve bevoegd om het vermogen van de rekening op te nemen en te herbeleggen. De beheersovereenkomst is daardoor niet geëindigd omdat de beheersovereenkomst niet alleen ziet op het beheer van de rekening, maar ook op het vermogen. Alle kinderen hebben volgens [gedaagde] ingestemd met herbelegging van het vermogen op de familierekening in vastgoed in [land] en dat het vermogen, zoals dat was opgenomen, boekhoudkundig zou renderen met een zakelijk-/fiscaal aanvaardbare rente. De door [eiseres] gevorderde inzage is reeds verstrekt. Ten slotte betwist [gedaagde] dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid of aan verkwisting.

4.3.

De rechtbank is voorshands van oordeel dat als gevolg van het door [gedaagde] opheffen van de familierekening, die tevens op naam van de kinderen stond, bij ABN AMRO de beheersovereenkomst is geëindigd. De familierekening en de beheersovereenkomst waren immers, gelet op de bewoordingen van die overeenkomst en de kennelijke bedoeling van wijlen de heer [eiseres] , onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die vaststelling leidt er vervolgens toe dat ook de in de beheersovereenkomst opgenomen privatieve last aan [gedaagde] tot een einde is gekomen.

4.4.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] vervolgens vastgoed in [land] heeft aangekocht en dat in verband daarmee ten behoeve van de kinderen vanaf 21 juni 2010 een zakelijke rente is geadministreerd.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het aankopen van vastgoed niet kan worden beschouwd als een daad van beheer, maar veeleer als een daad van beschikken. Onder beheer wordt in het algemeen immers verstaan het hebben van de zorg en verantwoordelijkheid voor het in stand houden van een zaak of goed, terwijl beschikken veel meer ingrijpend is, namelijk het zelfstandig en vrijelijk over een goed kunnen beslissen omdat men daarvan het bezit heeft. Daar komkt bij dat het de rechtbank niet is gebleken dat de kinderen destijds hebben ingestemd met het opheffen van de familierekening, waartoe ook zij gerechtigd waren, en het vervolgens aankopen van het vastgoed. De door [gedaagde] overgelegde verklaring van twee van haar kinderen spreekt slechts van overleg tussen [gedaagde] en de kinderen, maar dat staat niet gelijk aan overeenkomen. Daar komt bij dat [gedaagde] ter comparitie niet erg specifieke verklaringen heeft afgelegd over de door haar gekozen vastgoedconstructie. Zo is onduidelijk gebleven met welk vermogen de aankoop van het vastgoed is gerealiseerd. Wel is vast komen te staan dat het vastgoed niet op naam van de kinderen is gesteld, maar op naam van slechts [gedaagde] zelf. Ook is de verkoopopbrengst van de woning door [gedaagde] herbelegd zonder dat gebleken is dat zij daarover rekening en verantwoording aan de kinderen heeft afgelegd.

4.6.

Op grond van hetgeen hiervoor werd overwogen komt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat er vanaf 21 juni 2010 geen sprake meer was van een familierekening op naam van (ook) de kinderen, maar van een (boekhoudkundig beschouwd) rentedragende lening van [gedaagde] aan de kinderen, waarover een zakelijke en fiscaal aanvaardbare rente wordt vergoed. Dit, noch het aankopen van vastgoed, valt te kwalificeren als daden van beheer in vorenbedoelde zin. Het aangaan van een lening en het aankopen van vastgoed vallen niet te kwalificeren als beheer van vermogen, maar als daden van beschikking. Dat de kinderen hebben ingestemd met het aangaan van een overeenkomst van geldlening, hetgeen door [eiseres] is betwist, is de rechtbank niet gebleken.

4.7.

Voor zover [gedaagde] betoogt dat de privatieve last na 21 juni 2010 zou zijn voortbestaan faalt dit betoog. Indien er veronderstellenderwijze al van uit moet worden gegaan dat de last is voortbestaan na de opzegging van de familierekening door [gedaagde] dan zou – indachtig en overeenkomstig de bedoelingen van wijlen de heer [eiseres] – voor het voortbestaan van die last nodig zijn dat het vermogen op een nieuwe beheersrekening zou worden gestort. Vast staat dat dit niet is geschied.

4.8.

De slotsom is dan ook dat het aan [eiseres] toekomende deel van het vermogen op de familierekening met het eindigen van de beheersrekening op 21 juni 2010 opeisbaar is geworden. Uit de berekening van de accountant, die als productie 7 bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht en waarvan de juistheid door partijen niet is weersproken, blijkt dat op voormelde datum per kind een vordering is ontstaan van

€ 151.915,00. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag van 21 juni 2010 zal worden afgewezen, nu deze rente niet is overeengekomen en [eiseres] niet heeft aangetoond dat [gedaagde] met haar betalingsverplichting in verzuim is geraakt. [gedaagde] is immers niet ingebrekegesteld, noch is gebleken dat de termijn van 21 juni 2010 als fatale termijn in de zin van artikel 6:83 onder a BW heeft te gelden. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 10 augustus 2018.

4.10.

De vordering tot betaling van een dwangsom zal worden afgewezen, nu ingevolge artikel 611a, eerste lid, Rv geen dwangsom kan worden opgelegd ten aanzien van vorderingen tot betaling van een geldsom.

4.11.

De vordering tot afgifte van stukken wordt afgewezen, omdat [eiseres] bij toewijzing daarvan geen belang meer heeft. De omvang van haar vordering per 21 juni 2010 is immers hiervoor reeds vastgesteld.

4.12.

De vordering om [gedaagde] als beheerder te ontslaan wordt eveneens afgewezen, nu hiervoor is geoordeeld dat het beheer van [gedaagde] met ingang van 21 juni 2010 is geëindigd.

4.13.

Gelet op het feit dat het in deze zaak om familiebetrekkingen gaat, acht de rechtbank aanleiding aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € € 151.915,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.1

1 Conc.: 1449