Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4414

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
15/159025-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op één dag tweemaal brand gesticht. Eenmaal in een hotelkamer en eenmaal in zijn eigen woning.

De rechtbank neemt de conclusies van beide deskundigen ten aanzien van de pathologie over en stelt vast dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis. Nu de psychiater niet heeft kunnen komen tot een conclusie met betrekking tot toerekeningsvatbaarheid van verdachte, neemt de rechtbank het primaire advies van de psycholoog over in zoverre dat de rechtbank ervan uitgaat dat de bewezenverklaarde feiten verdachte wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verdachte strafbaar is, maar zal bij de strafoplegging rekening houden met zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 302 dagen met aftrek van voorarrest.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij voorwaarden. Beveelt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/159025-18 (P)

Uitspraakdatum: 23 mei 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [Justitieel Complex] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

M.G.C. Panhorst en van hetgeen de raadsman van verdachte, mr. W.M. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:


1
hij op of omstreeks 9 augustus 2018 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in de hotelkamer (met [kamernummer] ) in het [hotel] (filiaal: [adres] ) door open vuur (een brandende aansteker) in aanraking te brengen met toiletpapier en/of een handdoek, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan de inboedel (van hotelkamer met [kamernummer] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende hotelkamer(s) en/of de inventaris van het [hotel] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de overige aanwezige hotelgast(en) en/of het personeel van het [hotel] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de overig aanwezige hotelgast(en) en/of het personeel van het [hotel] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2
hij op of omstreeks 9 augustus 2018 te Heemstede opzettelijk brand heeft gesticht (in een woning gelegen aan [adres] ) door open vuur (een brandende aansteker) in aanraking te brengen met terpentine en/of een fauteuil, althans met een brandbare stof
ten gevolge waarvan de inboedel (van die woning) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende woning(en) en/of de inboedel van de woning (gelegen aan [adres] ) en/of de inboedel van de aangrenzende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de omwonenden van die aangrenzende woning(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de
omwonenden van die aangrenzende woning(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen1, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

- het proces-verbaal van verhoor bij de politie van 10 augustus 2018, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 17 t/m 22);

Ten aanzien van feit 1

- het proces-verbaal van aangifte van 10 augustus 2018, waarin opgenomen de verklaring van aangever [aangever 1] (dossierpagina’s 39 en 40);

- het proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing met fotobijlagen van 14 augustus 2018 (dossierpagina’s 59 t/m 64);

Ten aanzien van feit 2

- het proces-verbaal van aangifte van 10 augustus 2018, waarin opgenomen de verklaring van aangever [aangever 2] , namens het slachtoffer [aangever 2] (dossierpagina’s 66 en 67);

- het proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing met fotobijlagen van 11 augustus 2018 (dossierpagina’s 89 t/m 103);

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:


Feit 1


hij op 9 augustus 2018 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in de hotelkamer met [kamernummer] in het [hotel] (filiaal: [adres] ) door open vuur (een brandende aansteker) in aanraking te brengen met toiletpapier en een handdoek ten gevolge waarvan de inboedel van hotelkamer met [kamernummer] gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende hotelkamers en de inventaris van het [hotel] en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de overig aanwezige hotelgasten en het personeel van het [hotel] te duchten was;

Feit 2

hij op 9 augustus 2018 te Heemstede opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan [adres] door open vuur (een brandende aansteker) in aanraking te brengen met terpentine en een fauteuil, ten gevolge waarvan de inboedel van die woning gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende woningen en de inboedel van de woning gelegen aan [adres] en de inboedel van de aangrenzende woningen en levensgevaar voor de omwonenden van die aangrenzende woningen te duchten was.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank overweegt met betrekking tot de toerekenbaarheid aan verdachte van het bewezen verklaarde en de gekwalificeerde feiten het volgende:

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat ten voordele van verdachte moet worden aangenomen dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar is voor de aan hem ten laste gelegde feiten.

Psychiater J. Marx heeft in zijn rapport van 2 februari 2019 geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van sterke aanwijzingen voor psychiatrische pathologie, in het bijzonder voor een psychotische stoornis als schizofrenie en voor een autismespectrumstoornis, maar dat de diagnoses niet - op basis van eigen bevindingen – kunnen worden gesteld omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het psychiatrisch onderzoek.

Klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg heeft in haar rapport van 4 februari 2019 gerelateerd dat bij verdachte een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestaat in de vorm van schizofrenie en een autismespectrumstoornis en dat deze stoornis ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit ook reeds bestond. Gezien de aanwezigheid van een breed spectrum aan psychopathologie ten tijde van het ten laste gelegde wordt geadviseerd verdachte de tenlastegelegde feiten in sterk verminderde mate toe te rekenen, maar zij acht het ook mogelijk dat de tenlastegelegde feiten hem in het geheel niet zijn toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van beide deskundigen ten aanzien van de pathologie over en stelt vast dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis. Nu de psychiater niet heeft kunnen komen tot een conclusie met betrekking tot toerekeningsvatbaarheid van verdachte, neemt de rechtbank het primaire advies van de psycholoog over in zoverre dat de rechtbank ervan uitgaat dat de bewezenverklaarde feiten verdachte wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verdachte strafbaar is, maar zal bij de strafoplegging rekening houden met zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, zoals geformuleerd in het maatregelenrapport van de reclassering. De bereidheid van verdachte om zich te houden aan de voorwaarden kan worden afgeleid uit het volgende. De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte bij de rechter-commissaris op 15 november 2018 heeft verklaard te willen meewerken aan een plan van aanpak en daarnaast heeft de reclasseringswerker ter terechtzitting verklaard dat verdachte wil worden opgenomen in een kliniek.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het beter lijkt te gaan met verdachte en dat [FPA] volgens de psychiater van [PPC] een geschikte plek voor hem is. Er is daar bovendien reeds een plek voor verdachte gerealiseerd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op één dag tweemaal brand gesticht. Eenmaal in een hotelkamer en eenmaal in zijn eigen woning. Dit zijn zeer ernstige feiten. Bij de brand in het hotel was gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten en bij de brand in de woning van verdachte was naast het gevaar voor goederen ook sprake van levensgevaar voor de omwonenden van verdachte. Als gevolg van de brand in de hotelkamer is deze tijdelijk onbruikbaar geworden en is schade en overlast voor het hotel ontstaan. Als gevolg van de brand in de woning van verdachte is deze onbewoonbaar geworden. Verdachte mag van geluk spreken dat de brand in de hotelkamer door het snelle handelen van de hotelmedewerkers en brandpreventieve maatregelen beperkt is gebleven en daarnaast dat de brand in zijn eigen woning niet is overgeslagen naar de woningen van zijn buren. Brandstichting is een zeer gevaarzettend en voor de omgeving bedreigend delict.
De rechtbank acht bovendien de reden dat verdachte is gekomen tot zijn daden – namelijk om te kunnen worden opgenomen – zeer zorgwekkend.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke feiten en niet tot vrijheidsbenemende straffen.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 15 april 2019 van [reclasseringswerkster] verbonden aan Reclassering Nederland, waaruit volgt dat de reclassering een tbs met voorwaarden thans niet uitvoerbaar acht. Voor het geval voornoemde maatregel wel zal worden opgelegd, heeft de reclassering een aantal voorwaarden geadviseerd. De reclasseringswerker heeft ter terechtzitting haar rapport onderschreven en toegelicht in die zin dat bij de eventuele oplegging van een tbs met voorwaarden het thans niet mogelijk lijkt te zijn de voorwaarden met verdachte te bespreken, waardoor de reclassering geen mogelijkheden ziet met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een plan van aanpak door de reclassering.

- Het psychiatrisch rapport gedateerd 2 februari 2019 dat onder meer het volgende inhoudt:

Betrokkene is een 31- jarige alleenstaande Nederlandse man, die thans verblijft in het [PPC] . Bij betrokkene is sprake van een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis, waarbij psychotische problematiek (schizofrenie) en problemen in de sociale interactie (autisme) worden beschreven. Doordat geen volledig onderzoek plaats heeft kunnen vinden, komt ondergetekende niet tot diagnostische conclusies.

De psychiater is in zijn rapport niet gekomen tot een diagnostische conclusie en tot beantwoording van overige vragen.

- Het psychologisch rapport gedateerd 4 februari 2019 dat onder meer het volgende inhoudt:


Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie en een autismespectrumstoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

De mate van ernst van de autismespectrumstoornis is niet goed objectief vast te stellen, omdat de autismespectrumstoornis en schizofrenie met elkaar vervlochten zijn en psychotische klachten de afgelopen jaren telkens op de voorgrond hebben gestaan.

De combinatie van beide leidt hoe dan ook tot een gecompliceerd te behandelen ziektebeeld. Betrokkene is vanuit de autismespectrumstoornis prikkelgevoelig, en daardoor makkelijker psychotisch te ontregelen. Het verwerken van (complexe) informatie kost hem meer moeite, hij is sneller geneigd om sociale signalen verkeerd op te pakken, en minder goed in staat om met spanning en stress om te gaan. Bekend is dat betrokkene, bij oplopende spanning, overprikkeling en in een situatie waarin hij zijn vermijdende coping strategie niet succesvol kan toepassen, psychotisch kan decompenseren en/of agressief-impulsief gedrag kan laten zien.


Mocht betrokkene nu in vrijheid worden gesteld dan heeft hij geen woning, geen inkomen en geen hulpverlening om op terug te vallen. Betrokkene is niet in staat zijn eigen leven te organiseren, een woonvoorziening te regelen, een inkomen aan te vragen en sociale contacten te onderhouden. Hij zal snel stoppen met medicatiegebruik. Dergelijke omstandigheden zullen hem in korte tijd erg veel stress en spanning opleveren, een psychose uitlokken en tot een agressieve impulsdoorbraak kunnen lelden.

Betrokkene heeft aansluitend aan zijn verblijf in detentie een klinische opname nodig op een gesloten psychiatrische afdeling. Daar kan hij verder stabiliseren onder invloed van de medicatie, structuur, rust en regelmaat die op een afdeling aanwezig zijn. Vanuit de kliniek kan betrokkene worden aangemeld voor een beschermde woonvorm, waar zowel specialisatie is in schizofrenie als een autismespectrumstoornis. De klinische setting dient een middelmatig beveiligingsniveau te hebben. Het is lastig in te schatten hoe lang de klinische behandeling zal duren, naar schatting minimaal een halfjaar. De gehele behandeling (dus inclusief de ambulante behandeling) is levenslang van duur.

De psycholoog heeft haar rapport ter terechtzitting onderschreven en aangevuld in die zin dat het iets beter met verdachte lijkt te gaan, maar dat zijn toestand nog niet stabiel is. Verdachte is een zieke, lege man. Medicatie en structuur zijn de komende jaren de belangrijkste behandelinterventies en er moet worden geanticipeerd op agressiedoorbraken. Bij oplegging van een tbs met voorwaarden is mogelijk een probleem dat verdachte niet zou weten waarmee hij instemt. Toch is oplegging van een dergelijke maatregel geïndiceerd. Primair staat de leegte van verdachte op de voorgrond. De verwachting is dat de stabilisatie van verdachte met de oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden te realiseren is. Met direct overgaan tot oplegging van tbs met dwangverpleging zou naar het idee van de psycholoog een stap worden overgeslagen.

Met de conclusie van dit rapport en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop kan de rechtbank zich verenigen en de rechtbank maakt deze tot de hare.

De op te leggen sancties

De rechtbank heeft bij het bepalen van de sanctiesoort en de hoogte daarvan acht geslagen op sancties die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het handelen van verdachte in beginsel de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank is echter – gelet op de over de persoon van verdachte uitgebrachte adviezen en het verhandelde ter terechtzitting – van oordeel dat het zwaartepunt moet komen te liggen bij de behandeling van verdachte.
Om die reden zal de rechtbank volstaan met een gevangenisstraf die de duur van het voorarrest slechts in beperkte mate overtreft. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van 302 dagen met aftrek van voorarrest. Met de keuze van deze strafoplegging beoogt de rechtbank te realiseren dat verdachte gedetineerd blijft tot de datum waarop hij kan worden behandeld. De rechtbank acht een naadloze overgang tussen de detentie van verdachte en zijn vervolgtraject geboden, nu het recidiverisico als groot wordt ingeschat en het onwenselijk zou zijn als verdachte tussentijds onbehandeld in vrijheid zou komen.

Met betrekking tot de behandeling van verdachte acht de rechtbank enerzijds plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op dit moment onvoldoende toereikend voor de problematiek van verdachte en anderzijds de maatregel van tbs met dwangverpleging te zwaar en om die reden prematuur. Binnen de setting van een kliniek met de juiste expertise, stevige begeleiding en voldoende toezicht is het reëel te veronderstellen dat verdachte in staat zal zijn zich aan afspraken en voorwaarden te houden. De rechtbank neemt aldus het advies van de psychologisch deskundige over. Deze heeft aan haar advies nog toegevoegd dat betrokkene impliciet zal instemmen met structuur, medicatie en behandeling en dat dwang geen toegevoegde waarde zal hebben.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat volstaan kan worden met het opleggen van de maatregel van tbs met de hierna in het dictum omschreven voorwaarden. De tbs van verdachte dient te worden gelast nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen/goederen het opleggen van deze maatregel eist.


Ondanks de afwezigheid van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank op basis van het onderzoek ter terechtzitting – verdachte heeft immers verklaard dat hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd om te worden opgenomen en de raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wil meewerken aan een plan – voldoende gebleken dat verdachte bereid is zich te houden aan de voorwaarden zoals subsidiair geadviseerd door de reclassering.

Ten aanzien van deze voorwaarden overweegt de rechtbank nog dat de voorwaarden die inhouden een alcohol- en drugsverbod en de controle daarop, niet noodzakelijk worden geacht. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte alcohol drinkt en/of drugs gebruikt, waardoor de rechtbank geen meerwaarde ziet in het afzonderlijk opnemen van voorwaarden die strekken tot een verbod daarop. Indien daartoe in de toekomst aanleiding bestaat kan immers een zodanige aanwijzing worden gegeven dan wel een vordering tot wijzing van de voorwaarden worden geadviseerd.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling niet is beperkt tot vier jaren.

Gelet op de noodzaak van spoedige behandeling en het gevaar voor recidive zal de rechtbank bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Nu uit het reclasseringsrapport van 15 april 2019 volgt dat verdachte op 7 juni 2019 kan worden geplaatst in [FPA] , zal de voorlopige hechtenis waarin verdachte zich bevindt worden opgeheven met ingang van 7 juni 2019 vanaf het tijdstip waarop verdachte door DV&O zal zijn vervoerd naar [FPA] .

9 Vordering benadeelde partij

Namens de benadeelde partij, het [hotel] , heeft [aangever 1] een vordering tot schadevergoeding van € 6.035,96 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet in haar vordering ontvangen nu de vordering niet - ook niet na herhaalde verzoeken daartoe - is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14e, 37a, 38, 38a, 57, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 302 dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:

Stelt als algemene voorwaarde dat de ter beschikking gestelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als aanvullende voorwaarden dat de ter beschikking gestelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- zich meldt op afspraken bij de reclassering of op een ander door de reclassering bepaalde locatie. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om

betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- meewerkt aan huisbezoeken;

- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;

- meewerkt – als de reclassering dat nodig acht – aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de

mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

- zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten het Europese deel van de landsgrenzen van Nederland begeeft. Veroordeelde overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie beslist;

- zich laat zich opnemen in [FPA] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen

door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor de plaatsing. Veroordeelde kan op 7 juni 2019 worden geplaatst in [FPA] . De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich daarbij aan de huisregels en aan de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;

- indien voorgeschreven door de behandelaars - medicatie inneemt zolang als zijn behandelaars nodig achten;

- meewerkt aan een ambulant behandeltraject aansluitend aan de klinische fase. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de

behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- meewerkt aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat

inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.

- zich houdt aan de huisregels en aan het dagprogramma dat de instelling in overleg

met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- meewerkt aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding,

waarbij rekening gehouden wordt met zijn draagkracht- en last;

- openheid geeft over zijn sociale netwerk en relaties;

- inzage geeft in zijn financiële situatie en meewerkt aan een schuldsaneringstraject, indien door de reclassering geïndiceerd.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart de benadeelde partij [hotel] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 7 juni 2019 op het tijdstip waarop verdachte zal zijn vervoerd naar kliniek [FPA] .

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. R. van der Heijden en mr. A. Ghonedale, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2019.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.