Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4283

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
C/15/282075 / HA RK 18-215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om de Staat (de rechtbank Amsterdam) op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) te bevelen kopieën te verstrekken van alle bij de rechtbank Amsterdam aanwezige interne en externe (dossier)stukken waarin persoonsgegevens van verzoekers voorkomen. Het recht op inzage betekent niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of dossiers als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan

Verzoekers hebben geen belang bij kopieën van stukken die reeds in hun bezit zijn. Het inzagerecht strekt zich voorts niet uit tot interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verwerkingsverantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad. Juridische analyses naar aanleiding van persoonsgegevens kunnen niet worden gekwalificeerd als persoonsgegevens. Het is aan de behandelend kantonrechter om in een concrete zaak te bepalen welke dossierstukken worden verstrekt. Het inzagerecht strekt zich niet uit tot correspondentie die valt onder de vertrouwelijke relatie tussen een advocaat en diens cliënt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2019/59 met annotatie van Hennekens, M.P.M.
Computerrecht 2019/136 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/282075 / HA RK 18-215

Beschikking van 23 mei 2019

in de zaak van

1 [verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoekster],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. S.M. Singh te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

verweerder,

advocaten mr. L. Groenveld en mr. G.J. Zwenne te Den Haag.

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoekers] en de Staat worden genoemd. Verzoekers zullen afzonderlijk [verzoeker] en [verzoekster] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Bij e-mail van 25 mei 2018 heeft [verzoeker] bij de rechtbank Amsterdam een verzoek om inzage gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). [verzoeker] heeft verzocht om kopieën, in digitale vorm, van alle persoonsgegevens die de rechtbank over hem heeft verwerkt. In het verzoek wordt ook gewezen op de verwerking van persoonsgegevens van [verzoekster] . Partijen zijn het erover eens dat het verzoek ook ziet op haar persoonsgegevens.

1.2.

Op 30 mei 2018 is een ontvangstbevestiging aan [verzoeker] gestuurd met daarin het verzoek aan [verzoeker] en [verzoekster] om zich in persoon te komen identificeren. [verzoeker] heeft zich in persoon ter identificatie gemeld en daarbij documentatie overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om [verzoekster] te vertegenwoordigen.

1.3.

Bij brief van 23 juli 2018, gericht aan [verzoeker] , heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam een overzicht van de persoonsgegevens van [verzoeker] en [verzoekster] verstrekt.

1.4.

Op 4 september 2018 is bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift binnengekomen van [verzoekers] op grond van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) en artikel 15 AVG.

1.5.

Bij beschikking van 29 november 2018 heeft de rechtbank Amsterdam de zaak op de voet van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.

1.6.

Op 28 maart 2019 is bij deze rechtbank een aanvullend verzoekschrift van [verzoekers] , gedateerd 27 maart 2019, binnengekomen met een nadere onderbouwing van het verzoek.

1.7.

Eveneens op 28 maart 2019 is bij deze rechtbank een verweerschrift van de Staat binnengekomen.

1.8.

Op 11 april 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de meervoudige kamer van deze rechtbank. Zowel mr. Singh als mr. Groeneveld hebben zich bediend van pleitnotities. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 18 november 2005 onder bewind gesteld met benoeming van haar moeder tot bewindvoerder en mentor.

2.2.

Bij beschikking van 7 januari 2009 is [verzoeker] in plaats van moeder benoemd tot bewindvoerder van [verzoekster] .

2.3.

Bij beschikking van 4 december 2013 zijn moeder en [verzoeker] ontslagen als respectievelijk mentor en bewindvoerder en is [betrokkene 1] in hun plaats in beide functies benoemd.

2.4.

