Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4284

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4905
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

invorderingsbeschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/4905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: F. Brouwer en F. Braaksma).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder bij eiser een dwangsom van € 3.333,- ingevorderd.

Bij besluit van 3 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en bij eiser een dwangsom van € 2.500,- ingevorderd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van het pand aan de [het pand] (het pand). Op 2 april 2014 is aan eiser een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de legalisering van 2 door eiser gerealiseerde zelfstandige woningen op de eerste verdieping van het pand. Op de bij deze omgevingsvergunning behorende tekeningen is de ruimte op de eerste verdieping, links van de trapopgang, aangeduid als onbenoemde ruimte.

1.2

Bij besluit van 19 juni 2017 heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom van € 30.000,- ineens gelast om binnen 6 maanden na verzenddatum van het besluit de bewoning van de onbenoemde ruimte te laten staken en gestaakt te houden. Tevens heeft verweerder eiser bij dit besluit onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,- ineens gelast om binnen 6 maanden na verzenddatum van het besluit de ten behoeve van de woning van de onbenoemde ruimte aangebrachte voorzieningen zoals de douche, het toilet en de keuken inclusief bijbehorend leidingwerk en het met de bewoning verband houdende huisraad te verwijderen en verwijderd te houden. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom niet-ontvankelijk verklaard.

1.3

Op 22 december 2017 is een controle uitgevoerd bij het pand. Hierbij is gebleken dat de bewoning van de onbenoemde ruimte is gestaakt en dat de huisraad, de douche, het toilet en de keuken waren verwijderd. Het leidingwerk stak echter nog zichtbaar uit de muur en vloer. Tijdens de controle van 12 januari 2018 is geconstateerd dat al het leidingwerk is verwijderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een bedrag van € 2.500,- ingevorderd. Verweerder heeft geconstateerd dat nadat de begunstigingstermijn op 19 december 2018 is verstreken, niet volledig aan de last is voldaan. Het leidingwerk in de douche, het toilet en de keuken waren niet tot aan de muur verwijderd waardoor de dwangsom is verbeurd. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel van invordering dient te worden afgezien.

3. Vast staat dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beslissing op het bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom. Dat besluit staat dan ook in rechte vast. Dit betekent dat de rechtmatigheid van de last onder dwangsom in deze beroepsprocedure een gegeven is en niet ter beoordeling voorligt. Reeds hierom kan het betoog van eiser, voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de dwangsom die is verbonden aan de last, niet in deze procedure aan de orde komen.

4. De rechtbank overweegt dat de dwangsom van € 10.000,- is verbeurd. De last strekt er immers toe het gebruik van de onbenoemde ruimte te beëindigen en beëindigd te houden. Het verwijderen van het leidingwerk heeft dan ook tot doel dat de te verwijderen voorzieningen niet meer aangesloten kunnen worden. Uit het rapport van 22 december 2017 is gebleken dat niet al het leidingwerk tot aan de muur of vloer was verwijderd waardoor de voorzieningen opnieuw op het leidingwerk aangesloten konden worden en derhalve niet aan de last is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het overige wel aan de last is voldaan.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1062.

6. Verweerder heeft niet de gehele verbeurde dwangsom ingevorderd, omdat voor een gedeelte wél aan de last is voldaan. Verweerder heeft de volgende motivering aan de hoogte van de invordering ten grondslag gelegd. De last onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,- bestaat uit het verwijderen van de ten behoeve van de woning aangebrachte voorzieningen inclusief bijbehorend leidingwerk én het verwijderen en verwijderd houden van de met de bewoning verband houdende huisraad. De aan de last verbonden dwangsom van € 10.000,- wordt voor een kwart aan het “verwijderen en verwijderd houden van de huisraad” toegerekend. Het onderdeel “verwijderen van de ten behoeve van bewoning aangebrachte voorzieningen” kan in drie subonderdelen worden gesplitst. De subonderdelen betreffen het verwijderen van de douche, het toilet en de keuken. Van elk van de drie onderdelen diende ook het leidingwerk verwijderd te worden. Aangezien het verwijderen van de subonderdelen tot doel heeft om de overtreding op te heffen en het verwijderen van het leidingwerk tot doel heeft om herhaling van de overtreding te voorkomen, kan een derde van elk onderdeel worden toegerekend aan het verwijderen van het leidingwerk. Derhalve is een bedrag van € 2.500,- ingevorderd.

7. De rechtbank leidt uit de bovenstaande berekening af dat per voorziening het niet verwijderen van het leidingwerk de invordering is bepaald op € 833,33. Deze berekening acht de rechtbank redelijk. De vraag die overblijft is of het invorderen van de dwangsom voor het niet verwijderen van het leidingwerk voor álle voorzieningen een bijzondere omstandigheid vormt dat van invordering moet worden afgezien.

8 Blijkens de foto’s in het rapport van 22 december 2017 was tijdens de controle in het toiletgedeelte een staande waterleiding ten behoeve van de stortbak aanwezig en in het keukengedeelte was de aansluiting van de koperen leiding ten behoeve van de cv ketel volledig in tact. Deze voorzieningen konden dus opnieuw aangesloten worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de verbeurde dwangsom heeft ingevorderd met betrekking tot het niet voldoen aan de last voor zover deze strekt tot het verwijderen van het leidingwerk in het toiletgedeelte en het keukengedeelte. Uit de foto van de doucheruimte behorende bij het rapport van 12 januari 2018 blijkt echter niet van een andere situatie dan de situatie die op de foto behorende bij het rapport van 22 december 2018 is weergegeven. Ook blijkt niet uit de omschrijving in de rapporten waarom in de doucheruimte niet aan de last is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onterecht heeft ingevorderd voor zover de last ziet op het verwijderen van het leidingwerk in de doucheruimte, omdat niet is gebleken dat op dit onderdeel niet aan de last is voldaan. Dit betreft een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de rechtbank de invordering zal matigen met € 833,33.

9.1

Eiser betoogt dat invordering in dit geval disproportioneel is, omdat voor hem niet duidelijk was in hoeverre het leidingwerk verwijderd moest worden.

9.2

De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om invordering van de dwangsom verder te matigen, aangezien het voor eiser duidelijk had moeten zijn dat – gelet op de inhoud van de last dat eiser de voorzieningen ten behoeve van bewoning inclusief het leidingwerk moest verwijderen en verwijderd moet houden – het leidingwerk in zoverre verwijderd diende te worden dat de voorzieningen niet gemakkelijk aangesloten konden worden. Dit was wel het geval met de stortbak in het toiletgedeelte en de cv ketel in het keukengedeelte. Dat eiser verweerder voor het aflopen van de begunstigingstermijn heeft gevraagd het pand te controleren doet hier niet aan af, omdat eiser niet aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat voor hem onduidelijk was tot hoever hij het leidingwerk diende te verwijderen. Van een overtreder mag immers worden verwacht dat hij navraag doet als een last niet duidelijk is.

10. De rechtbank zal op grond van al het voorgaande het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de invorderingsbeschikking wordt vastgesteld op € 1.666,67.

11. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft tijdens de zitting een proceskostenformulier ingediend waarop hij heeft aangegeven reis- en verblijfkosten te hebben gemaakt. Deze kosten komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking ter hoogte van een bedrag ad € 9,00 (reiskosten op basis openbaar vervoer Amsterdam Centraal - Haarlem).

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 stelt het in te vorderen bedrag vast op € 1.666,67;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 9,00;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.