Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:444

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank laat de navorderingaanslag in stand; verweerder heeft het gebruikelijk loon voor eiseres terecht beperkt tot twee vennootschappen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81
Wet op de loonbelasting 1964 12a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-02-2019
V-N Vandaag 2019/380
FutD 2019-0473 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/5815

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 met dagtekening 29 december 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.170.

Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht van € 3.799.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2016 de navorderingaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2018 te Haarlem. Deze zaak is tegelijkertijd behandeld met de beroepszaken van [A] , geregistreerd onder de nummers HAA 16/5816 en 17/4294.

Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.C.J.L. Boomsma-Slats, mr. N. Kolder en M. Baarslag.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres was in 2010 gehuwd met [A] voornoemd. Inmiddels zijn zij gescheiden.

2. Eiseres heeft op 1 april 2011 aangifte ib/pvv 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. De definitieve aanslag ib/pvv, gedagtekend

31 januari 2013, heeft verweerder voor het jaar 2010 vastgesteld overeenkomstig de aangifte.

3.1.

Op 14 augustus 2015 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij [B] B.V., waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport d.d. 8 februari 2016. In dit rapport is op bladzijde 3 onder meer het volgende vermeld:

“Volgens de heer [A] is hij enig aandeelhouder van [C] Inc. die gevestigd is op de Seychellen- eilanden. [C] Inc. bezit de aandelen van [E] LTD, die gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK). [E] LID bezit de aandelen van het eveneens in het VK gevestigde [D] LTD, en van [G] Ltd. [D] LTD heeft op 6 mei 2009 van een derde partij de aandelen van een holdingvennootschap, met daaronder nog twee werk-vennootschappen (waarvan de belastingplichtige er één is), gekocht. De naam van die holding is gewijzigd in de naam [H] BV, en één van de werkmaatschappijen (de belastingplichtige) kreeg de naam [I] BV (dat uiteindelijk is veranderd in de huidige naam: ‘ [B] BV’).

(…)

Op 8 april 2011 heeft de heer [A] de aandelen [H] BV (en daardoor ook de aandelen van o.a. de belastingplichtige) gekocht van [D] LTD.

Gezien het voorgaande is de heer [A] in 2010 middellijk enig-aandeelhouder van de

belastingplichtige en [G] Ltd.”

3.2.

Op 4 november 2009 en op 26 januari 2012 hebben accountmanagers van de Belastingdienst een bezoek gebracht aan het kantoor van de vennootschappen van de ex-echtgenoot van eiseres. In het opgemaakte verslag van het bezoek op 4 november 2009 is onder meer het volgende vermeld:

“De heer [A] en mevrouw [G] zijn een paar jaar geleden begonnen in een vof. Mw. [X] . heeft fiscaal recht gestudeerd. Dhr. [A] . doet de boekhouding, mw. [X] . doet het fiscale aspect. Daarnaast bemiddelen ze tussen de Belastingdienst en de klant, meestal in gevallen waarin de invordering van belastingschulden een rol speelt. Zij heeft bij de Belastingdienst gewerkt in de invordering. Later zijn ze gebruik gaan maken van Ltd’s. De klanten werden behandeld door [J] Ltd. Volgens de fax momenteel door [K] Ltd. In de toekomst willen ze alle ondernemers behandelen onder [I] BV en alle particulieren onder [L] BV. Volgens dhr. [A] . hebben ze ongeveer 1000 particulieren en ongeveer 40 ondernemers als klanten. Bij een nieuwe klant voeren zij altijd eerst een kennismakingsgesprek. Als het klikt mag degene klant worden. Voorwaarde is wel dat de boekhouding wordt gedaan door dhr. [A] . Hij doet ook alle aangiften (lB, OB, LB enz.).

(…)

Als dhr. [A] . een ob aangifte klaar heeft, zet hij hem in het dossier. De klant moet hem dan accorderen. Pas dan wordt de aangifte OB verzonden. Ook is er controle tussen

de omzet in de aangiften OB en de omzet in de aangiften IB/Vpb. Mw. [X] . doet de lB aangiften van ouderen bij de mensen thuis. Zij heeft dan een laptop bij zich en doet daar dan de aangifte. De mensen zijn hier heel blij mee. Kosten: ? 30. Zij adviseren hun klanten om in het begin gebruik te maken van Ltd’s. Het voordeel daarvan is dat de zaken en privé gescheiden zijn en een Ltd. Is goedkoop. Dhr. [A] . heeft in Engeland [D] Ltd. Deze Ltd. heeft als activiteit het oprichten van Ltd’s. Ook hebben zij in Engeland een Tax agency. Zij kunnen ook in Engeland aangiften indienen. Deze activiteiten zijn ondergebracht in [K] Ltd.

(8196.79.835). Van beide Ltd’s is dhr. [A] directeur.”

In het opgemaakte verslag van het bezoek op 26 januari 2012 is onder meer het volgende vermeld:

“Directie / eigenaar Mw. [X] i.s.m. haar echtgenoot

Aantal medewerkers 4, 2x ZZP en 2x op afroep; tevens heeft men stagiairs van de ROC?s in A?dam en Utrecht

Taakverdeling: De echtgenoot van mevrouw [X] verzorgt de administraties / boekhouding van de klanten, en dan ook de bijbehorende aangiften van met name de ondernemers; mevrouw [X] verzorgt hoofdzakelijk de aangiften van particulieren i.c. IB niet-winst en geeft daarnaast fiscaal en juridisch advies; de echtgenoot verricht ook de controle op de aangiften en verzorgt de opstelling van de benodigde jaarrekeningen; de ZZP’ers en de oproepkrachten verrichten het “inklopwerk”.

(…)

Vakkennis (opleiding/kennisonderhoud)Fiscale en juridische opleiding (Leiden) praktijkkennis o.a. opgedaan bij de Belastingdienst; echtgenoot en medewerkers allen op HBO-niveau; vakliteratuur /info via zaakgerichte fiscaal e-mail verkeer; vakstudienieuws; vakbladen; IM-dagen; en bijeenkomsten van de beroepsorganisatie(s); geeft les aan RB-adviseurs.

(…)

Welke aangiften: IB, VPB, OB; en de LH; tevens Successie- erfbelasting etc.; Tariefstelling (vaste prijs of uurtarief)? 125 voor (fiscaal) advieswerk, 1B-aangiften voor? 40 tot ? 50 en voor het ?inklopwerk?; en soms een offerte vanaf ? 700 voor een totaal-pakket

(…)

Aantal klanten - Ca. 1.000 Verdeling particulieren/ondernemers: 30 ondernemers; de rest

Particulier”

4. Eiseres heeft fiscaal recht gestudeerd.

5. Eiseres is in 2010 30% aandeelhouder en bestuurder van [J] Ltd. Eiseres heeft in haar aangifte niet aangegeven dat ze aanmerkelijkbelanghouder is.

6. De ex-echtgenoot van eiseres is in 2010 (on)middellijk 100%-aandeelhouder en bestuurder van de volgende vennootschappen:

- [C] Inc. Seychellen-eilanden;

- [E] Ltd.;

- [H] B.V.,

- [B] B.V. (voorheen: [I] B.V.);

- [K] Ltd.;

- [M] .;

- [N] B.V.;

- [O] B.V.;

- [J] Ltd. (70%).

7. In de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: vpb) 2010 van [M] . is € 6.832 omzet verantwoord en geen loonkosten. In de vpb-aangifte 2010 van [B] B.V. (voorheen: [I] B.V.) is € 115.379 omzet verantwoord en € 2.217 aan lonen en salarissen. In de aangiftes loonbelasting is een totaal bedrag van € 2.807 voor loonkosten aangegeven waarvan € 351 voor privégebruik auto van eiseres gedurende twee maanden.

8. Bij het bezwaarschrift en het beroepschrift van haar ex-echtgenoot is een vpb-aangifte 2010 gevoegd van [K] Ltd. Deze aangifte is niet gelijk aan de op 31 oktober 2011 formeel bij verweerder ingediende aangifte, want die aangifte bestaat alleen uit een balans. In de in bezwaar en beroep ingediende aangifte is een omzet opgenomen van € 70.362 plus overige opbrengsten van € 7.346. In de ingediende aangifte is geen winst- en verliesrekening opgenomen. In de in bezwaar en beroep ingediende aangifte zijn kosten voor lonen en salarissen van € 5.786 en sociale lasten van

€ 2.624 opgevoerd, terwijl de ingediende loonaangiftes tot en met 31 mei 2010 (datum van afvoeren loonbelastingplicht) nihil zijn.

9. Administratie- en advieskantoor [B] B.V. is als rechtsopvolger van [K] Ltd. gerechtigd met de betrekking tot de aan haar gecedeerde vordering van [P] B.V. op de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft [P] B.V. een beschikking instemming met cessie/verpanding gezonden. De uit de vordering voortvloeiende betaling van € 96.458 is op 25 oktober 2010 ontvangen op een bankrekening van [K] Ltd., die is verwerkt in de administratie van [B] B.V.

10. In de vpb-aangifte 2010 van [N] B.V. is een omzet van € 80.754 verantwoord en een bedrag aan lonen en salarissen van € 31.458. In de aangiftes loonbelasting is een totaalbedrag van € 2.807 voor loonkosten aangegeven waarvan € 351 voor privégebruik auto van eiseres haar ex-echtgenoot gedurende 2,5 maand.

11. Bij brief van 27 november 2015 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat een navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2010 zal worden opgelegd in verband met correcties van het inkomen uit werk en woning in verband met het niet aangeven van gebruikelijk loon van € 41.000 voor [K] Ltd. en tevens van € 41.000 voor [J] Ltd.

Geschil
12. In geschil is of eiseres tweemaal een bedrag aan gebruikelijk loon in aanmerking dient te nemen. Tevens is in geschil of er sprake is van schending van het motiveringsbeginsel door verweerder.

13. Eiseres is van mening dat zij onmogelijk een gebruikelijk loon van € 41.000 kan hebben genoten uit [K] Ltd., omdat dit strijdig is met verweerders eigen boekenonderzoek waarin wordt vermeld dat deze vennootschap in 2010 is opgeheven. Voorts wijst eiseres erop dat de [J] Ltd. in datzelfde onderzoek geen onderwerp van onderzoek geweest, zodat door verweerder niet kan zijn vastgesteld dat er voor deze vennootschap sprake is geweest van gebruikelijk loon. Bovendien stelt eiseres dat zij niet in staat was om werkzaamheden te verrichten, omdat zij in 2010 in afwachting was van een oproep voor haar detentie van 12 weken. Tenslotte stelt eiseres zich op het standpunt dat een deugdelijke motivering aan de navorderingsaanslag ontbreekt.

14. Verweerder stelt dat de gebruikelijk-loonregeling van toepassing is, omdat

eiseres niet alleen werkzaamheden heeft verricht voor de in de brief van 27 november 2015 genoemde vennootschappen maar ook voor de andere vennootschappen waarvan haar ex-echtgenoot (middellijk) aandeelhouder is. Door in de aangifte ib/pvv 2010 geen melding te maken van dit gebruikelijk loon, heeft eiseres volgens verweerder niet de vereiste aangifte ib/pvv 2010 gedaan en dient volgens verweerder de bewijslast te worden omgekeerd en te worden verzwaard. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel.

Beoordeling van het geschil

Gebruikelijk loon

15.1.

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder loon verstaan loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

15.2.

In artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld wordt op € 41.000. Indien aannemelijk is dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economisch verkeer een lager loon dan € 41.000 gebruikelijk is, wordt ingevolge diezelfde bepaling het loon gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Deze regeling wordt aangeduid met de gebruikelijk-loonregeling.

15.3.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet LB luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of (…).”

15.4.

In artikel 4, aanhef en onderdeel d, van de Wet LB in samenhang met artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is bepaald dat als (fictieve) dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.

16. Vaststaat dat in 2010 de toenmalige echtgenoot van eiseres - die daarmee haar partner was in de zin van art 12a, eerste lid, van de Wet LB - (middellijk) aandeelhouder was van de onder punt 6 genoemde vennootschappen en dat eiseres toen zelf 30% aandeelhouder was van [J] Ltd. Als eiseres werkzaamheden verricht voor een of meerdere van deze vennootschappen, dient eiseres daarvoor een gebruikelijk loon te ontvangen.

17.1.

Ingevolge artikel 27e aanhef, onderdeel a, en slot, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dient in geval de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

17.2.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009,

nr. 07/10513, HR:2010:BL7957).

18. Verweerder heeft gesteld dat eiseres werkzaamheden heeft verricht voor rechtspersonen waarin zij een aanmerkelijk belang houdt en dat uit de gedane correcties inzake het gebruikelijk loon volgt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres in [K] Ltd. in 2010 diverse werkzaamheden heeft verricht, ondanks dat deze vennootschap in 2010 zou zijn opgeheven zoals door eiseres is gesteld. Verweerder heeft in dit verband op de uitspraak op bezwaar omzetbelasting [P] B.V. van 10 augustus 2010 gewezen waaruit blijkt dat eiseres in 2010 diverse malen zowel telefonisch als schriftelijk contact alsmede een gesprek heeft gehad met medewerkers van de Belastingdienst. Uit een brief van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2010 heeft verweerder tevens kunnen afleiden dat eiseres als contactpersoon is opgetreden voor een op 15 september 2010 ontvangen beroepschrift van [P] B.V.. Verweerder heeft voorts hiermee aannemelijk gemaakt dat als gevolg van deze werkzaamheden [P] B.V. € 96.458 heeft terugontvangen van de Belastingdienst. Het feit dat dit bedrag door middel van een akte van cessie is overgedragen aan [K] B.V. duidt er eveneens op dat er namens deze vennootschap werkzaamheden zijn verricht voor [P] B.V.. Voorts heeft haar ex-echtgenoot tijdens het boekenonderzoek verklaard dat ook zijn echtgenote werkzaamheden verrichtte voor zijn vennootschappen. Bovendien is aan eiseres door [B] B.V. een auto ter beschikking gesteld. Dat volgens eiseres zij in 2010 niet in staat was om werkzaamheden te verrichten omdat zij moest wachten op een oproep voor haar detentie, heeft verweerder voldoende weersproken. Dit maakt het zoeken naar een werkkring bij derden misschien lastig, maar staat niet in de weg aan het werken voor de vennootschappen van haar toenmalige echtgenoot. Voorts heeft verweerder op basis van de hierboven onder punt 3.2 opgenomen gedeeltes uit de gespreksverslagen met de accountmanagers aannemelijk gemaakt dat eiseres door het verzorgen van ib/pvv-aangiften van circa 1.000 particulieren ook uit naam van [B] B.V. en [M] . werkzaamheden heeft verricht. Uit deze gespreksverslagen blijkt tevens dat via [K] Ltd., [D] Ltd. en [J] Ltd. in 2010 werkzaamheden werden verricht voor het oprichten van Limiteds en het verzorgen van de aangiftes voor deze vennootschappen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat deze werkzaamheden dusdanig fiscaal-juridisch complex van aard zijn dat eiseres als fiscaal jurist in ieder geval een deel van deze werkzaamheden heeft verricht. Nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat de [N] B.V. slechts één maand iemand in dienst heeft gehad en met € 80.754 een substantiële omzet heeft gedraaid, is het aannemelijk dat eiseres, waarvan vaststaat dat zij ook een opleiding in de zorg heeft gevolgd, ook voor deze vennootschap werkzaamheden heeft verricht.

19. De rechtbank acht gelet op de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, aannemelijk dat in alle vennootschappen werkzaamheden zijn verricht. Voorts is door verweerder aannemelijk gemaakt dat eiseres als fiscaal jurist en als zorgverlener (een deel) van deze activiteiten heeft verricht. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook redelijkerwijs dat aannemelijk is dat eiseres in ieder geval met zes van de vennootschappen een fictieve dienstbetrekking had. Daar doet niet aan af dat verweerder in zijn brief van

27 november 2015 slechts [K] Ltd. en [J] Ltd. als vennootschappen heeft genoemd waaruit eiseres een gebruikelijk loon heeft genoten. Als verweerder naderhand aannemelijk weet te maken dat eiseres ook in de overige vennootschappen werkzaamheden heeft verricht, dan staat het hem vrij ook die vennootschappen in de onderbouwing van de correcties te betrekken. Nu eiseres, op wie de bewijslast rust uit hoofde van de tekst van artikel 12a van de Wet LB maar ook uit hoofde van een redelijke bewijslastverdeling, geen informatie heeft verstrekt op grond waarvan kan worden aangenomen dat de werkzaamheden voor deze vennootschappen wat betreft aard en omvang tot een lager dan het in artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB vermelde bedrag zouden moeten leiden, zou kunnen worden uitgegaan van een gebruikelijk loon van

€ 41.000 per vennootschap. Nu verweerder het gebruikelijk loon heeft beperkt tot twee vennootschappen leidt dit tot een correctiebedrag van € 82.000.

20. Eiseres heeft in haar aangifte ib/pvv 2010 geen inkomen uit werk en woning aangegeven en ook in de definitieve aanslag is dit inkomen op nihil vastgesteld.

Derhalve is in zowel absolute als relatieve zin een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet aangegeven. Aangezien zij fiscaal jurist is, is aannemelijk dat eiseres zich hiervan ten tijde van het doen van de aangifte bewust moet zijn geweest, zodat de vereiste aangifte niet is gedaan. Gelet hierop, dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze omkering in dit geval onevenredig is.

21. De omkering van de bewijslast brengt mee dat eiseres de stelplicht en de (verzwaarde) bewijslast draagt ten aanzien van feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of de bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde of nader vastgestelde belastingaanslag onjuist is (Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129). Gelet hierop, wordt de navorderingsaanslag geacht juist te zijn, tenzij eiseres overtuigend aantoont dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

22. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat de navorderingsaanslag op dit onderdeel te hoog is vastgesteld.

Redelijke schatting

23. Eiseres heeft aldus het van haar te verlangen bewijs niet geleverd. De rechtbank dient dan nog wel te beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde navorderingsaanslag berust op een redelijke schatting. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiseres dit mede aan zichzelf heeft te danken door geen of weinig informatie te verstrekken, zodat verweerder redelijkerwijs niet anders heeft kunnen handelen dan door zich te baseren op de gegevens zoals deze uit controlerapport voortvloeiden.

Schending van het motiveringsbeginsel?

24. De grief van eiseres dat de navorderingsaanslag en de uitspraak op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd, treft geen doel. Verweerder is aanvankelijk een boekenonderzoek gestart met betrekking tot de vpb-aangifte 2010 van [K] Ltd. De uit dat onderzoek naar voren gekomen feiten waren voor verweerder voldoende aanleiding om ook de aangifte ib/pvv 2010 van eiseres voor wat betreft het gebruikelijk loon aan een nader onderzoek te onderwerpen. In het onderzoeksrapport wordt naar het oordeel van de rechtbank op dit onderwerp uitgebreid en gemotiveerd ingegaan om hetgeen aldaar naar voren is gekomen als onderbouwing te mogen laten dienen voor de navorderingsaanslag. Daarnaast heeft verweerder in zijn brief van

4 oktober 2016 eiseres in kennis gesteld van zijn voorlopige standpunt in deze zaak. Als eiseres van mening is dat de daarin door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden niet kloppen, dan ligt het op de weg van eiseres om deze gemotiveerd te weerspreken en van haar kant feiten te stellen en vervolgens aannemelijk te maken dat hetgeen verweerder stelt niet juist is. Het door verweerder op 2 december 2016 geplande hoorgesprek was hiertoe een uitgelezen moment geweest. Doordat eiseres er bewust voor heeft gekozen om niet op dat hoorgesprek te verschijnen, kan, en daarmee anders dan eiseres heeft gesteld, verweerder niet worden verweten dat de uitspraak op bezwaar van 9 december 2016 vrijwel gelijk is aan het eerder ingenomen voorlopige standpunt.

25. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. A.A. Fase en

mr. G.H. de Soeten, rechters, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

[X] . een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.