Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4494

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
7394367 \ CV EXPL 18-10952
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voldoende aannemelijk geworden concurrentiebeding overtreden, waarmee contractuele boetes zijn verbeurd door werknemer. Subsidiair beroep op matiging boetes toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0686
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7394367 \ CV EXPL 18-10952

Uitspraakdatum: 22 mei 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. N.L.E.M. Bynoe

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. H. Moltmaker

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 27 november 2018 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 23 april 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben [eiseres] en [gedaagde] bij brieven van 10 april respectievelijk 16 april 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een adviesbureau, gespecialiseerd in (WBSO-)subsidies in de innovatieve sector voor technologiebedrijven. Haar klanten bestaan uit startups, MKB-ondernemingen en beursgenoteerde bedrijven.

2.2.

In 2013 heeft [eiseres] [gedaagde] benaderd voor een functie binnen [eiseres] . Op dat moment was [gedaagde] werkzaam bij [voormalig werkgever] als Senior Subsidieadviseur.

2.3.

[gedaagde] heeft zijn arbeidsovereenkomst bij [voormalig werkgever] in november 2013 opgezegd om bij [eiseres] in dienst te kunnen treden. Na zijn opzegging heeft [gedaagde] met [voormalig werkgever] gesproken over zijn concurrentie- en relatiebeding. Beide bedingen vormde een belemmering voor zijn indiensttreding bij [eiseres] . Uiteindelijk heeft [eiseres] ca. € 8.000,00 exclusief BTW aan [voormalig werkgever] betaald ter afkoop van die bedingen.

2.4.

[gedaagde] is op 1 februari 2014 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [eiseres] . De laatste functie die [gedaagde] vervulde, is die van Senior Consultant, met een salaris van € 5.092,59 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.5.

[gedaagde] heeft, voorafgaand aan zijn indiensttreding, met [eiseres] onderhandeld over zijn arbeidsvoorwaarden, waaronder ook het concurrentie- en relatiebeding. Uiteindelijk is in de arbeidsovereenkomst opgenomen:

(…) Artikel 19 : Relatiebeding

a. Het is de werknemer verboden om zonder uitdrukkelijke toestemming van de werkgever binnen 1,5 jaar na het feitelijke einde van de dienstbetrekking in zelfstandig beroep, in dienstbetrekking of anderszins direct of indirect werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever, ongeacht het geografisch gebied, die ten tijde van beëindiging van de dienstbetrekking of in een periode één jaar voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking, cliënt waren van de werkgever en waarvoor de werknemer direct werkzaamheden heeft verricht.

b. Bij overtreding van de bepaling zoals hierboven in lid a van dit artikel bedoeld, verbeurt de werknemer een direct opeisbare boete aan de werkgever ter grootte van één keer de door werkgever ontvangen omzet van de onder lid a van dit artikel bedoelde cliënt(en) over de hoogste van de volgende periodes:

- de omzet over het voorafgaande kalenderjaar;

- de omzet over de voorafgaande 12 maanden.

Daarnaast is de werknemer een direct opeisbare boete verschuldigd aan de werkgever van € 250 per dag, zolang de overtreding voortduurt. bovendien is de werknemer verplicht tot betaling van volledig schadevergoeding aan de werkgever.

Artikel 20 : Concurrentiebeding

  1. Het de werknemer verboden om binnen een tijdvak van 2 jaar na beëindiging van het dienstverband alleen of met anderen een soortgelijk bedrijf als dat van de werkgever uit te oefenen en daaraan rechtstreeks of zijdelings deel te nemen of daarbij betrokken te zijn, alsmede om in genoemde periode relaties van de werkgever te benaderen of te doen benaderen met het oogmerk om alleen of met anderen dan wel voor anderen zaken te doen op het gebied waarop de werkgever werkzaam is. Het concurrentiebeding vervalt na een periode van 5 jaar, d.d. 1 februari 2019.

  2. Onder relaties wordt in dit verband verstaan een ieder die op het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst een zakelijke band heeft met de werkgever.

  3. Bij overtreding van het in dit beding bepaalde is de werknemer aan de werkgever verschuldigd een boete van € 10.000.- per overtreding, alsmede € 250 per dag dat deze overtreding voortduurt, welk(e) bedrag(en) onmiddellijk na ingebrekestelling opeisbaar zal/zullen zijn, onverminderd het recht van de werkgever tot het vorderen van volledige schadevergoeding. (…)

2.6.

