Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4240

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
7689190
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Geen verwijtbaar handelen werknemer. Werkgever had het anders kunnen en wellicht moeten doen en treft in zoverre een verwijt. Geen ernstig verwijtbaar handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7689190 \ AO VERZ 19-40

Uitspraakdatum: 20 mei 2019

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Enza Zaden Beheer B.V.,

gevestigd te Enkhuizen

verzoekende partij

verder te noemen: Enza

gemachtigde: mr. N.M. Wolters

tegen

[verweerster] ,

wonende te Opperdoes

verwerende partij

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. A.J. Butter

1 Het procesverloop

1.1.

Enza heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 25 april 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Enza bij brief van 19 april 2019 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren [geboortedatum] 1976, is op 1 juli 1997 in dienst getreden bij Enza, een internationaal groenteveredelingsbedrijf. De laatste functie die [verweerster] bij Enza vervulde is die van Sales Support Assistant met een salaris van € 1.407,70 bruto bij een arbeidsomvang van 16 uur per week.

2.2.

Bij [verweerster] is sprake van een manisch-depressieve stoornis, waarvoor zij al langere tijd dagelijks medicatie gebruikt. Tijdens een weekend weg is [verweerster] gedurende twee dagen vergeten om haar medicatie in te nemen.

2.3.

Een week later, op 28 mei 2018, is [verweerster] op haar werk in een psychose geraakt en heeft zij zich onder invloed daarvan op de werkvloer gedurende een aantal uren zeer boos, onvoorspelbaar en agressief gedragen. [verweerster] heeft onder andere een ravage achtergelaten in de wc, kasten overhoop gehaald, als een bezetene spullen in een container gegooid, waaronder een grote pallet van 25 kilo, vrijwel onophoudelijk geschreeuwd, gescholden, gedreigd en wartaal uitgeslagen. [verweerster] heeft een collega (haar voormalig leidinggevende) met haar vuist in zijn gezicht geslagen en een metalen papiercontainer naar hem gegooid. Ook heeft [verweerster] geschreeuwd, gespuugd, geslagen en geschopt naar haar echtgenoot. De ingeschakelde hulpdiensten moesten op afstand blijven en konden niet dichterbij [verweerster] komen. Meerdere collega’s zijn getuige geweest van het gedrag van [verweerster] . Ook hebben verschillende medewerkers van Enza de werkplek op handen en knieën moeten verlaten.

2.4.

Na enkele uren is [verweerster] gekalmeerd, waarna de politie haar met een politieauto naar huis heeft gebracht. Omdat het diezelfde middag en avond opnieuw mis is gegaan, is [verweerster] dezelfde avond nog opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo, waar zij enkele weken heeft verbleven en is behandeld.

2.5.

Enza heeft 28 mei 2018 en de dagen erna besteed aan het verlenen van (professionele) nazorg aan haar medewerkers.

2.6.

Op 30 mei 2018 heeft de echtgenoot van [verweerster] bij Enza aan medewerkers de situatie van [verweerster] toegelicht. Kort na haar ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis heeft [verweerster] Enza te kennen gegeven langs te willen komen op het werk, maar na overleg met de bedrijfsarts heeft Enza dat geweigerd.

2.7.

De bedrijfsarts heeft [verweerster] op 13 juni, 18 juni en 4 juli 2018 telefonisch gesproken. In het verslag van 16 juli 2018 heeft de bedrijfsarts opgenomen dat [verweerster] is uitgevallen met forse beperkingen wegens een medisch ziektebeeld, waarvoor [verweerster] intensieve behandeling heeft gehad. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat [verweerster] op dat moment, gezien haar beperkingen, geen reële re-integratiemogelijkheden had.

2.8.

In het verslag van 21 augustus 2018 heeft de bedrijfsarts opgenomen dat er in de tussentijd een verdere verbetering is opgetreden met betrekking tot de medische situatie en dat [verweerster] momenteel adequate behandelingen heeft. Zij heeft [verweerster] medisch belastbaar geacht voor het verrichten van aangepaste werkzaamheden gedurende 2x2 uur per week en heeft Enza en [verweerster] geadviseerd zo spoedig mogelijk met elkaar een gesprek aan te gaan om de situatie te bespreken. Volledig herstel kan maanden gaan duren, aldus de bedrijfsarts.

2.9.

Op 10 september 2018 heeft vervolgens een persoonlijk gesprek tussen partijen plaatsgevonden. In dat gesprek heeft Enza aan [verweerster] aangegeven dat zij door alle gebeurtenissen op 28 mei 2018 geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking in de toekomst. Enza heeft daarbij aangegeven in overleg te willen treden om tot afspraken te komen ter beëindiging van het dienstverband van [verweerster] , waarbij twee mogelijkheden zijn gegeven: beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst of een extern re-integratietraject (re-integratie in het tweede spoor). [verweerster] heeft juridische bijstand ingeschakeld en heeft op 3 oktober 2018 een tegenvoorstel gedaan. Dit voorstel is niet geaccepteerd. Partijen zijn vervolgens in discussie geraakt, waarbij [verweerster] heeft laten weten dat zij niet wenst in te stemmen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.10.

In het verslag van 9 november 2018 heeft de bedrijfsarts vermeld dat blijkens informatie van de behandelaar van [verweerster] haar medische situatie goed gestabiliseerd is en dat [verweerster] met ingang van 12 november 2018 volledig hersteld kan worden gemeld, in de zin dat er geen sprake meer is van ziekte en/of gebrek. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat er nog steeds sprake is van een arbeidsconflict en ter voorkoming van terugval dringend geadviseerd dat [verweerster] niet gaat werken op de huidige werkplek bij de huidige werkgever. Partijen dienen volgens de bedrijfsarts het arbeidsconflict zo spoedig mogelijk op te lossen, zo nodig met inzet van een externe register mediator.

2.11.

Op verzoek van [verweerster] heeft het UWV op 14 november 2018 een deskundigenoordeel uitgebracht en geconcludeerd dat het eigen werk van [verweerster] passend is. De conclusie van de arbeidsdeskundige is: “Bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen sprake meer is van ziekte en of gebrek, derhalve is de werknemer volledig hersteld en in principe in staat om het eigen werk weer volledig uit te voeren, eigen werk is dus passend. Echter vanwege een vermeend arbeidsconflict tussen werknemer en werkgever dient dit in eerste instantie te worden opgelost alvorens de werknemer het eigen werk kan uitvoeren.”.

2.12.

Bij e-mail van 21 november 2018 heeft de behandelaar van [verweerster] van de GGZ haar als volgt bericht:

“(…)
Zoals eerder ook al aangegeven, o.a. bij bedrijfsarts, ben ik bereid eea uit te leggen aan jouw leidinggevende en/of collegae over de symptomen en het ziekteverloop van een bipolaire stoornis.
Wellicht zouden we dit ook samen kunnen doen aangezien jij nu weer helemaal stabiel bent en de stoornis “in volledige remissie” is zoals wij dat noemen.
(…)”

[verweerster] heeft deze e-mail doorgestuurd naar Enza.

2.13.

Enza heeft op 7 december 2018 op verzoek van [verweerster] uiteengezet wat er precies is voorgevallen op 28 mei 2018.

2.14.

[verweerster] heeft op 11 december 2018 een conceptdagvaarding wedertewerkstelling naar Enza gestuurd en daarbij verzocht open kaart te spelen over de gebeurtenissen op 28 mei 2018 en de verklaringen van collega’s waarop Enza zich beroept over te leggen.

2.15.

Enza heeft op 21 december 2018 vijf verklaringen van medewerkers naar [verweerster] verzonden.

2.16.

In januari 2019 heeft [verweerster] een terugval gehad en is zij gedurende enkele weken opnieuw opgenomen geweest in het psychiatrisch ziekenhuis vanwege een manisch psychotische decompensatie. [verweerster] is per 1 februari 2019 hersteld gemeld. De GGZ heeft op 19 februari 2019 is verklaard dat uit bloedonderzoek is gebleken dat de medicatiespiegel van [verweerster] goed was, zodat de decompensatie niet aan het stoppen met de medicatie kan worden toegeschreven. De GGZ heeft verklaard dat het aannemelijk is dat de stress rond het werk van [verweerster] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de decompensatie. Ook de huisarts van [verweerster] heeft verklaard dat [verweerster] haar medicatie trouw slikt, maar dat zij door de stressvolle situatie en spanningen rondom haar werk weer uit balans is geraakt.

2.17.

[verweerster] is een kortgedingprocedure gestart tot wedertewerkstelling, waarin onder procedurenummer 7640134/ KG EXPL 19-47 gelijktijdig uitspraak wordt gedaan.

3 Het verzoek

3.1.

Enza verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en lid 3, onderdeel e (verwijtbaar handelen), en te bepalen dat [verweerster] geen recht heeft op een transitievergoeding en/of een andere (billijke) vergoeding en geen rekening te houden met de opzegtermijn. Subsidiair verzoekt Enza de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3, onderdeel g (verstoorde arbeidsverhouding), van het BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Enza ten grondslag dat primair sprake is van - kort gezegd - verwijtbaar handelen en/of nalaten van de werknemer en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding. Ter onderbouwing daarvan heeft Enza het volgende naar voren gebracht. De gebeurtenissen op 28 mei 2018 vallen [verweerster] aan te rekenen, nu zij willens en wetens haar medicatie twee dagen niet heeft ingenomen. Zij voelde zich niet goed en wist dat zij het risico liep een psychose te krijgen, omdat haar dat al eens eerder thuis was overkomen. Dit heeft [verweerster] zo met haar echtgenoot besproken. Desondanks is [verweerster] naar haar werk gegaan, in plaats van contact te zoeken met een arts. Op de werkvloer is het vervolgens helemaal mis gegaan. Medewerkers van Enza hebben gevaar gelopen en zijn door het voorval getraumatiseerd geraakt, hadden slapeloze nachten en hadden (professionele) nazorg nodig. Enza heeft geen vertrouwen meer in een samenwerking met [verweerster] . Hiervoor is geen draagvlak, mede omdat haar medewerkers vrezen voor haar terugkeer en niet meer met [verweerster] willen en kunnen samenwerken. Enza vindt bovendien het recidivegevaar te groot en is als werkgever gehouden om haar medewerkers te behoeden voor dit soort voorvallen. Terugkeer op de werkvloer is dus niet mogelijk. De vele pogingen van Enza om in onderling overleg met [verweerster] tot overeenstemming te komen zijn gestrand. [verweerster] heeft herhaaldelijk mediation geweigerd en is niet meer arbeidsongeschikt. Er is geen anderen passende functie bij Enza beschikbaar voor [verweerster] .

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en concludeert tot afwijzing van de verzochte ontbinding, doorbetaling van loon en toelating tot de werkzaamheden. Zij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Uitgangspunt van Enza is dat terugkeer van [verweerster] op de werkvloer niet mogelijk is. Daar is [verweerster] het niet mee eens. Omdat mediation alleen gericht zou zijn op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, heeft [verweerster] daaraan niet meegewerkt. [verweerster] wil graag haar werk behouden. [verweerster] slikt sinds 2007 medicijnen tegen manische depressiviteit. Eenmaal eerder heeft [verweerster] een psychose gehad, omdat de medicatie die zij op dat moment tegen de bij haar vastgestelde kanker slikte de werking van haar medicijn beïnvloedde. Er was toen geen opname nodig. [verweerster] betwist dat zij willens en wetens haar medicatie niet heeft ingenomen. Daarbij kan het vergeten van medicatie het gevolg zijn van het ziektebeeld van [verweerster] . Zij was zich er niet van bewust dat zij in een psychose verkeerde of een gevaar kon vormen voor haar collega’s. Als zij dat had geweten, dan was zij niet naar haar werk gegaan. Er was geen sprake van een duidelijk zichtbare aanloop. Alleen achteraf bezien waren er signalen zichtbaar in de vorm van kortstondig afwijkend gedrag. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is dan ook geen sprake. [verweerster] heeft op 21 juni 2018 aan Enza gevraagd om een gesprek. Ook heeft [verweerster] aan Enza laten weten dat GGZ haar terugkeer wil ondersteunen door middel van gesprekken met de leidinggevende en collega’s. Hiervan wilde Enza geen gebruik maken. Wel wijst Enza op recidivegevaar en beroept zij zich daarbij op algemene informatie over psychoses. Ter voorkoming van recidive heeft [verweerster] een signaleringsplan opgesteld en maakt zij gebruik van een pillendoosje met vakjes voor elke dag van de week. [verweerster] is niet in de gelegenheid gesteld om deze maatregelen met de bedrijfsarts te bespreken. [verweerster] heeft een positieve houding en wil deze inzetten om de arbeidsverhouding en de samenwerking met collega’s te behouden. Zij heeft ook een groot belang bij behoud van haar dienstbetrekking, gezien haar recente historie van kanker en psychose.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] bij wijze van tegenverzoek om inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, toekenning van een transitievergoeding en toekenning van een billijke vergoeding van € 250.000,00. Enza heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerster] een transitievergoeding en een billijke vergoeding moeten worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 van het BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 van het BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

Enza voert primair aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerster] . De kantonrechter volgt Enza hierin niet. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Enza in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, van het BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.4.

Vaststaat dat de gebeurtenissen op 28 mei 2018 hebben plaatsgevonden onder invloed van een psychose. De oorzaak daarvan is hoogstwaarschijnlijk gelegen in het feit dat [verweerster] gedurende twee dagen haar medicatie niet heeft ingenomen en vervolgens, ter compensatie, een paar dagen een hogere dosering heeft ingenomen. Daarvan kan [verweerster] echter naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijt worden gemaakt. [verweerster] heeft toegelicht dat zij een weekend weg was met de caravan en daardoor al uit haar dagelijkse ritme was. Verder heeft zij toegelicht dat zij mogelijk haar medicatie is vergeten in te nemen, omdat zij op dat moment al ‘hoger gestemd’ was geraakt, met andere woorden: zij was al min of meer manisch. Niet uitgesloten kan dus worden dat het niet innemen van de medicatie verband houdt met het ziektebeeld van [verweerster] . Enza heeft hier onvoldoende tegenover gesteld, althans Enza heeft haar stelling dat [verweerster] willens en wetens haar medicatie niet heeft ingenomen onvoldoende onderbouwd. Ook volgt de kantonrechter Enza, gelet op het voorgaande alsmede het navolgende, niet in haar stelling dat [verweerster] de psychose moet hebben zien aankomen, desondanks naar werk ging en aldus haar collega’s willens en wetens in gevaar heeft gebracht. [verweerster] heeft verklaard dat de medicijnen die zij slikte geen antipsychotica waren, maar medicijnen in verband met haar bipolaire stoornis (manisch-depressiviteit), zodat zij er niet op bedacht was dat het niet innemen van medicijnen kon leiden tot een psychose. Verder heeft [verweerster] ter zitting - op naar oordeel van de kantonrechter overtuigende wijze - verklaard dat zij natuurlijk niet naar haar werk zou zijn gegaan, indien zij had beseft dat zij in een psychose verkeerde. Zij zou zichzelf en haar collega’s nooit in deze situatie willen hebben brengen. De kantonrechter ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Ook had volgens [verweerster] haar echtgenoot haar tegengehouden, indien hij zich had gerealiseerd dat [verweerster] psychotisch was. Slechts achteraf bezien heeft haar echtgenoot kortstondig afwijkend gedrag bij [verweerster] opgemerkt. De kantonrechter constateert dat de door Enza overgelegde brochure over een psychose het voorgaande ondersteunt. Daarin staat onder meer dat mensen die een psychose doormaken vaak niet beseffen dat ze ziek zijn. Ook [verweerster] zelf heeft verklaard dat zij van zichzelf niet weet dat zij in een psychose aan het raken is. De conclusie is dat [verweerster] geen verwijt kan worden gemaakt van de gebeurtenissen op 28 mei 2018, zodat er geen grond is voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, van het BW.

5.5.

Subsidiair voert Enza aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding. Voor een ontbinding op deze grond is nodig dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord en dat herstel van die relatie niet meer mogelijk is. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Enza in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, van het BW.

5.6.

De kantonrechter stelt voorop dat het handelen van [verweerster] op 28 mei 2018 haar niet kan worden verweten, zoals hiervoor ook al is overwogen. Ook ziet de kantonrechter dat [verweerster] een groot belang heeft bij voortzetting van haar dienstverband, mede gezien haar verleden, en heeft de kantonrechter begrip voor haar wens om terug te keren op haar oude werkplek. Dat neemt evenwel niet weg dat er, gelet op wat Enza daarover heeft gesteld, niet anders kan worden geoordeeld dan dat er in dit geval sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding. Met name kan de kantonrechter er niet aan voorbij gaan dat negen (directe) collega’s van [verweerster] in eigen woorden en uitgebreid hebben verklaard dat en waarom zij niet meer met [verweerster] kunnen, willen of durven samenwerken. Uit deze verklaringen maakt de kantonrechter op dat het voorval op 28 mei 2018 langdurig en voor de collega’s angstaanjagend was en een diepe indruk heeft gemaakt op de medewerkers van Enza. Wat deze verklaringen bijzonder van belang maakt is dat uit de verklaringen blijkt dat de betrokken medewerkers, die het soms ook moeilijk vinden om een verklaring op te stellen en aangeven de situatie lastig te vinden, begaan zijn met en geven om het welzijn van [verweerster] . Zij geven aan het voor [verweerster] persoonlijk heel erg te vinden en te hopen dat zij goed herstelt. Tegelijkertijd geven deze medewerkers zonder uitzondering aan dat zij geen samenwerking meer met [verweerster] willen, kunnen of durven aangaan. Daarvoor is het vertrouwen weg, ook vanwege de angst voor een terugval. De medewerkers zouden altijd op hun hoede zijn, omdat geen garantie kan worden gegeven dat het niet nog een keer gebeurt. De kantonrechter stelt vast dat [verweerster] eerder en ook nadien een psychose heeft gehad, zodat deze angst van de medewerkers van Enza niet ondenkbaar is. Dit biedt voor de medewerkers van Enza geen werkbare situatie. Enza heeft dan ook voldoende onderbouwd dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Dat herstel nog mogelijk is, bijvoorbeeld door de inzet van teammediation en begeleiding door de GGZ, zoals van de zijde van [verweerster] bepleit, acht de kantonrechter, gelet op de aard en inhoud van de overgelegde verklaringen alsmede het tijdsverloop sinds het voorval op 28 mei 2018, onvoldoende aannemelijk geworden.

5.7.

De kantonrechter concludeert op grond van het bovenstaande dat er sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Enza in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat hiervan geen verwijt kan worden gemaakt aan [verweerster] , maakt dat niet anders. Voor toepassing van deze ontbindingsgrond is immers niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. Ook staat de omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt op zichzelf niet aan ontbinding op deze grond in de weg. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren kan de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn (HR 16-02-2018, ECLI:NL:HR:2018:220).

5.8.

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. Daarbij is van belang dat Enza geen andere vestiging heeft waar [verweerster] zou kunnen worden geplaatst en namens [verweerster] bovendien geen beroep gedaan is op herplaatsing. Zij wenst terug te keren op haar oude werkplek.

5.9.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Enza zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2019. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. Tussen partijen staat dit ook niet ter discussie.

5.10.

Vervolgens ziet de kantonrechter zich gesteld voor de vraag of aan [verweerster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarvoor ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, van het BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.11.

Kantelpunt in de verhouding tussen partijen is het gesprek op 10 september 2018 geweest. Tot die tijd was [verweerster] alleen bezig met behandeling en herstel en niet met werkhervatting. Het gesprek op 10 september 2018 was het eerste persoonlijk contact tussen partijen na het voorval op 28 mei 2018 en vond plaats mede naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 21 augustus 2018. Tijdens dat gesprek bleek dat Enza - gelet op het belang van de veiligheid van de werknemers - terugkeer op de werkvloer niet meer mogelijk achtte en daarom heeft zij aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst of re-integratie in het tweede spoor. De kantonrechter is van oordeel dat Enza anders had kunnen en wellicht ook had moeten handelen. Het gesprek vond immers plaats relatief korte tijd nadat het voorval had plaatsgevonden. Op dat moment was [verweerster] nog niet volledig hersteld. Niet uit te sluiten valt dat in die periode nog (enig) herstel van de relatie met collega’s zou hebben kunnen plaatsvinden. Een gelegenheid voor [verweerster] om in gesprek te gaan met haar collega’s, zo nodig onder begeleiding van de GGZ, heeft Enza haar echter niet geboden, terwijl door middel van een dergelijk gesprek de medewerkers de impact van het voorval en hun zorgen hadden kunnen bespreken. Het is mogelijk dat de begeleider van de GGZ een deel van de zorgen had kunnen wegnemen. Het lag in beginsel op de weg van Enza als werkgever om het voortouw te nemen om de verstoorde verhoudingen trachten te normaliseren en verdere verstoring trachten te voorkomen. Een open gesprek met Enza had mogelijk hiertoe bijgedragen en mogelijkerwijs had het dan anders gelopen. Dit heeft Enza dan ook niet goed gedaan en in zoverre kan Enza een verwijt worden gemaakt. Het enkel kunnen maken van een verwijt, omdat er anders had kunnen worden gehandeld, maakt echter niet reeds dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door Enza. Voor het oordeel dat het handelen van Enza een ernstig verwijt oplevert bestaat in dit geval onvoldoende grond. De primaire zorg van Enza, zo is ook uit de toelichting ter zitting gebleken, lag bij het beperken en voorkomen van (verdere) onrust op de werkvloer en het verlenen van nazorg aan de betrokken medewerkers. Enza had bovendien op het moment van het gesprek op 10 september 2018 reeds van de bedrijfsarts vernomen dat er een risico op terugval aanwezig was en van de GGZ begrepen dat er op dat punt geen garanties zijn. Vooral de zorg om de medewerkers heeft er voor Enza dan ook toe geleid om niet in te zetten op re-integratie in het eerste spoor, maar te kiezen voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op termijn dan wel re-integratie in het tweede spoor. Deze keuze acht de kantonrechter niet onbegrijpelijk. Enza is immers niet slechts verantwoordelijk voor de re-integratie van [verweerster] , maar dient ook zorg te dragen voor de veiligheid en het welzijn van de andere medewerkers van het bedrijf. Daarbij komt dat het niet een vaststaand gegeven is dat een gesprek had geleid tot een herstel van het vertrouwen en normalisatie van de arbeidsverhouding. Dat zou slechts een mogelijke uitkomst zijn geweest. Bovendien kon in de gegeven omstandigheden van Enza niet worden verwacht dat zij haar medewerkers tot een gesprek met [verweerster] en haar begeleider zou verplichten. Uit de verklaringen en de onderbouwing van Enza blijkt voldoende dat haar medewerkers niet bereid waren om dit gesprek te voeren, nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat [verweerster] zelf in die periode tot het voeren van een dergelijk (moeilijk) gesprek in staat was.

5.12.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft Enza geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.13.

[verweerster] kan van de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding geen verwijt worden gemaakt. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

het tegenverzoek

5.14.

Voor zover [verweerster] bij wijze van tegenverzoek heeft gevraagd om toekenning van een billijke vergoeding, behoeft dit verzoek niet te worden behandeld, omdat daarop al is beslist in de zaak van het verzoek.

5.15.

[verweerster] heeft een verzoek gedaan om Enza te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Volgens [verweerster] is Enza op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd van € 14.224,00 bruto, verhoogd met het tantième dat [verweerster] in de afgelopen drie jaar heeft ontvangen. Enza heeft onweersproken gesteld dat de gemiddelde tantième over de afgelopen drie jaar € 84,36 per maand is.

5.16.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien - kort gezegd - de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan en gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft [verweerster] aanspraak op een transitievergoeding, rekening houdend met de tantième, van
€ 15.011,36 bruto. Enza zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan.

5.17.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2019;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

het tegenverzoek

6.3.

veroordeelt Enza om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 15.011,36 bruto;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

het verzoek en het tegenverzoek

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter en op 20 mei 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter