Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4400

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
C/15/265897 / FA RK 17-6326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap van overleden Nederlandse vader en vaststelling vaderschap van overleden Duitse vader

Het kind, inmiddels 75 jaar, vraagt ontkenning vaderschap van zijn (inmiddels overleden) huwelijkse vader, alsmede vaststelling vaderschap van zijn (inmiddels overleden) biologische vader.

In de eerste beschikking van de rechtbank zien de door de rechtbank te beantwoorden vragen o.a. op de tot standkoming van vaderschap in de jaren 40 van de 20e eeuw, waarbij begrippen als natuurlijk kind en wettiging een rol spelen. Het verzoek ontkenning is te laat ingediend: afwijking van deze termijn op grond van 8 EVRM. Toewijzing van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap. In de tweede beschikking gaat het om vaststelling van het vaderschap van een Duitse vader die inmiddels is overleden. De enige dochter, ook op leeftijd en woonachtig in Duitsland, is belanghebbende. Zij verzet zich tegen eventueel op te dragen DNA-onderzoek. De rechtbank houdt de zaak meerdere malen aan om de dochter in de gelegenheid te stellen de vragen van de rechtbank te beantwoorden. De dochter geeft uiteindelijk via haar advocaat aan de vragen niet te willen en kunnen beantwoorden. De rechtbank doet de zaak op de stukken af en stelt het vaderschap gerechtelijk vast, omdat er geen reden tot twijfel is dat de man de verwekker is van verzoeker. Zie ECLI:NL:RBNHO:2018:3017

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

gerechtelijke vaststelling ouderschap

zaak-/rekestnr.: C/15/265897 / FA RK 17-6326

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 22 mei 2019

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna mede te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. C.H.P. Groot-van Ederen, kantoorhoudende te Alkmaar,

strekkende tot vaststelling van het ouderschap van:

[de man] ,

overleden op [datum] in Duitsland,

hierna mede te noemen: de man,

in welke zaak belanghebbende is:

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] , Duitsland,

hierna mede te noemen: [dochter van de man] , dochter van [de man] ,

advocaat: J. Praun, Rechtsanwalt te Chieming, Duitsland.

1 Procedure

1.1

In deze zaak is door deze rechtbank eerder beschikking gegeven op 11 april 2018. Daarbij is de ontkenning van het vaderschap van [naam] met betrekking tot verzoeker gegrond verklaard. De zaak met betrekking tot vaststelling van het ouderschap van de man met betrekking tot verzoeker is aangehouden.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van de rechtbank van 7 augustus 2018 aan Rechtsanwalt J. Praun;

- de brief van Rechtsanwalt J. Praun van 24 augustus 2018;

- de brief van Rechtsanwalt J. Praun van 24 september 2018;

- de brief van mr. C.H.P. Groot-van Ederen, met bijlagen, van 23 oktober 2018;

- de brief van de rechtbank van 4 december 2018 aan Rechtsanwalt J. Praun;

- de brief van Rechtsanwalt J. Praun van 21 januari 2019;

- de brief van de rechtbank van 30 januari 2019 aan Rechtsanwalt J. Praun;

- de brief van Rechtsanwalt J. Praun van 12 april 2019;

- de brief van mr. C.H.P. Groot-van Ederen van 15 april 2019.

1.3

Er heeft geen verdere zitting plaatsgevonden.

2 Verdere behandeling en beoordeling van de zaak

2.1

De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van

11 april 2018. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank als volgt.

2.2

De ontkenning van het vaderschap van [naam] met betrekking tot verzoeker is bij genoemde beschikking gegrond verklaard. Deze beslissing is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Verzoeker staat van rechtswege thans alleen in een familierechtelijke betrekking tot zijn moeder, [de moeder] (overleden op [datum] ).

Aan de rechtbank ligt thans nog voor het verzoek van verzoeker om het ouderschap van de man gerechtelijk vast te stellen.

2.3

Gelet op het feit dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft en de man burger van de Bondsrepubliek Duitsland was, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vragen dienen te worden beantwoord of de rechtbank rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht op het verzoek van toepassing is.

2.4

Op grond van artikel 3 aanhef en onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

2.5

Op grond van 10:97, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing, nu verzoeker zijn gewone verblijfplaats in Nederland had op het tijdstip van de indiening van het verzoek.

2.6

In artikel 1:207 BW is bepaald dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van het kind.

2.7

Voor de onderbouwing van het verzoek door verzoeker verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3.2 in de beschikking van 11 april 2018.

2.8

[dochter van de man] heeft verweer gevoerd, waarvoor de rechtbank naar rechtsoverweging 4.1 in de beschikking van 11 april 2018 verwijst.

2.9

Namens [dochter van de man] heeft Rechtsanwalt J. Praun in aanloop naar de eerder gehouden zitting van 6 maart 2018 aangegeven dat [dochter van de man] om gezondheidsredenen niet naar die zitting kon komen. Nu de behandeling van de zaak in eerste instantie de ontkenning van het vaderschap van [naam] met betrekking tot verzoeker betrof, waarbij [dochter van de man] geen belanghebbende is, heeft de rechtbank [dochter van de man] bericht dat haar aanwezigheid bij die zitting niet relevant is.

De rechtbank heeft in het vervolg van de procedure, betreffende het verzoek tot vaststelling ouderschap, bij brief van 7 augustus 2018 aan Rechtsanwalt J. Praun gevraagd of [dochter van de man] , als zijnde belanghebbende, inmiddels in staat is om een zitting bij te wonen, dan wel of zij schriftelijk op vragen van de rechtbank wil reageren en haar standpunt schriftelijk nader kenbaar wil maken, dan wel of [dochter van de man] via een videoverbinding vanuit Duitsland tijdens een zitting gehoord kan worden.

2.10

Nadat Rechtsanwalt J. Praun bij brief van 24 augustus 2018 om uitstel voor reactie heeft gevraagd, heeft hij bij brief van 24 september 2018 aangegeven dat [dochter van de man] er de voorkeur aan geeft om schriftelijke vragen van de rechtbank te beantwoorden en haar standpunt nader schriftelijk kenbaar te maken.

2.11

Bij brief van 23 oktober 2018 zijn namens verzoeker nadere stukken ingediend.

2.12

Bij brief van 4 december 2018 heeft de rechtbank schriftelijk nadere vragen aan [dochter van de man] voorgelegd en een termijn gegeven om te reageren.

2.13

Bij brief van 21 januari 2019 heeft Rechtsanwalt J. Praun aan de rechtbank meegedeeld dat [dochter van de man] een behandeling ondergaat in het ziekenhuis en verzocht om uitstel van de reactietermijn.

2.14

Bij brief van 12 april 2019 heeft Rechtsanwalt J. Praun meegedeeld dat [dochter van de man] door aanhoudende ziekte niet kan en wil antwoorden op de vragen van de rechtbank. [dochter van de man] heeft wel meegedeeld dat de man in een gemeenschappelijk graf is begraven.

2.15

Namens verzoeker heeft mr. C.H.P. Groot- van Ederen bij brief van 15 april 2019 meegedeeld dat [dochter van de man] wel op Facebook actief is, maar blijkbaar niet daadwerkelijk wil reageren op de vragen van de rechtbank. Verzoeker stelt dat, gelet op de door hem overgelegde stukken, overduidelijk vaststaat dat de man zijn verwekker is. Verzoeker acht een DNA-onderzoek tijdrovend en bezwaarlijk. Uit de weigerachtige houding van [dochter van de man] kan volgens verzoeker enkel de conclusie worden getrokken dat zij niet wil dat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap plaatsvindt.

2.16

De rechtbank overweegt als volgt.

2.17

De rechtbank heeft [dochter van de man] als zijnde belanghebbende, in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft de rechtbank [dochter van de man] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een aantal vragen van de rechtbank te beantwoorden en haar standpunt nader kenbaar te maken. De rechtbank heeft [dochter van de man] de volgende vragen voorgelegd.

1. Op welk moment heeft u er wetenschap van gekregen dat [verzoeker] mogelijk een broer van u is? Het antwoord toelichten alstublieft.

2. De rechtbank begrijpt dat u altijd samen met uw vader heeft gewoond tot aan zijn dood. Heeft u met uw vader over [verzoeker] gesproken en de mogelijkheid dat hij de zoon van uw vader is? Wat kunt u daarover verklaren?

3. Is er door u met andere mensen dan uw vader over [verzoeker] als zoon van uw vader gesproken? Zo ja, met wie is dat geweest, wanneer was dat, en wat is daarbij besproken?

4. Op de zitting inzake de ontkenning van het vaderschap van [naam] met betrekking tot [verzoeker] , heeft [verzoeker] verklaard dat tussen u en [verzoeker] en diens vrouw een hartelijk contact bestond, waarbij u bij elkaar op bezoek ging en dat hij u ook ontmoette bij [de man] als hij die bezocht. Na de dood van [de man] is [verzoeker] met zijn echtgenote een paar dagen bij u op bezoek geweest.

Klopt dat? Wat kunt u hierover verklaren?

5. De advocaat van [verzoeker] heeft een stuk overgelegd (bijlage 6 van de brief van 23 oktober 2018). Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat u [verzoeker] ook zelf als uw broer aanmerkt.

Klopt dat? Het antwoord toelichten alstublieft.

6. Zijn er nog andere zaken of feiten die in bovengenoemde vragen niet aan de orde zijn gekomen en waarover u wilt verklaren?

Voorts heeft de rechtbank [dochter van de man] verzocht de rechtbank te informeren of de man begraven dan wel gecremeerd is. En indien hij begraven is, of dat alleen is of met anderen in een graf.

[dochter van de man] heeft de vragen niet beantwoord, met uitzondering van de vraag of de man begraven dan wel gecremeerd is. Rechtsanwalt J. Praun heeft in zijn brief van 12 april 2019 namens [dochter van de man] aangegeven dat de man is begraven in een gezamenlijk graf.

De rechtbank is van oordeel dat [dochter van de man] , gelet op het tijdsverloop en de aangeboden mogelijkheden, voldoende in de gelegenheid is gesteld en geweest om haar standpunt nader toe te lichten. De rechtbank zal thans beslissen op grond van de aanwezige stukken, hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en hetgeen [dochter van de man] reeds in haar eerdere verweer heeft aangegeven.