Op 25 augustus 2014 heeft [betrokkene 1] verzocht om te worden ontslagen als bewindvoerder en mentor. Bij faxbericht van 26 augustus 2014 heeft mr. Singh verzocht [betrokkene 1] te ontslaan als bewindvoerder en mentor en [verzoeker] te benoemen als opvolgend bewindvoerder en mentor. [betrokkene 1] heeft het verzoek tot haar ontslag op 31 oktober 2014 weer ingetrokken. Op 18 november 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De beslissing is aangehouden in afwachting van een op te maken psychodiagnostisch onderzoeksrapport. Bij brief van 10 oktober 2014 heeft de kantonrechter aan mr. Singh laten weten dat [betrokkene 1] opnieuw haar ontslag als bewindvoerder/mentor heeft ingediend, dat dit verzoek zal worden gehonoreerd en dat de kantonrechter voornemens is om een professioneel bewindvoerder en mentor te benoemen.

2.5.

Na kennisneming van het psychodiagnostische rapport van 6 januari 2015 heeft de kantonrechter bij beschikking van 29 juni 2015 [betrokkene 1] ontslagen als mentor en [verzoeker] als opvolgend mentor benoemd. Het verzoek van [verzoeker] om hem te benoemen tot opvolgend bewindvoerder is afgewezen. Bij faxbericht van 10 december 2015 en e-mails van 4 en 7 januari 2016 heeft mr. Singh verzocht om verbetering van de beschikking waarna de datum en de aanwezigen bij de mondelinge behandeling bij herstelbeschikking van 5 januari 2016 zijn verbeterd.

2.6.

Op 28 september 2015 is [verzoekster] in hoger beroep gegaan van een deel van de beschikking van 29 juni 2015. Bij beschikking van 12 april 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam [betrokkene 1] ontslagen als bewindvoerder en [verzoeker] benoemd tot opvolgend bewindvoerder.

2.7.

Bij dagvaarding van 24 december 2015 heeft mr. Singh namens [verzoekster] de Staat gedagvaard in kort geding. Bij brief van 7 januari 2016 heeft mr. Singh het kort geding weer ingetrokken.

2.8.

Na herhaaldelijk verzoek is door de kantonrechter te Amsterdam op 31 december 2015 aan mr. Singh een afschrift van het dossier van [verzoekster] tot dan toe verstrekt. Na die datum zijn aan mr. Singh afschriften verstrekt van diverse stukken die later aan het dossier zijn toegevoegd.

2.9.

Na in verschillende instellingen te hebben verbleven, verblijft [verzoekster] sinds 20 augustus 2014 bij [verzoeker] .

2.10.

Bij brief van 4 april 2017 heeft mr. Singh namens [verzoekers] een groot aantal klachten ingediend bij het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam. De klachten zagen met name op onzorgvuldigheden van de rechtbank ten aanzien van het mentorschap en bewind. In de brief heeft mr. Singh verder om afschriften van een groot aantal stukken verzocht.

2.11.

Bij brief van 7 augustus 2017 heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam uitgebreid gereageerd op de hiervoor vermelde klachtbrief van mr. Singh. De conclusie van die brief luidde dat de klacht niet inhoudelijk kan worden behandeld dan wel ongegrond is.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekers] verzoeken de Staat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking te bevelen en te veroordelen:

  1. om op grond van artikel 15 AVG aan [verzoekers] binnen zeven dagen na de beschikking volledige afschriften van de verwerkingen van persoonsgegevens te verstrekken, een volledige omschrijving van het doel of doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede informatie over de herkomst van de gegevens kenbaar te maken;

  2. om binnen zeven dagen na het afgeven van de beschikking schriftelijk mede te delen of persoonsgegevens van [verzoekers] aan derden zijn verstrekt en, zo ja, aan wie;

  3. tot herstel van de onrechtmatig verstrekte persoonsgegevens volgens artikel 10 AVG en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens alsmede het betalen van een schadevergoeding ad € 10.000,-;

  4. tot betaling van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding van de onder a en b verzochte bevelen, of, naar keuze van [verzoekers] , van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de Staat met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,-;

  5. in de kosten van dit geding.

3.2.

