Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4331

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
C/15/288808 / HA RK 19/106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart verzoekster kennelijk niet ontvankelijk in haar wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/288808 / HA RK 19/106

Beslissing van dinsdag 21 mei 2019

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster]

verblijvende te [woonplaats]

[adres]

hierna te noemen: verzoekster.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. P.J. Jansen,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoekster heeft op 5 april 2019 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Handel Kanton en Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer 7639103 / KG EXPL 19-46, hierna te noemen: de hoofdzaak.

Na de mondelinge behandeling van het verzoek ter zitting van 29 april 2019 van de wrakingskamer (waarbij verzoekster niet is verschenen), werd het wrakingsverzoek afgewezen.

1.2.

Op 20 mei 2019 heeft in de hoofdzaak de mondelinge behandeling onder leiding van de rechter plaatsgevonden. Verzoekster is niet tot het einde aanwezig gebleven, maar heeft de zitting – zo blijkt uit de zittingsaantekeningen van de griffier – voortijdig verlaten.

1.3.

Verzoekster heeft vervolgens op 21 mei 2019 schriftelijk opnieuw de wraking verzocht van de rechter.

1.4.

De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

1.5.

Ter beoordeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer de beschikking gekregen over:

- het onderliggende dossier in de hoofdzaak;

- de zittingsaantekeningen van de griffier van de zitting van 20 mei 2019.

2 Het standpunt van verzoekster

2.1.

In haar verzoekschrift beschrijft verzoekster dat zij zelf om een spoedzitting heeft verzocht in verband met – zo begrijpt de wrakingskamer – een aangekondigde vernietiging van haar ontruimde inboedel op 22 mei 2019. De rechter heeft ter zitting aangekondigd op 29 mei 2019 vonnis te zullen wijzen. Daaruit trekt verzoekster de conclusie dat alles voor niets is.

Verder voert verzoekster aan dat zij heeft verzocht om stukken, waaruit zou blijken dat haar woning niet gewoon via de notaris, maar via een internetveiling zou zijn verkocht. Dat zou de rechter aan de wederpartij hebben moeten vragen maar dat heeft hij geweigerd, aldus verzoekster.

3 De beoordeling van het verzoek

3.1.

Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek gelden de volgende uitgangspunten.

3.1.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert.

3.1.2.

Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid.

3.1.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 37 Rv dient een verzoek tot wraking gemotiveerd te zijn. Dat betekent dat het verzoek de gronden voor de verzochte wraking moet bevatten.

3.2.

Dat de rechter heeft beslist dat de uitspraak op 29 mei 2019 zal worden gedaan, levert geen wrakingsgrond op. Waarom dat vooringenomenheid van de rechter zou opleveren legt verzoekster niet uit.

De wrakingskamer merkt daarnaast nog het volgende op.

Indien verzoekster tot het einde van de mondelinge behandeling bij de zitting aanwezig zou zijn gebleven, dan zou zij hebben vernomen dat de wederpartij ter zitting heeft verklaard het vonnis van de rechter te zullen afwachten en niet eerder dan 5 juni 2019 tot vernietiging van de ontruimde inboedel te zullen overgaan.

3.3.

De wrakingskamer is van oordeel dat ook de enkele stelling dat de rechter zou hebben geweigerd stukken bij de wederpartij van verzoekster op te vragen geen wrakingsgrond oplevert.

Allereerst blijkt deze weigering van de rechter niet uit de zittingsaantekeningen. Daarin staat vermeld dat de rechter heeft gezegd: “Ik moet het doen met de stukken die voorliggen.”

Daarnaast geldt dat de Hoge Raad heeft bepaald dat procedurebeslissingen geen grond voor wraking kunnen opleveren, zelfs niet als er geen motivering wordt gegeven (ECLI:NL:HR:2018:1413).

3.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de wrakingskamer tot de conclusie komt dat er geen wrakingsgronden zijn aangevoerd.

Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9.1. in samenhang met paragraaf 4.1. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank – op internet te vinden onder: www.rechtspraak.nl/Organisatie en contact/Rechtbanken/Rechtbank Noord-Holland/Meer regels en procedures/Regelingen – zal de wrakingskamer het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het verzoek zonder mondelinge behandeling wordt afgedaan.

4 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

4.1.

verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk;

4.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat de zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team privaatrecht, sectie kanton, locatie Alkmaar van de rechtbank Noord-Holland.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. J.C. Gisolf, rechter,

en mr. J.L. Roubos, rechter, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van R. Rakhan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.