2.18

Verzoeker heeft, naast de gegeven onderbouwing van zijn verzoek, verschillende stukken ingediend ter onderbouwing van zijn stelling dat de man zijn verwekker is. Dit betreffen:

- een brief van de tante van [verzoeker] ;

- een briefkaart van 20 september 1986;

- een kopie van een verjaardagskaart;

- een kopie van een brief van [de man] aan [de moeder] van 16 september 1987;

- een print-screen van de Facebook pagina van [dochter van de man] ;

- een kerstkaart van [de man] aan [de moeder] van 20 december 1993;

- foto’s van [verzoeker] .

2.19

Ten aanzien van het verweer van [dochter van de man] stelt de rechtbank vast dat [dochter van de man] enkel heeft gesteld dat zij de kennis ontbeert ten aanzien van het ouderschap van de man met betrekking tot verzoeker. Haar verweer ziet erop dat verzoeker zijn verzoek had moeten doen toen de man nog leefde. Ook heeft zij aangegeven strikt tegen het gelasten van een DNA-onderzoek te zijn. Tot slot heeft zij aangegeven dat het enige geld dat de man heeft nagelaten boedelschulden zijn en dat hij het enige stuk grond dat hij bezat reeds in 2003 aan [dochter van de man] heeft overgedragen. Het enige antwoord dat [dochter van de man] heeft gegeven op de door de rechtbank gestelde schriftelijke vragen is dat de man is begraven in een gezamenlijk graf.

2.20

De rechtbank stelt voorop op dat het rechtsgevolg van een vaststelling ouderschap niet ter vrije bepaling van partijen staat. Bij toewijzing van een verzoek tot vaststelling van het ouderschap dient grote zorgvuldigheid te worden betracht, nu deze vaststelling onomkeerbaar is. Het ouderschap kan alleen gerechtelijk worden vastgesteld, indien duidelijk is dat de bewuste persoon de verwekker van het kind is geweest. Op een verzoekende partij rust dan ook de stelplicht en de bewijslast. In kwesties als de onderhavige wordt gewoonlijk verzocht om bewijs in te brengen van het ouderschap van de man door middel van overlegging van de resultaten van een DNA-onderzoek. Een bewijsregel, inhoudende dat in het kader van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap het biologisch vaderschap van de verwekker slechts via DNA-onderzoek dient te worden vastgesteld, is er niet (zie Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1318). De wet schrijft niet voor hoe aangetoond moet worden dat een persoon de verwekker is van een kind.

De rechtbank ziet op grond van hetgeen in deze zaak naar voren is gebracht aanleiding om af te wijken van de gewoonte een DNA-onderzoek te verlangen, nog daargelaten de vraag of dit nog mogelijk dan wel wenselijk zou zijn.

Uit de overgelegde stukken, zoals genoemd onder punt 2.17, maakt de rechtbank immers op dat zowel de moeder van verzoeker (‘ [de moeder] ’) als de man (‘ [de man] ’) er vanuit zijn gegaan dat verzoeker hun kind is. De tante van verzoeker gaat daar in haar brief aan verzoeker, waarin de ontstaansgeschiedenis van verzoeker uiteen is gezet, eveneens stellig vanuit.

Daarbij komt dat [dochter van de man] niet heeft ontkend dat de man de verwekker is van verzoeker. Zij heeft niet gereageerd op de overgelegde stukken, waaronder een Facebookpagina van [dochter van de man] waarin zij verzoeker zijn profiel heeft ondergebracht onder de subcategorie ‘familie’ onder de aanduiding ‘broer’. Ook heeft zij de gestelde meerdere bezoeken van verzoeker (en zijn echtgenote) aan haar en de man, en na zijn dood ook aan haarzelf, onweersproken gelaten.

2.21

De rechtbank heeft op grond van al het voorgaande geen reden tot twijfel dat de man de verwekker is van verzoeker. Nu van beletselen, als bedoeld in artikel 1:207 lid 2 BW niet is gebleken, zal het verzoek worden toegewezen.

2.22

Uit artikel 1:207 lid 5 BW volgt dat de vaststelling van het ouderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkt tot het moment van de geboorte van verzoeker.

2.23

Op grond van art. 1:5 lid 7 BW heeft verzoeker verklaard de geslachtsnaam [geslachtsnaam] te willen dragen. Zoals is bepaald in genoemd artikel dient deze verklaring in de beschikking te worden vermeld. Een aparte beslissing is niet vereist. De ambtenaar van de burgerlijke stand dient bij het opmaken van de latere vermelding van de vaststelling van het ouderschap tevens de geslachtsnaam van verzoeker wijzigen.

3 Beslissing:

De rechtbank:

3.1

stelt vast het ouderschap van [de man] , geboren op [datum] te [plaats] , Duitsland, en overleden op [datum] te [plaats] , Duitsland, met betrekking tot [verzoeker], geboren op [datum] te [plaats] ;

3.2

draagt de griffier - op grond van artikel 1: 20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] .

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.