In het aanvullende verzoekschrift hebben [verzoekers] het hiervoor weergegeven verzoek onder a. nader geconcretiseerd in die zin dat zij in ieder geval willen ontvangen:

I. alle dossierstukken die de rechtbank Amsterdam heeft met betrekking tot [verzoekers] in de dossiers die de rechtbank Amsterdam behandeld heeft;

II. alle overige stukken, zoals bijvoorbeeld notities verband houdende met en correspondentie met Stichting Philadelphia Zorg, met de landsadvocaat, met de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, met het gerechtshof Amsterdam, met de rechtbank Den Haag, met het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag, met de rechtbank Midden-Nederland, met [betrokkene 1] , met Cordaan, met [betrokkene 2] en met [betrokkene 3] ;

III. tijdens de zitting op 12 augustus 2014 is gebleken dat het verzoek om [verzoeker] als bewindvoerder te ontslaan afkomstig is van Philadelphia. [verzoekers] willen alle documenten hebben die aanleiding hebben gegeven tot het aanstellen van [betrokkene 1] als bewindvoerder en mentor;

IV. alle correspondentie met de rechtbank Midden-Nederland m.b.t. voormalig mentor en bewindvoerder [betrokkene 1] ;

V. de correspondentie met de Landsadvocaat eind 2015, begin 2016;

VI. alle correspondentie met de deken van de Amsterdamse orde van advocaten m.b.t. [verzoekers] ;

VII. alle correspondentie en andere uitwisseling van documenten met de president van de rechtbank Den Haag;

VIII. alle dossierstukken m.b.t. de uitvoering van het bewind en mentorschap door [verzoeker] ;

IX. alle interne documentatie m.b.t. het verbeteren van de beschikkingen en de processen-verbaal m.b.t. [verzoekers] n.a.v. zittingen.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekers] stellen onder meer dat er door de rechtbank Amsterdam fouten zijn gemaakt in de bewindszaak van [verzoekster] en dat er onrechtmatig een dossier wordt bijgehouden over [verzoeker] . Om dit te kunnen aantonen en onjuiste informatie in het dossier te kunnen weerleggen willen zij toegang tot alle interne en externe stukken die er bij de rechtbank zijn over [verzoeker] en [verzoekster] . Het gaat dan niet alleen om dossiers, maar ook om mailwisselingen, instructies van griffiers, vergaderverslagen en correspondentie met onder andere de deken en de landsadvocaat. Het door het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam op 23 juli 2018 verstrekte overzicht van de persoonsgegevens is onvolledig en onbegrijpelijk en voldoet niet aan de AVG. [verzoekers] baseren hun verzoek tot het verstrekken van kopieën van volledige dossiers en andere stukken op artikel 15 AVG en artikel 35 UAVG. Zij betogen dat die artikelen recht geven op verstrekking van kopieën van alle documenten waarin persoonsgegevens voorkomen, omdat een document waarin persoonsgegevens voorkomen daarmee ook zelf een persoonsgegeven is geworden.

4.2.

De Staat betwist dat [verzoekers] op grond van de AVG recht hebben op kopieën van dossiers en andere stukken.

Algemene uitgangspunten inzagerecht

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende. Het inzagerecht dat voorheen in artikel 12 van de Privacyrichtlijn 95/46 (hierna: “de Privacyrichtlijn”) was vastgelegd en nu in artikel 15 AVG is opgenomen, heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn vastgelegd. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat onder de AVG de doelstelling en omvang van dit inzagerecht ten opzichte van de Privacyrichtlijn is gewijzigd, zodat rechtspraak over het inzagerecht die is gewezen ten tijde van de Privacyrichtlijn ook nog gelding heeft nu de AVG van kracht is.

4.4.

Het inzagerecht is in artikel 15 AVG als volgt uitgewerkt:

1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a. a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

(…)

3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

(…)

4.5.

Het inzagerecht is beperkt tot persoonsgegevens. De uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’ is dus bepalend voor de reikwijdte van het inzagerecht. Door het Hof van Justitie en de Hoge Raad wordt een ruime uitleg aan het begrip “persoonsgegeven” gegeven. In zijn arrest van 20 december 2017 heeft het Hof van Justitie overwogen dat het begrip persoonsgegevens zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon (ECLI:EU:C:2017:994, NJ 2018/314 inz. Nowak). Dit betekent dat als de gegevens mede bepalend zijn voor de wijze waarop de betrokken persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld die gegevens als persoonsgegevens worden aangemerkt. Niet alleen gegevens op basis waarvan een natuurlijk persoon geïdentificeerd kan worden, maar ook feitelijke of waarderende gegevens over eigenschappen, opvattingen of gedragingen van een persoon zijn dus persoonsgegevens. Voor zover dergelijke gegevens geautomatiseerd worden verwerkt of voorkomen in bestanden is het inzagerecht daarop van toepassing.

4.6.

Artikel 15 lid 3 AVG geeft recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens en nergens in de AVG wordt gesproken over het verstrekken van een kopie van de bescheiden waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. Het recht op inzage betekent dan ook niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of dossiers als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan (HvJ EU 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081, inz. IND). In welke concrete materiële vorm de gegevens moeten worden verstrekt is daarom afhankelijk van de concrete omstandigheden.

4.7.

Voor zover documenten niet alleen NAW-gegevens bevatten, maar ook meerdere feitelijke en waarderende gegevens over eigenschappen of gedragingen van natuurlijke personen lenen dergelijke gegevens zich niet goed voor opname in een overzicht. Gelet op de uitspraken van de Hoge Raad in de Dexia-zaak (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, ECLI:NL:HR:2007:AZ4664, ECLI:NL:HR:2007:BA3529) heeft een betrokkene in beginsel dan ook recht op een (eventueel deels zwartgemaakte) kopie van de documenten waarin die gegevens zijn opgenomen, omdat dat de meest effectieve wijze is waarop voldaan kan worden aan de verplichting zo volledig en duidelijk mogelijk informatie te verschaffen aan de hand waarvan de rechtmatigheid en juistheid van de gegevens kan worden gecontroleerd. Zoals uit het navolgende zal blijken bestaat op dit recht echter een aantal uitzonderingen.

4.8.

De rechtbank zal de vraag of en zo ja op welke wijze [verzoekers] aanspraak kunnen maken op het inzagerecht beoordelen in het licht van de uitdrukkelijke mededeling van mr. Singh ter zitting dat het [verzoekers] uitsluitend gaat om het verkrijgen van kopieën van documenten en niet om een nieuw (aanvullend) overzicht met hun persoonsgegevens.

Zaaksdossiers

4.9.

Niet weersproken is dat een afschrift van het bewindsdossier aan mr. Singh is verstrekt. Bij verstrekking van een kopie van de zich in die stukken bevindende persoonsgegevens hebben [verzoekers] dan ook geen belang. Tijdens de zitting heeft mr. Singh aangegeven dat zij een groot aantal in het overzicht vermelde zaaknummers niet kent. De rechtbank overweegt dat het niet anders kan dan dat dit nummers zijn van zaakdossiers. Dat het om veel nummers gaat is niet vreemd gezien het langlopende bewind en de vele verzoeken die in die zaak zijn gedaan. Het ligt voor de hand dat aan de verzoeken die in de bewindszaak zijn gedaan steeds een apart (administratief) zaaknummer is toegekend. Die zaaknummers maken daarmee deel uit van het hoofddossier dat reeds aan mr. Singh is verstrekt.

4.10.

Voor zover zich in het bewindsdossier documenten bevinden die niet aan mr. Singh zijn verstrekt en waarin wel persoonsgegevens van [verzoekers] voorkomen overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie strekt het inzagerecht zich niet uit tot interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verwerkingsverantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad (onder meer Hof Amsterdam 5 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020; HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, ECLI:NL:HR:2007:AZ4664, ECLI:NL:HR:2007:BA3529). Ook juridische analyses naar aanleiding van persoonsgegevens kunnen als zodanig niet worden gekwalificeerd als persoonsgegevens (HvJ EU 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081). De hiervoor genoemde uitspraken brengen mee dat [verzoekers] geen recht hebben op inzage in interne instructies en aantekeningen van medewerkers in het dossier. Deze stukken zijn bij uitstek bedoeld voor intern overleg en beraad. Datzelfde geldt voor e-mails van medewerkers van de rechtbank Amsterdam onderling over de zaak.

4.11.

Behalve interne stukken en juridische analyses bevinden zich in het bewindsdossier mogelijk nog andere stukken, zoals correspondentie met derden, waarvan de kantonrechter heeft geoordeeld dat die stukken niet aan [verzoeker] als bewindvoerder of [verzoekster] als onder bewind gestelde worden verstrekt. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De verwerkingsverantwoordelijke kan artikel 15 AVG onder meer buiten toepassing laten en inzage weigeren als dit noodzakelijk is voor de bescherming en onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures (artikel 41 UAVG sub f) of voor de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (artikel 41 UAVG sub i). De kantonrechter heeft als taak om toezicht te houden op het ingestelde bewind. Voor een goede uitvoering van deze taak moeten zowel de onder bewind gestelde als derden de kantonrechter informatie over de uitvoering van de bewindvoering en de (persoon van de) bewindvoerder kunnen verstrekken zonder dat die informatie direct aan alle bij het dossier betrokken personen wordt verstrekt. Het belang van de onder bewind gestelde en derden die de kantonrechter dergelijke informatie hebben gegeven kan naar het oordeel van de rechtbank in de weg staan aan inzage van de daarop betrekking hebbende stukken. [verzoekers] heeft de vrees uitgesproken dat de kantonrechter in het kader van de toezichthoudende taak op het bewind en mentorschap op enig moment een beslissing neemt op basis van deze dergelijke informatie die [verzoekers] betreft en waarvan zij geen weet hebben. Deze vrees is niet gegrond: de goede procesorde maakt dat een beslissing alleen gestoeld kan worden op voor partijen (tijdig) kenbare gegevens, zodat zij daar op kunnen worden gehoord. Dit is bij bewind niet anders dan bij andere rechtsgebieden. Het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam heeft dan ook terecht beslist dat het aan de behandelend kantonrechter is om in een concrete zaak te bepalen welke dossierstukken aan de andere bij het dossier betrokken personen worden verstrekt. Op die stukken is het inzagerecht van artikel 15 AVG niet van toepassing.

4.12.

[verzoekers] verzoeken niet alleen om afschriften van het bewindsdossier, maar ook om afschriften van alle (andere) dossiers in alle zaken die de rechtbank Amsterdam met betrekking tot [verzoekers] heeft behandeld. De rechtbank begrijpt dit verzoek aldus dat afschrift wordt verzocht van procesdossiers in rechtszaken waarin [verzoeker] en/of [verzoekster] als procespartij betrokken waren. Dit verzoek komt niet voor toewijzing in aanmerking. De procespartijen in een gerechtelijke procedure beschikken zelf over een procesdossier met daarin de processtukken en afschriften van brieven in de betreffende zaak. Op inzage in zich eventueel in die dossiers bevindende interne stukken en juridische analyses bestaat – zoals hiervoor is overwogen – geen recht (zie rov. 4.10).

4.13.

De conclusie van het vorenstaande is dat het verzoek van [verzoekers] onder a. tot het verstrekken van kopieën van dossiers zal worden afgewezen.

Correspondentie en overige stukken

4.14.

Wat betreft door de rechtbank Amsterdam verwerkte persoonsgegevens van [verzoeker] en [verzoekster] buiten de hiervoor genoemde zaaksdossiers overweegt de rechtbank het volgende. Uit de nadere concretisering in het aanvullende verzoekschrift begrijpt de rechtbank dat het [verzoekers] gaat om notities en correspondentie van de rechtbank Amsterdam met de landsadvocaat, de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, het gerechtshof Amsterdam, de rechtbank Den Haag, het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag en de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank stelt voorop dat op inzage van persoonsgegevens in notities en correspondentie slechts een recht bestaat als deze gegevens geautomatiseerd zijn verwerkt of zijn opgenomen in een bestand. Als dat al het geval is, geldt dat interne stukken zoals notities, brieven en e-mails die de persoonlijke gedachten van rechtspraakmedewerkers bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad niet vallen onder het inzagerecht. Aannemelijk is dat dit voor het grootste deel van de door [verzoekers] bedoelde stukken en correspondentie geldt.

4.15.

De in het aanvullende verzoekschrift onder V. genoemde correspondentie met de landsadvocaat – zo begrijpt de rechtbank althans – ziet op correspondentie in het kader van een door [verzoekers] tegen de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte rechtszaak waarin de landsadvocaat optrad als advocaat van de rechtbank. Deze correspondentie valt onder de vertrouwelijke relatie tussen een advocaat en diens cliënt (de rechtbank) en valt ook daarom buiten de reikwijdte van het inzagerecht. Deze correspondentie hoeft dus ook niet te worden genoemd in het overzicht dat door de rechtbank is verstrekt.

4.16.

Voor zover de overige stukken en correspondentie geen persoonlijke gedachten of vertrouwelijke correspondentie met de advocaat betreffen, hebben [verzoekers] in beginsel recht op inzage van hun persoonsgegevens die in die stukken en correspondentie voorkomen. Zij hebben echter geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat kopieën van die overige stukken en correspondentie moeten worden verstrekt en niet kan worden volstaan met het verstrekken van een volledig en begrijpelijk overzicht van de daarin voorkomende persoonsgegevens. Nu [verzoekers] geen recht hebben op kopieën zal hun verzoek om volledige afschriften van overige stukken en correspondentie worden afgewezen. Aangezien mr. Singh ter zitting desgevraagd expliciet heeft aangegeven dat het [verzoekers] uitsluitend om kopieën van de documenten gaat en niet om een nieuw (aanvullend) overzicht van de verwerking van hun persoonsgegevens zal de rechtbank de Staat ook niet bevelen om een aangepast overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verstrekken.

4.17.

Gelet op de grote hoeveelheid gegevens die de rechtbank Amsterdam verwerkt mag van [verzoekers] worden verwacht dat zij preciseren op welke informatie of welke verwerkingsactiviteit het verzoek betrekking heeft. Dat hebben zij gedaan in het aanvullende verzoekschrift onder I tot en met IX. Voor zover hun verzoek zich ook richt op andere dan de daarin genoemde gegevens hebben [verzoekers] dat onvoldoende duidelijk gemaakt.

4.18.

De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen is dat [verzoekers] geen recht hebben op afschriften van de door hen verzochte documenten. Het verzoek onder a. om de Staat te bevelen volledige afschriften van de verwerkingen van persoonsgegevens te verstrekken zal dan ook worden afgewezen.

Verstrekken informatie over persoonsgegevens

4.19.

[verzoekers] verzoeken onder a. behalve verstrekking van kopieën van documenten een volledige omschrijving van het doel of doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers of categorieën van ontvangers en informatie over de herkomst van de gegevens kenbaar te maken. Op grond van artikel 15 lid 1 AVG hebben [verzoekers] in beginsel recht op deze informatie, maar niet voor zover het persoonsgegevens betreft die voorkomen in documenten waarvan hierboven is geoordeeld dat die in het geheel niet vallen onder het inzagerecht, zoals interne notities en juridische analyses, als ook zaaksdossiers die al in het bezit zijn van [verzoekers] (of althans hun advocaat) en stukken die verband houden met de door de kantonrechter in de bewindsdossiers gemaakte afweging als overwogen in rov. 4.11. Dit bevel geldt evenmin voor gegevens van [verzoeker] in zijn hoedanigheid in het strafrechtelijk proces als verdachte of veroordeelde, omdat [verzoeker] heeft aangegeven dat zijn AVG verzoek niet op deze informatie zag en hij geen prijs stelde op deze informatie. Niet gesteld of gebleken is dat er buiten de hiervoor genoemde uitzonderingen persoonsgegevens door de rechtbank Amsterdam worden verwerkt waarover op grond van artikel 15 lid 1 AVG nadere informatie zou moeten worden verstrekt. Het onder a. gedane verzoek de in artikel 15 lid 1 AVG bedoelde informatie te verstrekken zal daarom worden afgewezen.

4.20.

Onder b. verzoeken [verzoekers] om de Staat te bevelen mee te delen of en zo ja aan welke derden hun persoonsgegevens zijn verstrekt. Hiermee wordt om informatie verzocht over de ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt. Dit verzoek is onder a. ook al gedaan en afgewezen. Met dezelfde afwijzingsgronden dient het onder b. verzochte te worden afgewezen. Nu zowel het verzochte onder a. als onder b. zal worden afgewezen, ligt tevens de onder d. verzochte dwangsom voor afwijzing gereed.

Herstel onrechtmatig verstrekte persoonsgegevens

4.21.

Onder c. verzoeken [verzoekers] herstel van onrechtmatig verstrekte persoonsgegevens volgens artikel 10 AVG en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en betaling van een schadevergoeding van € 10.000,-. [verzoekers] leggen het volgende aan dit verzoek ten grondslag. In reactie op de e-mail van [verzoeker] van 25 mei 2018 waarin hij – kort gezegd – verzoekt om inzage in zijn persoonsgegevens en om die van [verzoekster] heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam bij brief van 23 juli 2018 een overzicht verstrekt van zowel de persoonsgegevens van [verzoeker] als die van [verzoekster] . In dat overzicht zijn onder meer strafrechtelijke gegevens opgenomen met betrekking tot [verzoeker] . Door niet twee aparte overzichten te verstrekken (één aan [verzoeker] en één aan [verzoekster] ), maar een gecombineerd overzicht, zijn strafrechtelijke gegevens van [verzoeker] die vallen onder artikel 10 AVG ook verstrekt aan [verzoekster] en dat is onrechtmatig, aldus [verzoekers] Daarbij was het verzoek om informatie niet gericht op strafrechtelijke informatie.

4.22.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. [verzoeker] heeft het gecombineerde verzoek om inzage zowel namens zichzelf gedaan als namens [verzoekster] . Daarna heeft [verzoeker] zich in persoon ter identificatie bij de rechtbank gemeld en daarbij documentatie overgelegd waaruit blijkt dat hij ook bevoegd is om [verzoekster] te vertegenwoordigen. Vervolgens heeft de rechtbank de brief met daarin een overzicht van zowel de persoonsgegevens van [verzoekster] en van [verzoeker] geadresseerd aan [verzoeker] . De rechtbank heeft de (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [verzoeker] dus niet aan [verzoekster] in persoon gestuurd. Voor zover [verzoeker] de rechtbank verwijt dat hij in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [verzoekster] mede zijn eigen persoonsgegevens heeft ontvangen treft dat verwijt geen doel. De (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [verzoeker] zijn niet bij een andere persoon dan hemzelf terecht gekomen. Voor zover [verzoekster] de persoonsgegevens van [verzoeker] in heeft kunnen zien is dat aan [verzoeker] zelf te wijten, nu de brief enkel aan hem was geadresseerd. Gelet op het vorenstaande is van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens geen sprake en het verzoek tot herstel en betaling van schadevergoeding zal alleen daarom al worden afgewezen.

4.23.

[verzoekers] zijn in het ongelijk gesteld en daarom is er geen grond om de Staat in de proceskosten te veroordelen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Bellaart, mr. Th.S. Röell en mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019.1

1 Conc.: 977