Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4413

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
15/009738-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOTS

Rechtshulpverzoek Verenigde Staten strekkende tot confiscatie van onroerend goed in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

WOTS

Registratienummer: KLR-I-2012050328

Parketnummer: 15/009738-18

Uitspraakdatum: 10 mei 2019

Verstek

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de openbare raadkamerzitting van 26 april 2019 in de zaak tegen:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Verenigde Staten van Amerika.

1 De vordering

Ter griffie van deze rechtbank is ontvangen de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem van 3 december 2018 dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een ten aanzien van de veroordeelde gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing van de United States District Court, Southern District of New York van 2 maart 2018, met kenmerk 13 Cr. 368 (DLC) inhoudende een beslissing tot confiscatie van het onroerend goed gelegen aan [adres] .

2 De identiteit van de veroordeelde

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat veroordeelde weliswaar niet de Nederlandse nationaliteit bezit, maar dat de onderhavige vordering strekt tot confiscatie van onroerend goed gelegen in Nederland.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Bij het onderzoek ter genoemde raadkamerzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan derhalve in haar vordering worden ontvangen.

4 Verdragsrechtelijke grondslag

De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen voorziet in de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van bovengenoemd Noord-Amerikaans rechterlijke beslissing in Nederland.

Ter fine van die tenuitvoerlegging voorzien respectievelijk de overeenkomst en het verdrag, te weten:

  • -

    de overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen (Washington, 20 november 1992);

  • -

    verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 12 juni 1981),

hierna te noemen de overeenkomst en het verdrag, in de mogelijkheid van het in beslag nemen en confisqueren van het onderhavige onroerend goed in Nederland. Bij de overeenkomst en het verdrag immers zijn zowel Nederland als de Verenigde Staten van Amerika partij en de overeenkomst en het verdrag zijn voor beide landen in werking getreden.

5 De toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging

5.1

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijk verdrag gestelde voorwaarden.

5.2

Het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld is naar het recht van de Verenigde Staten strafbaar gesteld als ‘conspiracy to commit money laundering’. Het materiële feitencomplex dat aan de rechterlijke beslissing van the United States District Court for the Southern District of New York (New York County) van 6 mei 2016 ten grondslag ligt, is naar Nederlands recht strafbaar en kan worden gekwalificeerd als (het medeplegen van) witwassen. De District Court heeft met voornoemde beslissing aan veroordeelde opgelegd een gevangenisstraf van twintig jaar. Op 2 maart 2018 heeft de District Court in haar beslissing met kenmerk 13 Cr. 368 (DLC) besloten dat moet worden overgegaan tot confiscatie van het onroerend goed gelegen aan [adres] . De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde beslissing kan worden overgenomen op grond van de onder rubriek 6 opgenomen artikelen.

5.3

Blijkens de inhoud van de stukken die zich in het dossier bevinden stemmen de Verenigde Staten van Amerika en Nederland in met respectievelijk de overdracht en de overname van de verdere tenuitvoerlegging van de straf tot confiscatie, opgelegd bij voormelde rechterlijke beslissing.

5.4

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat overigens geen der gronden zoals bedoeld in artikel 4, 5, 6, 7 of 30 lid 1 aanhef en onder a, b, c en d van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen zich in casu voordoet, waardoor deze niet aan de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging in de weg staan.

De tenuitvoerlegging dient derhalve toelaatbaar te worden verklaard.

6 De toepasselijke verdragsbepalingen en wetsartikelen

Van toepassing zijn:

artikelen 2 en 3 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

artikel 5 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen.

7 Strafoplegging

Veroordeelde was eigenaar en bestuurder van [bedrijf] , een van de grootse en meest gebruikte digitale valuta in de wereld. Veroordeelde heeft zijn bedrijf gebruikt om criminelen te faciliteren in onder andere financiële transacties. Met de verdiensten uit zijn criminele activiteiten heeft veroordeelde onder andere – op naam van een ander – het pand [adres] in Nederland gekocht. De rechtbank legt ex artikel 31 van de WOTS een straf of maatregel op welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, naar Nederlands recht geen andere (bijkomende) straf op haar plaats is dan verbeurdverklaring van het voornoemde pand, welke straf naar het oordeel van de rechtbank overeenkomt met de aan veroordeelde in Amerika opgelegde sanctie van confiscatie. Uit het dossier volgt immers dat verdachte het onderhavige pand, [adres] , geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit, waarvoor veroordeelde in Amerika is veroordeeld, heeft verkregen.

Uit het dossier volgt dat het pand [adres] niet op naam staat van veroordeelde, maar op naam van [persoon] . De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de situatie als bedoeld in artikel 33a lid 2 sub a van het Wetboek van Strafrecht zich voordoet. Dit volgt onder andere uit de omstandigheid dat [persoon] nimmer – na herhaalde openbare bekendmakingen van het beslag op het pand in zowel in Nederland als Amerika – bereikt heeft kunnen worden en voorts omdat hij nooit heeft geklaagd over het beslag. Ook blijkt uit een op 24 juli 2017 opgemaakt proces-verbaal van bevindingen dat deze persoon niet voorkomt in de gemeentelijke basis administratie en evenmin in de bestanden van de Belastingdienst. Bovendien blijkt dat na 26 mei 2017 de sloten zijn vervangen van het betreffende pand, de nieuwe sleutel niet is opgehaald en er op 19 juli 2017 geen indicaties waren dat het pand nog recentelijk was bewoond. Gelet op het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat [persoon] bekend was met de verkrijging van het pand door middel van het strafbare feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld, of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijze had kunnen vermoeden. Gelet hierop vormt de omstandigheid dat het pand niet aan veroordeelde toebehoort, geen beletsel voor verbeurdverklaring daarvan.

8 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van the United States District Court, Southern District of New York van 2 maart 2018, met kenmerk 13 Cr. 368 (DLC), voor zover deze betrekking heeft op de verbeurdverklaring, toelaatbaar en verleent daartoe verlof;

- verklaart verbeurd: het onroerend goed gelegen aan [adres] .

9 Samenstelling en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gewezen door:


mr. M.W. Groenendijk, voorzitter,

mr. J.W. Moors en mr. E.M. Moerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.

De oudste rechter, mr. J.W. Moors, en de jongste rechter, mr. E.M. Moerman, zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.