Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4399

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2139
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep niet tijd bekendmaken dwangsom besluit. Geen verplichting om (eigener beweging) een besluit als bedoeld in artikel 4:18 Awb te nemen, omdat in rechte vaststaat dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ing. F. Zomers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigde: T. van Hooff).

Procesverloop

Eiser heeft op 15 mei 2018 beroep ingesteld wegens ‘het niet tijdig bekendmaken van een besluit inzake verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig beslissen’.

De rechtbank heeft dit beroep op 15 juni 2018 ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling heeft het beroep op 3 juli 2018 teruggezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 17 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft een procedure gevoerd tegen de besluitvorming van verweerder ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning van [naam] ( [naam] ) voor het verbouwen van zijn schuur op het perceel [naam perceel] .

1.2

Die procedure omvat - onder meer - het volgende.

Deze rechtbank heeft het beroep van [naam] bij uitspraak van 10 april 2017 in de zaak geregistreerd onder het nummer HAA 16/4675 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Eiser en [naam] zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Het beroep van eiser is bij de Afdeling geregistreerd onder kenmerk 201703138/1/A1.

1.3

Eiser heeft verweerder bij brief van 4 juli 2017 in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Eiser heeft nadat dat besluit uitbleef vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld bij de Afdeling.

1.4

De Afdeling heeft op dat beroep uitspraak gedaan op 16 augustus 2017 (kenmerk 201703138/4/A1). Het beroep is kennelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar vernietigd, verweerder opgedragen om binnen twee weken na 16 augustus 2017 alsnog een reëel besluit op het bezwaar van eiser te nemen en bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Dit verzet heeft de Afdeling bij uitspraak van 20 september 2017 (kenmerk 201703138/5/A1) ongegrond verklaard.

1.5

Op 18 augustus 2017 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en verweerder verzocht om de verbeurde dwangsommen vast te stellen. Bij brief van 24 augustus 2017 heeft verweerder hierop gereageerd door (onder meer) te stellen nog geen dwangsommen te hebben verbeurd als gevolg van de uitspraak van de Afdeling, omdat de termijn daarvoor loopt tot 31 augustus 2017.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 24 augustus 2017 die aan [naam] is geadresseerd aangegeven dat besloten is ‘zijn bezwaar gegrond te verklaren en het besluit op bezwaar te herroepen in die zin dat het primaire besluit tot vergunningverlening weer van kracht is met inachtneming van de gewijzigde tekening’.

Deze brief heeft verweerder op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de Afdeling.

1.6

Bij brief van 3 september 2017 heeft eiser verweerder er – onder meer - op gewezen dat het eiser is die bezwaar heeft gemaakt en dat verweerder eiser daarom vanaf 31 augustus 2017 het maximumbedrag aan dwangsommen is verschuldigd van € 1260,-. Daarbij heeft eiser gesteld dat het besluit op bezwaar op dat moment nog niet aan hem bekend is gemaakt, zodat eiser ook dwangsommen is gaan verbeuren op grond van de uitspraak van de Afdeling. Eiser heeft verweerder daarom verzocht om het besluit op bezwaar alsnog aan hem bekend te maken en om de verbeurde dwangsommen vast te stellen.

Bij brief van 14 september 2017 heeft verweerder hierop gereageerd door (onder meer) te stellen dat al op 18 juli 2017 - en dus tijdig - een besluit is genomen op het bezwaar van eiser. Verder heeft verweerder eiser er op gewezen dat na de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, binnen de daarin gestelde termijn, op 24 augustus 2017 een besluit is genomen, dat dit besluit inderdaad nog niet op de juiste wijze aan eiser is bekendgemaakt en dat verweerder het besluit daarom alsnog toezendt. Daarbij merkt verweerder nog op dat in deze beslissing op bezwaar abusievelijk is verwezen naar de herroeping van de eerdere beslissing op bezwaar van 15 september 2016, terwijl het gaat om herroeping van het primaire besluit. Tevens is er op gewezen dat bedoeld is het bezwaar ongegrond te verklaren.

Eiser heeft tegen de brief van 14 september 2017, die overigens op grond van artikel 4:19 van de Awb reeds van rechtswege deel uitmaakte van de lopende procedure, hoger beroep ingesteld, bij de Afdeling geregistreerd onder kenmerk 201710005/1/A1.

1.7

Op 29 maart 2018 heeft verweerder de, naar later is gebleken, onbevoegd genomen besluiten van 18 juli 2017, 24 augustus 2017 en 14 september 2017 bekrachtigd.

1.8

Bij brief van 12 juni 2018 heeft eiser de hoger beroepen met kenmerken 201710005/1/A1 en 201703138/1/A1 ingetrokken.

2.1

Eiser beoogt met het voorliggende beroep, zoals ter zitting toegelicht, dat verweerder alsnog een besluit neemt over de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom die verweerder volgens eiser in voormelde procedure verbeurd heeft. Verweerder had dat besluit op grond van artikel 4:18 van de Awb eigener beweging binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, te weten voor 12 februari 2018, moeten nemen en heeft dat niet gedaan, aldus eiser. Het gaat om € 1260,- vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar en € 15.000,- vanwege het verbeuren van de door de Afdeling in de uitspraak van 16 augustus 2017 aan het overschrijden van de gegeven termijn voor het nog te nemen besluit op bezwaar verbonden dwangsom. Eiser verwijst daarbij naar genoemde uitspraken van de rechtbank en de Afdeling.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen dwangsommen verbeurd heeft, omdat hij tijdig op eisers bezwaar heeft beslist. Dit heeft hij bij brief van 14 september 2017 ook aan eiser bericht. Die brief is aan te merken als een besluit. Dat dat besluit onbevoegd genomen is, doet daar niet af, aldus verweerder. Van een verplichting eigener beweging nog een besluit te nemen op grond van artikel 4:18 van de Awb is daarom geen sprake.

2.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in eerdergenoemde brief van 14 september 2017, naar aanleiding van het verzoek van eiser van 3 september 2017 om dwangsommen vast te stellen, op het standpunt heeft gesteld dat geen dwangsommen verbeurd zijn. Deze brief maakte - als overwogen - deel uit van de bij de Afdeling aanhangige hoger beroepen met de kenmerken 201703138/5/A1 en 201710005/1/A1. Met het intrekken van deze hoger beroepen, is - zoals ook volgt uit de brief van de Afdeling aan eiser van 26 juni 2018 - de rechtmatigheid van de brief van 14 september 2017 - en daarmee het daarin vervatte standpunt van verweerder - in rechte komen vast te staan. De rechtbank moet dus, anders dan door eiser is bepleit, uitgaan van de juistheid ervan. Dat betreft evenzeer de bevoegdheid tot opstellen van de brief. Aan de vraag of de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017 verweerder nog ruimte bood voor het ingenomen standpunt kan de rechtbank dus niet toekomen.

2.4

De stelling dat tijdens de zitting bij de Afdeling - voorafgaand aan de intrekking van genoemde hoger beroepen - besproken zou zijn dat het wenselijk is de procedure omtrent het vaststellen van eventueel verbeurde dwangsommen los te koppelen van de hoofdzaak en dat het intrekken van de hoger beroepen geen gevolgen zou hebben voor de procedure omtrent het vaststellen van eventueel verbeurde dwangsommen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de brief van de Afdeling van 26 juni 2018 aan eiser blijkt immers ook dat het intrekken van genoemde hoger beroepen tot gevolg heeft dat de rechtmatigheid van het stuk van 14 september 2017 geen onderwerp meer is van het aanhangige geschil en dat het (thans bij de rechtbank voorliggende) beroepschrift neerkomt op het terugkomen van een intrekking van een beroep van rechtswege, hetgeen niet mogelijk is.

2.5

Nu in rechte vaststaat dat verweerder in de onder 1.2 weergegeven procedure geen dwangsommen heeft verbeurd, bestaat voor verweerder niet de verplichting eigener beweging een besluit als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb te nemen. Verweerder is dus niet in gebreke (zo) een besluit te nemen. Dat betekent dat het beroep van eiser wegens het niet tijdig nemen van een (eigener beweging te nemen) besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.6

Het voorgaande laat onverlet dat het verweerder vanzelfsprekend vrij staat (alsnog) onverplicht een besluit te nemen ten aanzien van eventueel verbeurde dwangsommen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.