In januari 2017 heeft [gedaagde] een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen, zonder aan [gedaagde] enige vergoeding toe te kennen. Het verzoek van [gedaagde] om hem te ontheffen uit het concurrentiebeding is door de kantonrechter afgewezen. [gedaagde] heeft zijn verzoek vervolgens ingetrokken.

2.7.

Partijen zijn nadien in overleg getreden over het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] werd in dat kader bijgestaan door mr. H. Lewin.

2.8.

Op 17 mei 2017 hebben partijen ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst).

2.9.

Artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

Postcontractuele verplichtingen

7.1.

Met betrekking tot de postcontractuele verplichtingen die voortvloeien uit de tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst komen partijen wat betreft het concurrentiebeding overeen dat de duur van het concurrentiebeding zes maanden wordt verkort, zodat het concurrentiebeding tot 1 augustus 2018 onverkort van kracht is.

7.2.

Het is Werknemer met ingang van 1 augustus 2018 toegestaan om als zelfstandige zonder personeel, met Werkgever concurrerende activiteiten te verrichten, met dien verstande dat Werknemer bij aanvang van deze activiteiten ter zake een bedrag van € 10.000 exclusief BTW aan Werkgever verschuldigd is, welk bedrag uiterlijk op 31 december 2019 door Werknemer aan Werkgever wordt voldaan.

7.3.

Het is Werknemer met ingang van 1 augustus 2018 toegestaan activiteiten te verrichten bij of voor een met Werkgever concurrerende organisatie zoals neergelegd in het concurrentiebeding, met dien verstande dat Werknemer bij aanvang van deze activiteiten ter zake een bedrag van € 15.000 netto aan Werkgever verschuldigd is, welk bedrag uiterlijk op 1 februari 2019 door Werknemer aan Werkgever wordt voldaan.

7.4.

Het tussen Partijen geldende geheimhoudingsbeding en het relatiebeding blijven onverkort van kracht.

7.5.

In geval van inbreuk op bovenstaande bedingen verbeurt Werknemer aan Werkgever een direct opeisbare boete van EUR 5.000 voor iedere overtreding, vermeerderd met EUR 1000 per dag dat deze overtreding voortduurt, zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst vereist is. De boete strekt ten gunste van Werkgever. In plaats van deze boete te vorderen, heeft Werkgever de mogelijkheid vergoeding van de volledige schade te vorderen. Werkgever heeft te allen tijde het recht nakoming van de geheimhoudingsverplichtingen te vorderen

2.10.

Per 1 januari 2018 is [gedaagde] met Wederic B.V. (hierna: Wederic) een overeenkomst van opdracht aangegaan voor 32 uur per week voor de duur van één jaar. De overeenkomst van opdracht ziet op de ontwikkeling van een softwaretool, te weten Incentivate.

2.11.

Sinds 18 juni 2018 is Incentivate B.V. ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige onderneming. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat Wederic Holding B.V. enig aandeelhouder en bestuurder is van Incentivate B.V.

2.12.

Op het internet wordt Wederic als volgt gepresenteerd:

Wederic is Nederlands marktleider in het verzorgen van subsidieaanvragen voor innovatieve projecten in de flexibele schil in Nederland. Zij bedienen beursgenoteerde organisaties, innovatieve MKB’ers, kennisinstellingen en veel Zelfstandige Professionals. Met de webtool Incentivate heeft Wederic het aanvraagproces van subsidies geautomatiseerd, waarmee ze het voor Zelfstandig Professionals mogelijk maken om gemakkelijk en succesvol subsidies aan te vragen.

Subsidies – Wederic

(…)www.wederic.nl > subsidies

Met onze IT tool Incentivate helpen wij uw subsidie aanvraagprocessen te versnellen en meer inkomsten te genereren.

SUBSIDIE DIENSTVERLENING NIEUWE STIJL

Op een compleet nieuwe wijze zorgen wij voor subsidies voor projecten: voor start-ups, grotere organisaties en gehele ketens van bedrijven. Met totale ontzorging op al de bijkomende werkzaamheden, middels door ons ontwikkelde IT tools.

