Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4239

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
C/15/274284 / JU RK 18-925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visies van alle betrokken personen en instanties op opvoedperspectief van minderjarige lijnrecht tegenover elkaar. GI is van mening dat minderjarige niet bij ouders kan opgroeien: bijzondere curator adviseert directe terugplaatsing bij ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

zaakgegevens : C/15/274284 / JU RK 18-925

datum uitspraak: 26 april 2019

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Alkmaar,

betreffende de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] ,

[pleegouder] en

[pleegouder] ,

de grootouders moederszijde en de pleegouders van [minderjarige] ,

hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [plaats] .

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de (tussen)beschikkingen van 14 juni 2018 en 18 december 2018 en de daarin vermelde stukken;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 30 maart 2019;

  • -

    de reactie van de GI (met bijlagen), ingekomen op 23 en 25 april 2019;

  • -

    de brief namens de ouders, ingekomen op 25 april 2019;

  • -

    een brief namens de pleegouders (met bijlagen), ingekomen op 25 april 2019.

1.2

Op 26 april 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. J.J. Jorna,

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat mr. G.R. Dorhout-Tielken,

  • -

    [bijzondere curator] , bijzondere curator,

  • -

    [medewerkster GI] , bijgestaan door de gedragsdeskundige [gedragsdeskundige] , beiden namens de GI,

  • -

    [medewerkster ActieZorg] , werkzaam bij ActieZorg (op verzoek van de ouders als informant ter zitting verschenen);

  • -

    [medewerkster Parlan] , werkzaam bij Parlan (op verzoek van de GI als informant ter zitting verschenen).

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij (inleidend) verzoek van 17 mei 2018 heeft de GI voor [minderjarige] verzocht om een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, beide voor de duur van een jaar (tot 5 juli 2019).

2.2

Bij (tussen)beschikking van 14 juni 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 juli 2019 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2019. De beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van 5 januari 2019 tot 5 juli 2019 is aangehouden tot de zitting van 18 december 2018, om de GI nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, gelet op het ontbreken van een eenduidige visie hierover tussen de bij het gezin betrokken hulpverleningsinstanties.

2.3

Bij (tussen)beschikking van 18 december 2018 heeft de kinderrechter een bijzondere curator benoemd en haar verzocht om, aan de hand van een aantal vragen, een standpunt in te nemen over het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen. In afwachting van het verslag van de bijzondere curator en recente informatie van de GI, heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 5 mei 2019 en iedere verdere beslissing aangehouden tot de zitting van 26 april 2019.

2.4

Ter beoordeling ligt aan de kinderrechter thans in deze zaak uitsluitend nog voor het aangehouden verzoek van de GI om verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode van 5 mei 2019 tot 5 juli 2019.

De standpunten

2.5

De bijzondere curator heeft op 30 maart 2019 verslag gedaan van haar bevindingen. Zij komt – kort samengevat – tot de conclusie dat er geen gegronde bezwaren zijn om [minderjarige] terug naar huis te plaatsen en geen goede redenen om haar uithuisplaatsing (definitief) te laten voortduren. De zorgen die er zijn bij een thuisplaatsing, zijn eenvoudig te ondervangen. Voor de moeder is, vanwege haar autisme, opvoedondersteuning nodig om haar verder te laten groeien in haar rol als ouder en om [minderjarige] de mogelijkheid te bieden in vrijheid te spelen en (nieuwe) vriendschappen aan te gaan. De vader vormt hierin (volgens alle hulpverleners) een beschermende factor. De thuisplaatsing is volgens de bijzondere curator een authentieke wens van [minderjarige] . [minderjarige] lijkt daar (tegenover anderen) niet voor uit te durven komen omdat zij bang is dat hierdoor ruzie zal ontstaan. Deze wens komt – aldus de bijzondere curator – niet voort uit loyaliteit van [minderjarige] richting de ouders.

Het advies van de bijzondere curator is om:

  • -

    [minderjarige] per direct thuis te plaatsen (omdat de ondersteunende factoren beschikbaar zijn, zoals buitenschoolse opvang, GGZ en Actiezorg);

  • -

    de pleegouders weer de rol van grootouders terug te geven;

  • -

    een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de pleegouders van eenmaal in de veertien dagen van vrijdagavond tot zaterdagmiddag;

  • -

    de ondertoezichtstelling te laten vervallen (omdat er geen onveilige situatie is bij de ouders thuis en er voldoende professionals zijn om de ontwikkeling van [minderjarige] te monitoren).

2.6

De GI kan zich niet vinden in de conclusies van de bijzondere curator. De GI is – kort samengevat – van mening dat de bijzondere curator het onderzoek niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat zij haar conclusies onvoldoende deugdelijk heeft onderbouwd en gemotiveerd. De GI blijft van mening dat een terugplaatsing van [minderjarige] niet in haar belang is en – zeker als deze mislukt – ernstige schade zal toebrengen aan haar ontwikkeling. Volgens de GI is de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek, beperkte draagkracht en leerbaarheid, onvoldoende in staat om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Primair wordt verzocht om het verzoek om verlenging van de uithuisplaatsing toe te wijzen, subsidiair wordt verzocht het verzoek aan te houden om nader onderzoek te laten verrichten door het NIFP, waarvan een ouderschapsonderzoek deel uitmaakt. Het is in het belang van [minderjarige] , maar ook van de ouders en de pleegouders dat er snel duidelijkheid komt over de plek waar [minderjarige] zal opgroeien, zodat er rust komt in het systeem.

2.7

De ouders zijn het eens met het advies van de bijzondere curator. Ter zitting hebben zij – al dan niet bij monde van mr. Jorna – nader toegelicht dat het verslag van de bijzondere curator duidelijk heeft gemaakt dat er veel is misgegaan bij de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De GI heeft zich vooral gebaseerd op eenzijdige en met name negatieve informatie, zonder te luisteren naar de andere mening van de direct betrokken hulpverleners. De GI is van meet af aan voorbijgegaan aan het doel van de uithuisplaatsing, te weten een dusdanige veilige situatie creëren dat [minderjarige] weer thuisgeplaatst kan worden. Een nader onderzoek door een instantie als het NIFP is overbodig. Primair verzoeken de ouders de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beëindigen. Voor zover de kinderrechter van oordeel is dat de ondertoezichtstelling in stand dient te blijven, wordt verzocht in ieder geval de uithuisplaatsing te beëindigen.

2.8

De pleegouders kunnen zich niet vinden in het advies van de bijzondere curator. Zij verzoeken – bij monde van mr. Dorhout-Tielken – het advies van de bijzondere curator buiten beschouwing te laten omdat ernstig moet worden getwijfeld aan de neutraliteit, objectiviteit en onbevangenheid van de bijzondere curator. Voor zover het onderzoek wel wordt meegewogen, zijn de pleegouders van mening dat het belang van [minderjarige] niet is gediend bij een terugplaatsing omdat dit tot onnodige onrust, onzekerheid, angsten en spanningen bij haar kan leiden. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar leven, waaronder diverse overplaatsingen, waardoor een terugplaatsing niet meer verantwoord is. Er zijn (nog) teveel factoren die het slagen van een thuisplaatsing onzeker maken, waaronder de psychische toestand van de moeder (autisme en niet behandelde PTSS), maar ook het sociale isolement van de ouders en hun relatieproblemen. De bijzondere curator is er volledig aan voorbijgegaan dat er ten tijde van de uithuisplaatsing sprake was van een ernstig verwaarloosd en beschadigd kind. De grootste angst van de pleegouders is dat het opnieuw fout zal lopen bij de ouders, met alle schadelijke gevolgen voor [minderjarige] van dien. Voor zover een thuisplaatsing wordt overwogen, zijn de pleegouders met de GI van mening dat allereerst een gedegen onderzoek dient plaats te vinden door een instantie als het NIFP.

2.9

Parlan heeft ter zitting toegelicht dat het ‘terug-naar-huis-onderzoek’, tot doel heeft om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over het woonperspectief van een kind. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van een landelijk gehanteerde en gevalideerde methodiek. Op grond van dit onderzoek is voor [minderjarige] geconcludeerd dat haar woonperspectief niet meer bij de ouders ligt, maar bij de pleegouders. Herhaling van dit onderzoek is onnodig en onwenselijk, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de opvoedsituatie bij de ouders onvoldoende toereikend is om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen, en er geen verwachting is dat dit binnen afzienbare termijn anders zal zijn.

De beoordeling door de kinderrechter

2.10

De GI, Parlan en de pleegouders hebben de wijze van gespreksvoering, de verslaglegging en de conclusievorming door de bijzondere curator fors bekritiseerd. Ook zijn opmerkingen gemaakt over de (on)afhankelijkheid en (on)vooringenomenheid van de bijzondere curator. De kinderrechter vindt dat de inhoud en wijze van totstandkoming van het rapport van de bijzondere curator door de genoemde kritiek niet in die mate wordt aangetast dat het rapport volledig buiten beschouwing moet worden gelaten. Wel zal de kinderrechter het rapport met behoedzaamheid gebruiken en de conclusies daaruit niet klakkeloos overnemen.

2.11

Het verzoek van de GI gaat over het verlengen van de uithuisplaatsing van [minderjarige] met twee maanden, maar de kinderrechter realiseert zich dat het in deze zaak uiteindelijk erom gaat of [minderjarige] bij haar pleegouders of bij haar ouders gaat opgroeien. De kinderrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van internationale verdragen en van de wetgever is dat kinderen bij hun ouders opgroeien. Ook is dit de diepe wens van de ouders, zoals zij op de zitting duidelijk en indringend naar voren hebben gebracht. Verder heeft [minderjarige] tegenover de bijzondere curator de wens geuit bij haar ouders te mogen opgroeien. Het is de kinderrechter daarnaast duidelijk geworden dat de ouders heel veel van [minderjarige] houden en dat zij de afgelopen jaren hard hebben gewerkt om hun leven op orde te krijgen en om een zo stabiel mogelijke basis voor [minderjarige] te creëren. Voor die inzet verdienen zij een groot compliment.

2.12

De bijzondere curator adviseert directe terugplaatsing bij de ouders. De zorgen die er zijn, zijn eenvoudig weg te nemen volgens de bijzondere curator. In haar rapport doet zij daarvoor de nodige suggesties. Tegelijkertijd bestaan er bij de GI, Parlan en de pleegouders grote zorgen over de vraag of de ouders de continue zorg voor [minderjarige] aan kunnen en of zij in staat zijn zich telkens aan te passen aan wat [minderjarige] op ieder moment in haar ontwikkeling nodig heeft. De kans dat het misgaat en dat [minderjarige] hierdoor fors beschadigd raakt, wordt door hen als reëel ingeschat. Tijdens het uitbreiden van de ‘omgang’ in de laatste maanden van 2018 heeft de GI zich na enkele maanden genoodzaakt gezien de uitbreiding weer grotendeels ongedaan te maken door signalen van de school en de pleegouders dat [minderjarige] hier niet goed op reageerde. De bijzondere curator heeft er weliswaar de vinger op gelegd dat de door school uitgevoerde observaties niet naar de regelen der kunst zijn uitgevoerd, maar dit betekent wat de kinderrechter betreft niet dat de GI op geen enkele wijze acht mocht slaan op signalen vanuit school en pleegouders dat [minderjarige] niet goed reageerde op de uitbreiding van de omgang. Die signalen waren er wel degelijk, zoals ook door de pleegouders op de zitting naar voren is gebracht, en dat baart zorgen.

2.13

De kinderrechter vindt, gelet op de zorgen en het afbreukrisico, een (acute) terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ouders niet in haar belang. Zowel voor haar als voor haar ouders zou een terugplaatsing van de ene op de andere dag naar de inschatting van de kinderrechter te belastend en te risicovol zijn. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat [minderjarige] al drie jaar niet meer bij haar ouders woont en dat zij op dit moment een veilige en vertrouwde basis heeft bij haar pleegouders, die bij een terugplaatsing (opnieuw) wordt weggenomen. Voor zover een terugplaatsing aan de orde is, dient deze zorgvuldig te worden voorbereid en dienen [minderjarige] , de ouders en de pleegouders de gelegenheid te krijgen daaraan te wennen. De kinderrechter is alles afwegende dus van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de uithuisplaatsing daarom verlengen voor de komende twee maanden. Dit betekent ook dat het verzoek van de ouders om (naast de uithuisplaatsing) de ondertoezichtstelling te beëindigen, wordt afgewezen. Gezien de korte periode van de verlenging ziet de kinderrechter geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om een NIFP-onderzoek te laten uitvoeren.

2.14

De kinderrechter overweegt verder nog het volgende. Op de zitting is met elkaar geconstateerd dat helaas geen sprake meer is van een werkbare relatie tussen de ouders en de huidige jeugd- en gezinsbeschermer, alle goede intenties ten spijt. Het ziet er dus naar uit dat er een nieuwe jeugd- en gezinsbeschermer zal moeten komen. In het verlengde daarvan is op de zitting afgesproken dat de GI en Parlan tijdens de komende periode van twee maanden met een frisse blik, door collega’s die op afstand van de zaak staan, zullen reflecteren op het opvoedperspectief van [minderjarige] . De kinderrechter verwacht bij een eventuele verlengingszitting tijdig geïnformeerd te worden over de uitkomst van deze interne heroverweging.

2.15

Ter informatie van betrokkenen wijst de kinderrechter erop dat indien de GI om een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zal verzoeken voor de periode ná 5 juli 2019, dit verzoek door de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld zal worden vanwege de grote belangen die voor [minderjarige] en de overige betrokkenen op het spel staan en vanwege het verschil van inzicht over het opvoedperspectief.

3 De beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 5 juli 2019;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- ontslaat [bijzondere curator] van haar taak als bijzondere curator.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, kinderrechter, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbeij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2019.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 mei 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam