Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4415

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
15/028764-19 (P) en 15/860040-18 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte geprobeerd een ramkraak te plegen door met een gestolen auto meerdere malen tegen de pui van sigarenwinkel aan te rijden.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.

Verbeurdverklaring auto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/028764-19 (P) en 15/860040-18 (tul)

Uitspraakdatum: 23 mei 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] , thans gedetineerd in [Justitieel Complex] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 februari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om (in/uit een filiaal van [winkel] gelegen aan het [adres] ) sigaretten en/of (andere) rookwaar en/of geld en/of een of meer andere goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [winkel] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming met een personenauto (meermalen) de toegangsdeur en/of de ruit(en) van voornoemde winkel heeft/hebben geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en

dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde

feit. De officier van justitie heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

De gestolen BMW die is gebruikt bij de poging tot ramkraak is dezelfde BMW die door verbalisanten later zonder inzittenden is aangetroffen op een parkeerterrein. De BMW was immers nog warm en delen van het achterlicht van de BMW zijn aangetroffen op de plaats van het misdrijf. Verdachte kan worden gekoppeld aan voornoemde auto want zijn DNA is daarin aangetroffen. Het daadwerkelijke overstappen van de verdachten van de BMW naar de vluchtauto – de Mercedes van de verdachte – is niet gezien door verbalisanten, maar het causaal verband is helder. De BMW is achtergelaten op hetzelfde parkeerterrein waarvandaan de Mercedes is vertrokken. Bovendien zijn de verdachten voor de politie gevlucht en hebben zij onderweg inbrekersgereedschap uit de auto gegooid. Verdachte heeft bovendien geen alternatief scenario gepresenteerd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu er onvoldoende aanwijzingen zijn om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen. De raadsvrouw heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

Uit het dossier volgt dat op de camerabeelden geen aanwijzingen zijn te vinden voor de aanwezigheid van verdachte bij de [winkel] . Verder laat het tijdspad zoals dat kan worden vastgesteld uit de stukken de mogelijkheid open dat een andere vluchtauto van de parkeerplaats is weggereden voordat de helikopter zicht had op Hoofddorp. De inzittenden van de politiehelikopter hebben geen personen zien overstappen van de bij de ramkraak gebruikte BMW naar de Mercedes van verdachte. Het is slechts een vermoeden dat er tussen deze twee auto’s is gewisseld. Slechts 26 seconden nadat is gezien dat de BMW het parkeerterrein is opgereden, is de camera van de helikopter op het parkeerterrein gericht. Voornoemd tijdsbestek is te kort om een auto het terrein op te rijden, keurig naast een andere auto te parkeren op het uiterste punt van de parkeerplaats, over te stappen naar die andere auto, die te starten, en weg te rijden. Het is bovendien opmerkelijk dat er geen sleutel van de BMW bij de verdachten is aangetroffen. Ook de telefoongegevens zijn niet belastend voor verdachte. Wat betreft de op het stuurwiel van de BMW aangetroffen huidcellen van verdachte, is opgemerkt dat het een verplaatsbaar spoor betreft, zodat dit ook via een ander of zelfs op een ander moment in de BMW terecht gekomen kan zijn.

Concluderend kan enkel bewezen worden dat verdachte de Mercedes heeft bestuurd. Deze gedraging kan hooguit met medeplichtigheid in verband worden gebracht en dit is niet ten laste gelegd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 4 februari 2019 (dossierpagina’s 98 t/m 99), onder andere inhoudende:

Ik kwam 4 februari 2019 bij mijn sigarenwinkel [winkel] aan het [adres] Nieuw-Vennep . Ik zag dat de voorzijde van de winkel helemaal in puin lag. Ik heb op zaterdag 2 februari 2019 de winkel afgesloten en in goede staat achtergelaten. De voorzijde van de winkel was dicht getimmerd met hout en alleen het rechter raam was nog heel. Ik zag dat het hekwerk aan de binnenzijde van het raam nog gesloten was. Ik heb nog niet binnen kunnen kijken maar gezien het beveiligingshekwerk nog gesloten was, denk ik niet dat de inbrekers in de winkel zijn geweest. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 4 februari 2019 (dossierpagina’s 101 t/m 106), onder andere inhoudende:

Op maandag 4 februari 2019, omstreeks 00.25 uur, hoorde ik een harde knal. Ik

hoorde dat de knal afkomstig was vanaf het winkelcentrum aan de overkant van mijn

woning. Dit betreft het [adres] te Nieuw-Vennep. Ik hoorde na de eerste knal nog

een tweede knal vanaf de zelfde kant. Ik ben toen bij mijn raam gaan kijken. Ik zag

toen bij het [adres] ter hoogte van [adres] een witte auto, deze reed op de

stoep. Ik zag dat dit voertuig wegreed in de richting van de IJweg. Ik zag toen het

voertuig dichterbij mijn woning reed dat het ging om een BWM. Mijn vrouw heeft de politie gebeld.

Het proces-verbaal van bevindingen van 7 februari 2019 (dossierpagina’s 147 t/m 148), onder andere inhoudende:

Wij, verbalisanten, bevonden ons op 4 februari 2019 omstreeks 00:30 uur in een opvallende

politiehelikopter. Wij hoorden de melding van een ramkraak op het [adres] in Nieuw-Vennep. Hierop begaven wij ons ten spoedigste richting Nieuw-Vennep, waar wij volgens onze navigatiesystemen ongeveer een minuut later zouden arriveren. Aanvliegend besloot ik, verbalisant, te kijken naar uitvalswegen vanuit Nieuw-Vennep. Ik zag dat het rustig was op straat en er weinig verkeer reed. Vervolgens zag ik een voertuig met verhoogde snelheid vanuit Nieuw-Vennep over de IJweg in de richting van de N207 rijden. Ik heb het voertuig gevolgd en ik zag dat het voertuig ineens remde. Vervolgens zag ik dat het voertuig een scherpe bocht naar links maakte en daarna in tegenovergestelde richting als waar het voertuig vandaan kwam rechts een terrein op reed. Dit bleek later een parkeerplaats te zijn.

Ik, verbalisant, zag dat er vanaf deze parkeerplaats een personenauto, volgens mij een

Mercedes, reed. Ik zag ook dat er in de rechter onder hoek van de parkeerplaats een

zeer warm geparkeerd voertuig stond. Dit voertuig was dusdanig warm dat hij nog maar

net daar was geparkeerd. Verder zag ik geen warme voertuigen of personen op deze

parkeerplaats. Ik zag dat de wegrijdende Mercedes nog redelijk koud was. Ook zag ik

naast het in de rechter onder hoek geparkeerde warme voertuig, warmte sporen op de

grond. Dit betekent dat hier zeer kort geleden een warm voertuig naast had gestaan.

Wij, verbalisanten, hebben vervolgens zowel direct visueel als via de gemaakte beelden het voertuig gevolgd. Ik, verbalisant, zag dat onderweg een warm object uit de rijdende Mercedes werd gegooid. Ik, verbalisant, heb de van de parkeerplaats wegrijdende Mercedes en de even later wegrennende verdachten continu in beeld gehouden tot deze werden aangehouden.

Het proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage van 4 februari 2019 (dossierpagina’s 121 t/m 124), onder andere inhoudende:

De Zulu constateerde dat op een parkeerterrein nabij de N207, een voertuig van het merk Mercedes wegreed. Ik had met mijn opvallend dienstvoertuig positie ingenomen bij de kruising Nieuwe Bennebroekerweg met de N205. Ik zag dat met zeer hoge snelheid twee koplampen in mijn richting kwamen rijden. Ik zag dat het voertuig behoorlijk vaart minderde en ter hoogte van de kruising rechtsaf sloeg. Ik sloot vervolgens achter het voertuig aan in dezelfde richting. Ik zag dat het voertuig een zilvergrijze personenauto betrof van het merk Mercedes met [kenteken] . Terwijl ik achter de Mercedes reed heb ik gelijk het transparant met de tekst "stop politie" aan de voorzijde van mijn opvallend dienstvoertuig aangezet. Tevens voerde ik nog steeds het optische signaal. Op het moment dat ik dit deed zag ik dat de Mercedes de snelheid verhoogde.

Ik bleef achter de Mercedes aan rijden. Ik zag dat de Mercedes aan het einde van de Meeuwenstraat abrupt stopte. Ik zag dat aan beide kanten een persoon, hierna te noemen verdachten, uitstapte. Ik zag dat zij voorbij de verkeerspaaltje renden. Ik heb de achtervolging te voet ingezet. Ik heb vervolgens geroepen “politie staan blijven”. Ik zag dat beide verdachten weer begonnen te rennen. Toen ik bij de speeltuin aankwam zag ik wederom de verdachten in mijn richting komen rennen. Hierop heb ik wederom geroepen “politie staan blijven”. Ik zag dat beide verdachten vervolgens wegrenden. Hierop heb ik een eenheid verzocht positie in te nemen. De verdachten zijn een voetgangers brug overgestoken de parkeerplaats op nabij de IJweg te Hoofddorp. Aldaar konden beide verdachten worden aangehouden.

Het proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen van 4 februari 2019 (dossierpagina’s 125 t/m 133), onder andere inhoudende:

Ik, verbalisant, zag dat de verdachten op de IJweg op een parkeerplaats werden aangehouden:

Verdachte : [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ;
Verdachte : [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Exact op de plek waar de helikopter bemanning gezien had dat het goed werd weggegooid uit de auto zag ik een zogenaamde big shopper tas liggen. Ik keek in de tas en ik zag daarin diverse stukken gereedschap, waaronder een koevoet en een slotentrekker.

Het proces-verbaal van verdenking van 7 februari 2019 (dossierpagina’s 79 t/m 80), onder andere inhoudende:

De Mercedes Benz met [kenteken] staat op naam van de [verdachte] .

Het proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden) van 6 februari 2019 (dossierpagina’s 155 t/m 159), onder andere inhoudende:

Ik, verbalisant, heb de camerabeelden bekeken van de beveiligingscamera’s van het winkelcentrum Getsewoud te Nieuw Vennep van 4 februari 2019.

Gezien de vorm van de grille van de personenauto en het ronde logo op de

motorkap betreft genoemde sedan een personenauto van het merk BMW. Ondanks dat op de

camerabeelden het kenteken van het voertuig niet geheel scherp in beeld kwam, is door mij, zonder vooraf kennis te hebben genomen van het kenteken van de inbeslaggenomen BMW, de letter/cijfer combinatie [kenteken] genoteerd. Dit bleek achteraf bijna overeen te komen met het kenteken van de inbeslaggenomen BMW, namelijk [kenteken] .

Te zien is dat voornoemde BMW met de achterzijde in de richting van de [winkel] gaat staan en vervolgens twee keer achteruit rijdt, in de richting van de gevel. Daarna komt een persoon, gekleed in donkere bovenkleding en een lichte broek, in beeld die vervolgens aan de passagierszijde in de BMW stapt. Nadat de persoon met de lichte broek is ingestapt rijdt de BMW weer weg, tussen de paaltjes door. Hierbij is te zien dat het rechterachterlicht van de BMW niet meer werkt.

Het proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen van 4 februari 2019 (dossierpagina’s 134 t/m 138), onder andere inhoudende:

Op het parkeerterrein stonden ongeveer tien voertuigen geparkeerd. Bij alle voertuigen waren de ruiten bevroren. Ik trof achterin het terrein een auto aan die geen bevroren ramen had. Ik zag dat dit voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik zag ook dat het een personenauto was van het merk BMW. Ik zag dat de rechterbuitenspiegel afgebroken was. Ik zag ook dat er glas lag op het dak van de auto. Aan de achterkant zag ik verse schade.

Het proces-verbaal van bevindingen (passen achterlichtdelen BMW) met fotobijlagen van 6 februari 2019 (dossierpagina’s 176 t/m 178), onder andere inhoudende:

Bij de ramkraak op de [winkel] in Nieuw-Vennep in de nacht van 3 op 4 februari 2019 zijn twee delen van een achterlicht achtergebleven. Op de bewakingsbeelden is te zien dat er een BMW wegrijdt met schade aan de achterzijde. Deze auto is kort hierna aangetroffen en in beslag genomen. Wij, verbalisanten, hebben de twee aangetroffen achterlichtdelen gepast op het kapotte rechterachterlicht van de BMW met kenteken [kenteken] . Deze bleken precies te passen.

Het proces-verbaal van bevindingen (forensisch onderzoek plaats delict [adres] Nieuw-Vennep) van 1 april 2019 (ongenummerd), onder andere inhoudende:

Ik, verbalisant, heb een vervolgonderzoek gedaan aan de BMW met kenteken [kenteken] . Ik heb het stuurwiel bemonsterd op eventuele aanwezigheid van biologische sporen.

SIN-nummer behorende bij de biologische bemonsteringen afname stuurwiel: AAMB1876NL – AAMB1877NL.

Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI rapport met bijlage, van 25 februari 2019 (dossierpagina’s 205 t/m 208):

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

SIN en omschrijving

code

beschrijving DNA-profiel

celmateriaal kan afkomstig zijn van

matchkans

AAMB1876NL#01

Epitheel

Ja

DNA-profiel van een man

[verdachte] (zie 'DNA-databank')

kleiner dan één op één miljard

Het proces-verbaal van bevindingen van 11 maart 2019 (dossierpagina’s 181 t/m 182), onder andere inhoudende:

Op 4 februari 2019 werden de schoenen van [medeverdachte] in beslag genomen. Dit betreffen sneakers van het merk Nike, type HUARACE, maat 42,5, kleur beige/bruin. Dit betreft een sneaker met opvallende dikke witte zolen. Er is een foto genomen van de kleding van [medeverdachte] . Hierop is te zien dat hij een broek draagt model slim fit. Uit de beelden van een van de camera’s van winkelcentrum Getsewoud is te zien dat een van de verdachten in de BMW stapt. Van deze verdachte zijn alleen de benen zichtbaar. Opvallend is dat deze verdachte ook sneakers met dikke zolen draagt. Verder draagt deze verdachte een model broek dat lijkt op een slim fit model.

3.4.

Bewijsoverweging

De rechtbank gaat allereerst voorbij aan het betoog van de raadsvrouw van verdachte dat er mogelijk een andere vluchtauto van de parkeerplaats is weggereden voordat de helikopter zicht had op Hoofddorp.

Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat hij op 4 februari 2019 omstreeks 00:25 uur twee harden knallen hoort en een BMW in de richting van de IJweg ziet wegrijden. Vervolgens komt de melding van de ramkraak om ongeveer 00:30 uur bij de bemanning van de politiehelikopter binnen, waarop zij zich ten spoedigste richting Nieuw-Vennep verplaatsen, waar zij volgens hun navigatiesystemen ongeveer een minuut later zouden arriveren. Aanvliegend wordt gekeken naar uitvalswegen vanuit Nieuw-Vennep en wordt gezien dat het rustig is op straat en er weinig verkeer rijdt. Vervolgens wordt gezien dat een voertuig met verhoogde snelheid vanuit Nieuw-Vennep over de IJweg in de richting van de N207 rijdt. Dit voertuig wordt gevolgd en gezien wordt dat het voertuig een parkeerterrein op rijdt.

Gelet op deze gang van zaken, waarbij kort na de melding een auto met verhoogde snelheid uit de door de getuige doorgegeven richting komt rijden, terwijl het verder rustig is op straat en er weinig verkeer rijdt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de bemanning van de helikopter gesignaleerde en gevolgde auto, de bij de poging tot ramkraak gebruikte en later op het parkeerterrein aangetroffen BMW betreft. Vervolgens duurt het, zo blijkt uit een proces-verbaal bevindingen tijdlijn (dossierpagina 143 en 144), 26 seconden voordat de camera van de helikopter op het parkeerterrein is gericht en gezien wordt dat een auto daar net wegrijdt.

Anders dan de raadsvrouw van verdachte ziet de rechtbank in voornoemd tijdsbestek van 26 seconden geen grond om niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Dat dit tijdsbestek te kort zou zijn om het parkeerterrein op te rijden, van auto te wisselen en vervolgens weer van het terrein af te rijden, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, te meer omdat zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, zowel door de BMW als door de Mercedes met hoge snelheid is gereden. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat vanuit de helikopter is geconstateerd dat zich slechts één zeer warm geparkeerd voertuig op het parkeerterrein bevond en zich daar geen andere warme voertuigen of personen bevonden. Verder is waargenomen dat een Mercedes, die nog redelijk koud was, van het parkeerterrein is weggereden en dat zich op de grond naast het warme voertuig warmte sporen bevonden, wat betekent dat daar kort van tevoren een warm voertuig had gestaan. De rechtbank maakt hieruit op, nu van een andere wegrijdende auto niet is gebleken, dat de weggereden Mercedes naast de BMW heeft gestaan. Ook de kort na de melding ter plaatse op het parkeerterrein aangekomen verbalisant heeft geen andere ‘warme’ auto’s of personen aangetroffen.

Nu daarnaast DNA-materiaal van verdachte op het stuurwiel van de bij de poging tot ramkraak gebruikte BMW is aangetroffen en het schoeisel en de broek van [medeverdachte] overeenkomt met dat van de persoon die bij het winkelcentrum in de BMW is gestapt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de personen die door de politie zijn aangehouden, te weten verdachte en [medeverdachte] , dezelfde personen zijn als die in een gestolen BMW een poging tot ramkraak hebben gepleegd. Dat het van verdachte aangetroffen DNA-materiaal verplaatst zou zijn of op een ander moment in de auto terecht gekomen zou zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Ook de omstandigheid dat bij verdachten geen sleutel van de BMW is aangetroffen doet aan het voorgaande niet af, nu zij tijdens hun vlucht voldoende gelegenheid hebben gehad zich van deze sleutel te ontdoen.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverweging niet anders worden geconcludeerd dan dat tussen verdachte en medeverdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het vooropgezette plan om een ramkraak te plegen, waaraan zij beiden een substantiële bijdrage hebben geleverd. Op grond hiervan kunnen beide verdachten als medepleger worden aangeduid.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 februari 2019 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een filiaal van [winkel] gelegen aan het [adres] sigaretten en/of andere rookwaar en/of geld en/of een of meer andere goederen van hun gading, toebehorende aan [winkel] , weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak met een personenauto meermalen de toegangsdeur en de ruiten van voornoemde winkel hebben geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank – in geval van een bewezenverklaring – verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte al ruim drie maanden in voorarrest zit en dat hij behandeling nodig heeft met betrekking tot het verwerken van gebeurtenissen in het verleden en zijn ziekte van Crohn. Verder maakt verdachte zich zorgen om zijn bedrijf en vreest hij voor faillissement wanneer hij zou worden veroordeeld tot een langdurige detentie. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het LOVS-oriëntatiepunt van de rechtbank, welke een lagere straf tot uitgangspunt heeft dan de richtlijn van het Openbaar Ministerie. Tot slot is van belang dat verdachte zich kan vinden in de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte geprobeerd een ramkraak te plegen door met een gestolen auto meerdere malen tegen de pui van sigarenwinkel aan te rijden. Het is de verdachten niet gelukt daadwerkelijk de winkel binnen te komen en om die reden is het bij een poging gebleven. Wel is bij deze nietsontziende poging grote schade toegebracht aan het pand en is veel overlast ontstaan voor de winkelier. Na de poging tot diefstal hebben de verdachten geprobeerd zich te onttrekken aan de politie door te wisselen van voertuig en daarmee met hoge snelheid weg te rijden. Hierbij hebben de verdachten meerdere stopsignalen van de politie genegeerd en hebben zij – toen zij een doodlopende straat in waren gereden – geprobeerd te voet verder te vluchten. Dankzij het adequate handelen van de opsporingsambtenaren, waaronder de bemanning van een politiehelikopter, zijn de verdachten uiteindelijk alsnog aangehouden. De verdachten hebben kennelijk alleen oog gehad voor hun eigen gewin en de onttrekking aan hun vervolging, zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelen voor de winkelier en de mogelijke gevaren voor de opsporingsambtenaren en mogelijke andere weggebruikers tijdens hun vluchtpoging.
Bij de politie, de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 maart 2019, waaruit blijkt dat verdachte reeds meerdere malen terzake van vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en dat hij ten tijde van het plegen van het onderhavige feit nog in de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke veroordeling liep. Dit patroon getuigt van een hardnekkigheid in het plegen van strafbare feiten, die de rechtbank ernstig zorgen baart. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 12 maart 2019 van [reclasseringswerkster] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd om – in het geval verdachte tot een deels voorwaardelijke straf wordt veroordeeld – een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. De rechtbank komt om die reden – en door de omstandigheid dat de rechtbank het van groot belang acht dat het accent van de berechting van verdachte komt te liggen op het zorgtraject na zijn detentie – tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 9 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 3 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering en een ambulante behandeling noodzakelijk. Voorwaarden van voornoemde strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank acht het door de reclassering geadviseerde contactverbod met de medeverdachte niet opportuun.

7 Bijkomende straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslaggenomen auto nu het strafbare feit daarmee is gepleegd.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan verdachte te gelasten. Het niet teruggeven van de auto (of de opbrengst daarvan) zal verdachte verder in de financiële problemen brengen. Verdachte heeft de auto nodig voor zijn werk.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto van het merk Mercedes, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerp aan verdachte toebehoort en dat de opsporing van het bewezen verklaarde met behulp van het voorwerp is belemmerd.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de proeftijd van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf verlengt met één jaar zodat de hulpverlening die is gekoppeld aan de proeftijd niet wordt doorkruist.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de proeftijd van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf straf te verlengen met één jaar en subsidiair om de straf om te zetten naar een werkstraf.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van 15 juni 2018 in de zaak met parketnummer 15/860040-18 heeft de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van gekwalificeerde diefstal en schuldheling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 17 juli 2018 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 30 juni 2018 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht een verlenging van de proeftijd niet opportuun omdat daarmee een verkeerd signaal zou worden afgegeven aan verdachte. Slechts wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat eerder opgelegde voorwaardelijk straffen ten uitvoer worden gelegd na het plegen van nieuwe strafbare feiten. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de door de officier van justitie bedoelde hulpverlening is reeds in de hoofdzaak voorzien.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd van twee jaar, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011 AK te Haarlem, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd van twee jaar, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen en mee te werken aan diagnostiek, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Stelt dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking, te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: 1 STK Personenauto (860011) Omschrijving: Grijs, merk: Mercedes.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/860040-18 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, opgelegd bij vonnis van de Meervoudige Strafkamer te Noord-Holland d.d. 15 juni 2018.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. A. Ghonedale, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2019.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.