INCENTIVATE: SUBSIDIE WEBTOOL

Met ons eigen product Incentivate kunnen wij efficiënt informatie voor subsidie aanvragen en kansen vergaren. (…)

Onze werkwijze en ons product Incentivate helpt u om voor de gehele keten van organisaties om u heen subsidiekansen te benutten. Van aanvraag tot aan administratie. (…)

(…) 6.500 EURO SUBSIDIE ONTVANGEN?

(…) ZP Zaken heeft een samenwerking met Wederic, specialist op het gebied van subsidies. Je kunt gratis je project aanmelden en omschrijven in een aparte webtool, Incentivate. Met een half uurtje werk weet je binnen enkele dagen of je project voor subsidie in aanmerking kan komen. (…) Speciaal voor ZP Zaken relaties geldt een gereduceerd tarief van EUR 650,- voor aanvragen voor eenmanszaken en BV’s. (…)

2.13.

[gedaagde] omschrijft zijn werkzaamheden als ‘Business Development’ bij Incentivate op zijn LinkedIn-pagina als volgt:

Sales van tooling voor het zelf aanvragen van subsidie (o.a. WBSO). Incentivate is een bewezen product en wordt al jarenlang actief door duizenden personen gebruikt. Klanten zijn grote beursgenoteerde organisaties, MKB-ers, zelfstandigen én intermediairs.

2.14.

Bij vonnis van 5 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] – kort gezegd – per direct, tot 1 augustus 2018, verboden werkzaam te zijn in strijd met het concurrentiebeding als verwoord in artikel 20 van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] , op straffe van een dwangsom. Vanwege een gebrek aan spoedeisend belang zijn de gevorderde (voor- schotten op de verbeurde) contractuele boetes door de voorzieningenrechter afgewezen.

2.15.

Bij e-mail van 4 oktober 2018 heeft [gedaagde] aan [CEO eiseres] , CEO [eiseres] (hierna: [CEO eiseres] ) geschreven: ‘(…) In opdracht van 1 mijn klanten ben ik voornemens een tender in te gaan dienen. Het is een aanbestedingstender voor een opdracht vanuit de overheid naar het bedrijfsleven en betreft geen subsidie-aanvraag. In het beoogde consortium zit een [eiseres] klant, als onderaannemer. Na overleg met mijn advocaat, ga ik ervan uit dat dit niet strijdig is met het overeengekomen relatiebeding. Zonder tegenbericht neem ik aan dat jij ons standpunt deelt. (…)

2.16.

Hierop heeft [CEO eiseres] bij e-mail van 5 oktober 2018 gereageerd: ‘(…) Vanmorgen spraken wij elkaar en gaf je aan dat je actief bent met Innogranted en je hiermee de afkoopsom verschuldigd bent per heden. Betaling hiervan dient uiterlijk bij ons binnen te zijn op 31 december 2019. (…) Voor wat betreft de inhoud van de e-mail wacht ik nog even de reactie af van onze advocaat. Ik kan je wel al melden dat ik van mening ben dat dit concurrerend is. (…)

2.17.

Bij e-mail van 21 december 2018 heeft [managing director] , Managing Director bij Info.nl, aan [gedaagde] geschreven: ‘(…) Wij hebben al jaren geen contact met (…) [gedaagde] , en het stoppen van de relatie met [eiseres] staat ook totaal los van deze persoon. Onze relatie met [eiseres] is verbroken na een langdurig dialoog tussen info.nl en [eiseres] over een niet goed lopende samenwerking. (…) Verder was info.nl ook niet op de hoogte van medewerking van (…) [gedaagde] bij de tender voor Mobian, wij hebben zelf niet meegeschreven hieraan. De tender voor De Stadbank is, net als iedere tender waar info.nl aan deelneemt, in eigen huis, door eigen mensen geschreven. (…) [gedaagde] heeft hier niets mee van doen gehad. (…)

2.18.

Bij brief van 1 februari 2019 heeft [betrokkene 1] van DJM inkjet solutions.nl aan [gedaagde] geschreven: ‘(…) Het is alweer een tijdgeleden dat je van de plots van de radar verdween en jammer te horen dat je een conflict hebt met [eiseres] . Wij hebben destijds [voornaam] gemeld dat we de WBSO zelf gaan doe en dat we de samenwerking met [eiseres] opzeggen. (…)Wij hebben destijds de samenwerking opgezegd omdat wij ons niet kunnen vinden in de manier om subsidie aan te vragen. (…)

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 90.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag. Daarbij vordert [eiseres] veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over de proceskosten indien deze kosten niet binnen een week na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden. [eiseres] vordert betaling van de contractuele boetes die [gedaagde] hierdoor heeft verbeurd (€ 185.000,00 ten aanzien van het concurrentiebeding en € 95.000,00 ten aanzien van het relatiebeding), met dien verstande dat [eiseres] – gelet op de omstandigheden – bereid is om deze boetes terug te brengen tot € 90.000,00.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en betoogt dat de kantonrechter [eiseres] niet-ontvankelijk dient te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen, althans bij toekenning van enige vordering deze in goede justitie te matigen. Dit alles met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde] voert daartoe – samengevat – aan dat hij niet in strijd met zijn concurrentie- en relatiebeding heeft gehandeld. Van concurrerende ondernemingen is geen sprake. [eiseres] en Wederic/Incentivate verrichten andere activiteiten. Daarbij had [gedaagde] bij Wederic/Incentivate een ander takenpakket dan bij [eiseres] . Bij Wederic/ Incentivate heeft [gedaagde] zich bezig gehouden met het ontwikkelen en op maat brengen van een softwaretool. Het daadwerkelijk aanvragen van de subsidies – waarmee hij zich vanuit zijn functie bij [eiseres] bezig hield – werd door anderen gedaan.

Ten aanzien van de gevorderde boetes voert [gedaagde] , primair, aan dat deze niet verschuldigd zijn, omdat geen sprake is van inbreuk op de bepalingen uit de vaststellingsovereenkomst. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de gevorderde boetes buitensporig hoog zijn, zodat deze gematigd dienen te worden tot nihil, althans tot een beduidend lager bedrag. Het veroordelen van [gedaagde] tot betaling van een groot bedrag aan boetesommen zal betekenen dat [gedaagde] zijn huis moet verkopen, waarin hij met zijn vrouw en twee kinderen woont. Daarnaast is van belang dat [eiseres] geen schade heeft geleden.

5 De beoordeling

5.1.

De eerste vraag die voorligt is of [gedaagde] het concurrentiebeding heeft overtreden. Vast staat dat [gedaagde] , na beëindiging van zijn dienstverband met [eiseres] , vanaf 1 januari 2018 werkzaamheden heeft verricht voor Wederic, althans Incentivate. De kantonrechter stelt voorop dat zij van ondergeschikt belang acht of [gedaagde] feitelijk voor Wederic of Incentivate B.V. werkzaamheden heeft verricht. Niet in geschil is immers dat Incentivate B.V. een separate onderneming van Wederic betreft en dat Incentivate in feite de softwaretool betreft waarmee Wederic het aanvraagproces van subsidies heeft geautomatiseerd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis wordt in het vervolg gesproken over Wederic.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of [eiseres] en Wederic als soortgelijke bedrijven in de zin van het concurrentiebeding moeten worden beschouwd. De kantonrechter oordeelt in dat kader als volgt.

5.3.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] en Wederic op dezelfde markt, dezelfde of gelijkwaardige producten of diensten aanbieden. Beide bedrijven houden zich immers, in ieder geval, (ook) bezig met het traject van subsidieaanvragen voor allerlei soorten ondernemingen (zie onder 2.1., 2.12. en 2.13). Zowel [eiseres] als Wederic trachten inkomsten te genereren door middel van het aan ondernemingen aanbieden van bemiddeling om subsidies aan te vragen. Dat de werkwijze van [eiseres] in dat kader zou verschillen van die van Wederic, nu Wederic de bemiddeling digitaal aanbiedt door middel van een softwaretool (Incentivate) en [eiseres] door middel van een fysieke consultant, is daartoe niet relevant. Van belang is dat [eiseres] en Wederic dezelfde (soort) diensten aanbieden en daarmee in dezelfde vijver vissen. Gelet hierop ziet de kantonrechter aanleiding om het geschil omtrent de vraag of [eiseres] (inmiddels) ook gebruik maakt van softwaretools die ondersteunend zijn voor de subsidieaanvraag, verder in het midden te laten. Het ligt in de rede dat als een zelfde soort product of dienst van de ene partij wordt afgenomen, er minder van de producten of diensten van de andere partij worden afgenomen, zodat in die zin sprake is van concurrentie. Niet relevant is welke werkwijze daarbij wordt gebruikt. De nuance die [gedaagde] lijkt te willen aanbrengen door te stellen dat de pijler ‘subsidie’ voor Wederic van ondergeschikt belang is en dat de softwaretool Incentivate ook wordt uitgebreid naar andere functies dan het aanvragen van subsidies, doet aan dit oordeel niet af. Wederic ontplooit weldegelijk soortgelijke activiteiten als [eiseres] , maar heeft daarnaast (kennelijk) ook nog andere activiteiten. Daarbij komt dat Incentivate door Wederic op internet wordt gepresenteerd als een softwaretool waarmee het aanvraagproces voor subsidies is geautomatiseerd (zie onder 2.12.) en is, mede ter zitting, door [gedaagde] verklaard dat hiermee grote bulkaanvragen voor subsidies gedaan kunnen worden, zodat de kantonrechter [gedaagde] in zijn stelling dat de pijler ‘subsidie’ voor Wederic van ondergeschikt belang is, ook niet kan volgen.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] en Wederic als soortgelijke bedrijven in de zin van het concurrentiebeding moeten worden beschouwd. Met het door [gedaagde] vanaf 1 januari 2018 verrichten van werkzaamheden voor Wederic is dan ook sprake van overtreding van het concurrentiebeding.

5.5.

De stelling van [gedaagde] dat hij zich – in tegenstelling tot zijn functie bij [eiseres] – bij Wederic niet bezig heeft gehouden met het identificeren, aanvragen en indienen van subsidieaanvragen, althans met de acquisitie van klanten, maar slechts met de technische ontwikkeling van een softwaretool om subsidieaanvragen mogelijk te maken, doet aan het voorgaande niet af. Met de stelling dat [gedaagde] geen concurrerende werkzaamheden bij Wederic zou verrichten miskent hij immers dat de enkele omstandigheid dat hij voor Wederic – een onderneming die onder het concurrentiebeding valt – werkzaamheden heeft verricht, betekent dat sprake is van overtreding van het concurrentiebeding (zie artikel 20 van de arbeidsovereenkomst, onder 2.5.).

5.6.

De tweede vraag die voorligt is of [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden. Volgens [eiseres] is daarvan sprake, omdat met de in de e-mail van 4 oktober 2018 door [gedaagde] bedoelde klant van [eiseres] (zie onder 2.15.) info.nl werd bedoeld, een relatie die onder het relatiebeding valt. Volgens [eiseres] is het duidelijk geworden dat info.nl op 3 september 2018 de samenwerking met [eiseres] heeft opgezegd, omdat zij voortaan diensten bij [gedaagde] kon afnemen. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij het vermoeden heeft dat [gedaagde] werkzaamheden verricht voor drie andere relaties van [eiseres] die de samenwerking met [eiseres] inmiddels hebben opgezegd, te weten (i) Tible, (ii) DJM / Internet & Inkjet Technologies B.V. en (iii) 1001001.

5.7.

[gedaagde] betwist dat hij het relatiebeding heeft overtreden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [gedaagde] , naast de onder 2.17. en 2.18. genoemde verklaringen van info.nl en DJM, ook nog twee ongedateerde schriftelijke verklaringen overgelegd. Een daarvan is afkomstig van [betrokkene 2] van Tible, die heeft verklaard: ‘(…) Hierbij verklaren wij naar aanleiding van de stelling van [eiseres] dat (…) [gedaagde] in strijd met zijn relatiebeding heeft gehandeld door ons te bewegen de relatie op te zeggen, dat wij sinds het vertrek bij [eiseres] geen contact met hem hebben gehad en/of zaken hebben gedaan. Wij zijn zelf de subsidie aanvragen gaan doen. [eiseres] heeft mij overigens niet gevraagd waarom wij de relatie hebben beëindigd. (…)’ De ander is afkomstig van [betrokkene 3] van 1001001, die heeft verklaard: ‘(…) Hierbij verklaren wij naar aanleiding van de stelling van [eiseres] dat (…) [gedaagde] in strijd met zijn relatiebeding heeft gehandeld door ons te bewegen de relatie op te zeggen, dat wij sinds het vertrek bij [eiseres] geen contact met hem hebben gehad/zaken hebben gedaan. Op 04-10-2018 is in de KvK geregistreerd dat 1001001 B.V. (de ontbonden rechtspersoon) is opgehouden te bestaan (…). Sinds 01-01-2018 waren er geen activiteiten meer. (…)

5.8.

Ondanks dat twee van de vier door [gedaagde] overgelegde schriftelijke verklaringen ongedateerd zijn, is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] – gelet op de inhoud van de verklaringen – haar stelling dat [gedaagde] (vermoedelijk) het relatiebeding zou hebben overtreden, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit niets is gebleken dat de opzeggingen van de samenwerking met [eiseres] door de betreffende bedrijven te maken zouden hebben gehad met het vertrek van [gedaagde] bij [eiseres] , laat staan dat aannemelijk is geworden dat [gedaagde] voor die opzeggingen verantwoordelijk is, zoals door [eiseres] is gesteld. Voor zover [eiseres] ter zitting de stelling heeft opgeworpen dat van de juistheid van de door [gedaagde] in het geding gebrachte verklaringen niet kan worden uitgegaan, omdat dit verklaringen betreffen van oud relaties en kennissen van [gedaagde] , oordeelt de kantonrechter dat het in dat kader op de weg van [eiseres] lag om die stelling met stukken te onderbouwen. Dit geldt temeer nu [gedaagde] in de conclusie van antwoord, onder overlegging van de schriftelijke verklaringen, gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] (vermoedelijk) het relatiebeding heeft overtreden. Dat [eiseres] heeft nagelaten – in tegenstelling tot [gedaagde] – stukken te overleggen ter onderbouwing van haar standpunt, waartoe zij wel ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, komt voor haar rekening en risico.

5.9.

Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden.

5.10.

Met het door [gedaagde] overtreden van het concurrentiebeding, zoals overwogen onder 5.3. tot en met 5.5., heeft hij de in artikel 7.5. van de vaststellingsovereenkomst opgenomen contractuele boetes verbeurd (zie onder 2.9.).

5.11.

[gedaagde] heeft, subsidiair, een beroep op matiging van de boetes gedaan. Bij de beoordeling hiervan stelt de kantonrechter voorop dat matiging op grond van artikel 6:94 lid 1 BW pas kan plaatsvinden ‘indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist’. De rechter dient deze bevoegdheid terughoudend te hanteren. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).

5.12.

[eiseres] heeft niet concreet kunnen aangeven welke schade zij heeft geleden doordat het concurrentiebeding is overtreden. Voor de kantonrechter is dan ook niet vast te stellen hoe de hoogte van de boete zich tot de schade verhoudt.

5.13.

De aard van de overeenkomst betreft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten aanzien van de inhoud en strekking van het beding overweegt de kantonrechter dat de boete bij overtreding van het concurrentiebeding € 5.000,00 bedraagt, vermeerderd met een boete van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Het overeengekomen salaris van [gedaagde] bij [eiseres] bedroeg € 5.092,59 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten). [eiseres] stelt dat de overtreding van het concurrentiebeding door [gedaagde] heeft plaatsgevonden van 1 januari 2018 tot 1 juli 2018, zodat de contractuele boete volgens haar is opgelopen tot € 185.000,00 (€ 1.000 x 30 dagen x 6 maanden + € 5.000). [gedaagde] voert aan dat hij vanaf 25 mei 2018 (tot 6 augustus 2018) geen werkzaamheden voor Wederic heeft verricht. Dit zou, naar de berekening van de kantonrechter, neerkomen op een verbeurde contractuele boete van € 150.000,00 (€ 1.000 x 145 dagen + € 5.000). [eiseres] heeft, gelet op de omstandigheden, voor het overtreden van het concurrentie- en relatiebeding een bedrag van in totaal € 90.000,00 gevorderd. Dit bedrag komt overeen met bijna 1,5 bruto jaarsalarissen zoals [gedaagde] deze destijds bij [eiseres] verdiende.

5.14.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen, overweegt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [gedaagde] door de kantonrechter was ontbonden, waarna [gedaagde] zijn verzoek heeft ingetrokken en partijen een vaststellings- overeenkomst hebben gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dat kader hebben partijen (bijgestaan door professioneel gemachtigden) onder meer onderhandeld over het concurrentie- en relatiebeding, waarna de postcontractuele verplichtingen in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen zoals genoemd onder 2.9. Daarbij heeft [gedaagde] bij zowel zijn indiensttreding als bij zijn uitdiensttreding bij [eiseres] onderhandeld over het relatie- en concurrentiebeding. Aangenomen mag dan ook worden dat [gedaagde] welbewust was van de reikwijdte van de betreffende bedingen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] dan ook welbewust het risico aanvaard dat met zijn werkzaam- heden voor Wederic sprake zou zijn van overtreding van het concurrentiebeding.

5.15.

Voorts is van belang dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat een veroordeling van betaling van een groot bedrag aan boetesommen zal betekenen dat [gedaagde] zijn huis moet verkopen, waarin hij met zijn (parttime werkende) vrouw en twee kinderen woont. [gedaagde] heeft verder verklaard dat hij thans kan rondkomen van zijn werkzaamheden die hij verricht voor een aantal klanten waarvoor hij subsidies regelt, maar dat hij geen grote bedragen op de bank heeft staan.

5.16.

De kantonrechter komt op basis van de hiervoor geduide omstandigheden tot de conclusie dat de toepassing van het onderhavige boetebeding – hetgeen door [eiseres] overigens ook niet is gevorderd – in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. [eiseres] vordert een bedrag van in totaal € 90.000,00. Ook van dit bedrag is de kantonrechter van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij is met name van belang dat (i) [eiseres] niet heeft kunnen aangeven daadwerkelijk schade te hebben geleden door de overtreding van het concurrentiebeding door [gedaagde] en (ii) [gedaagde] heeft aangevoerd dat toewijzing van grote boetebedragen ertoe zal leiden dat hij zijn huis zal moeten verkopen.

5.17.

Bovengenoemde omstandigheden nopen tot een matiging van de boete. De kanton- rechter acht een matiging tot nihil echter te ver gaan, nu [gedaagde] [eiseres] voor een voldongen feit heeft geplaatst door voor een concurrent te gaan werken en daarmee een gerechtvaardigde vrees voor benadeling op te roepen. Daarbij komt dat het belang van een werkgever bij een concurrentiebeding – namelijk het voorkomen van verlies van klanten bij beëindiging van de arbeidsrelatie met een werknemer en het voorkomen dat een werknemer door de kennis van de klanten of het klantenbestand van de ex-werkgever zichzelf (of zijn nieuwe werkgever) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen – zwaar weegt. De stelling van [gedaagde] dat de boete gematigd moet worden tot nihil, omdat hij voor de ‘afkoop’ van het concurrentiebeding vanaf 1 augustus 2018 € 10.000,00 aan [eiseres] zal betalen, volgt de kantonrechter niet. Partijen zijn immers in de vaststellingsovereenkomst expliciet overeengekomen dat het in de arbeids- overeenkomst opgenomen concurrentiebeding tot 1 augustus 2018 onverkort van kracht is en, daarnaast, dat [gedaagde] een bedrag van € 10.000,00 respectievelijk € 15.000,00 aan [eiseres] verschuldigd is indien hij vanaf 1 augustus 2018 concurrerende activiteiten verricht als zelfstandige zonder personeel of activiteiten gaat verrichten voor een met [eiseres] concurrerende organisatie. De kantonrechter is wel van oordeel dat een dergelijk door [gedaagde] te betalen ‘afkoopbedrag’ als omstandigheid kan worden meegewogen bij het matigen van de boete. Gelet daarnaast op de omstandigheden dat (i) [eiseres] voor het door [gedaagde] overtreden van zowel het concurrentie- als het relatiebeding in totaal een bedrag van € 90.000,00 heeft gevorderd, (ii) de kantonrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden en (iii) [gedaagde] niet heeft aangevoerd welk bedrag aan boetesommen zal betekenen dat hij zijn huis zal moeten verkopen, acht de kantonrechter een matiging van de boete tot een bedrag van € 32.500,00 op zijn plaats.

5.18.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] , in gematigde vorm, zal toewijzen.

5.19.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 105,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagde] worden gemaakt. Anders dan door [eiseres] is aangevoerd, doet het beschikken over een rechtsbijstandsverzekering geen afbreuk aan het recht op een proceskostenvergoeding.

5.20.

Nu de overige stellingen van partijen niet tot een ander oordeel kunnen leiden, behoeven deze geen verdere behandeling.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres] een bedrag van € 32.500,00 te betalen;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 101,75

griffierecht € 952,00

salaris gemachtigde € 420,00,

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 105,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter