Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4237

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
19.002160 en 19.002161
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

verzoekschrift 89 en 591a Sv - verhogen wegens immateriële schade afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2019/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummers: [rekestnummer]

Parketnummer: [parketnummer]

Uitspraakdatum: 24 mei 2019

Beschikking (art. 89 en 591a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 22 februari 2019 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. I.E. Leenhouwers, advocaat, ingediend verzoekschrift van

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

domicilie kiezende te (1016 AH), Amsterdam, Singel 362, ten kantore van

mr. I.E. Leenhouwers, voornoemd.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van

  • -

    € 1.315,-, ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten
    gevolge van ten onrechte ondergane verzekering voor de duur van drie (3) dagen met verhoging wegens de aard van de beschuldiging;

  • -

    € 6.419,66, wegens de kosten van een raadsvrouw voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;

  • -

    € 280,-, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld, d.d. 11 maart 2019, om te reageren op het verzoek, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft op 2 mei 2019, per e-mail, de raadsvrouw gevraagd of zij onderhavig verzoekschrift op een nader te bepalen zittingsdatum wil laten behandelen, waarbij wat de rechtbank betreft uitsluitend een nadere toelichting zal worden gevraagd op de verzochte extra vergoeding á € 1.000,-.

De raadsvrouw heeft op 17 mei 2019, per e-mail de rechtbank laten weten de voorkeur te hebben aan een beschikking buiten zitting om en geen aanvulling te hebben op wat in het verzoekschrift ter onderbouwing van de extra vergoeding is aangevoerd.

2 Beoordeling

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een brief van de officier van justitie van

4 december 2018 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd.

Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend.

Verzoeker is op 12 juni 2018 in verzekering gesteld en op 14 juni 2018 in vrijheid gesteld.

Op de voet van het bepaalde in de artikelen 89, 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door deze tengevolge van ondergane verzekering geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een advocaat, zo daartoe althans gronden van billijkheid aanwezig zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen.

De rechtbank acht in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding.

Namens verzoeker is naar voren gebracht dat, gelet op de aard van de beschuldiging (een zedendelict) en de positie van verzoeker (succesvol zakenman en zelfstandig ondernemer), hem een extra vergoeding van € 1.000,- toekomt en er sprake is van imagoschade.

De immateriële schade is niet alleen veroorzaakt door de beschuldiging op zichzelf en de aard ervan, maar ook door de aanhouding en het in voorlopige hechtenis nemen van verzoeker. Verzoeker maakte zich ernstig zorgen om de voortgang van zijn onderneming, had taken te vervullen die niet konden worden waargenomen (zoals het doen van betalingen) en was daarnaast ernstig bezorgd wat een - onware - beschuldiging van een zedendelict voor gevolg zou hebben voor de voortgang van zijn onderneming.

De rechtbank overweegt dat de gevolgen van de beschuldiging en de wijze van aanhouding niet in het kader van artikel 89 Sv voor vergoeding in aanmerking komen.

De LOVS-oriëntatiepunten gaan voor de hoogte van een uit te keren schadevergoeding uit van een forfaitair bedrag voor de geleden immateriële schade. In het onderhavige geval is onvoldoende aangevoerd om af te wijken van dat uitgangspunt.

Het verzoek zal dan ook worden ingewilligd op de wijze als hieronder is aangegeven.

3 Beslissing

De rechtbank:

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 7.014,66 (zegge: zevenduizend veertien euro en zesenzestig cent), welk bedrag als volgt is samengesteld:

€ 315,- wegens een verblijf van 3 dagen op een politiebureau;

€ 6.419,66 wegens de kosten van een raadsvrouw voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;

€ 280,- wegens de kosten van een raadsvrouw voor de opstelling en indiening van het verzoekschrift.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoekers advocaat, bankrekeningnummer [bankrekeninggegevens] , onder vermelding van [verzoeker] /schadevergoeding.”

4 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van M. Dambrink, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.

Informatie bij deze beschikking

Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.

U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep:

  • -

    (als verzoeker) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank;

  • -

    (als advocaat) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank, indien u verklaart daartoe door verzoeker te zijn gevolmachtigd;

  • -

    (in het geval dat noch verzoeker noch de advocaat in de gelegenheid is om in persoon bij de informatiebalie afstand te doen) door aan een medewerker van de strafgriffie daartoe een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen.