Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:4044

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
7121812 CV EXPL 18-5226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Strook gemeentegrond door bevrijdende verjaring in eigendom verkregen door bezitter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/346
Prg. 2019/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 7121812 \ CV EXPL 18-5226 BL

Uitspraakdatum: 1 mei 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Heerhugowaard

zetelende te Heerhugowaard

eiseres

verder te noemen: de Gemeente

gemachtigde: mr. J.E. Boudewijn-van Berkel

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: mr. F. Meeusen

1 Het procesverloop

1.1.

De Gemeente heeft bij dagvaarding van 27 juli 2018 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] hebben schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 24 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de Gemeente bij brief van 10 januari 2019 nog stukken toegezonden.

1.3.

Na de zitting heeft de Gemeente bij akte aanvullende stukken overgelegd. Daarop hebben [gedaagden] gereageerd bij antwoordakte, tevens houdende een wijziging van de tegenvordering, met aanvullende stukken.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] zijn sinds 15 april 1999 eigenaar van een perceel grond gelegen aan het adres [adres], kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, [kadastrale gegevens 1] Op dit perceel staat de door [gedaagden] bewoonde woning.

2.2.

Aan de achtertuin van de woning van [gedaagden] grenst een perceel grond, kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, [kadastrale gegevens 2], waarvan de Gemeente bij het Kadaster als eigenaar geregistreerd staat.

2.3.

In een brief van 13 september 2016 schrijft de Gemeente het volgende aan [gedaagden]:
“Op veel plekken in Heerhugowaard hebben bewoners gemeentegrond ingericht voor privédoeleinden, bijvoorbeeld als tuin. Nu is het de gemeente bekend dat het gebruik van gemeentegrond voor privédoeleinden niet op alle plekken goed is geregeld. Soms komt dat omdat de bewoner en de gemeente zich niet bewust zijn geweest van het feit dat de bewoner (of een vorige bewoner) een stukje gemeentegrond als tuin heeft ingericht.

Vanwege de geplande aanleg van een warmteleiding van HVC in de Rivierenwijk hebben wij bekeken op welke plekken stroken gemeentegrond voor privédoeleinden worden gebruikt.

Wij vermoeden dat achter uw perceel een strook gemeentegrond is ingericht voor privédoeleinden. Wij hebben geen overeenkomst aangetroffen in onze administratie voor deze grondstrook. Het gaat om een grondstrook van circa 10 m2. In de bijlage vindt u een tekening van de situatie. Gedoeld wordt op de rood gekleurde strook, welke zich achter uw perceel bevindt.

Wij willen u vragen de genoemde grondstrook te ontruimen en leeg op te leveren tot aan uw erfgrens. Acht weken na dagtekening van deze brief zullen we contoleren of u aan ons verzoek heeft voldaan. Daarna vindt de aanleg van de warmteleiding plaats en zal de vrijgemaakte grondstrook opnieuw worden ingericht door de gemeente. (…)”

2.4.

[gedaagden] hebben niet aan dit verzoek van de Gemeente voldaan. Vervolgens schrijft de Gemeente op 20 december 2016 in een brief aan [gedaagden]:
“(…) Voor de aanleg van twee waterleidingen van de huisvuilcentrale in Alkmaar naar de stadsverwarming Heerhugowaard door HVC heeft de gemeente gezocht naar een tracé welke zo min mogelijk schade veroorzaakt aan de bomen in het park. Dit beoogde tracé ligt tegen de kadastrale grens aan van uw perceel en doorkruist de door u in gebruik genomen grond.
De HVC verwacht in februari 2017 de leidingen achter uw perceel te gaan leggen. Voor die tijd is onvoldoende tijd om eventueel noodzakelijke juridische processen geheel te doorlopen. Dit houdt in dat wij voor 9 januari 2017 moeten weten of u vrijwillig bereid bent de grond voor 31 januari 2017 te ontruimen en leeg op te leveren. (…)”

2.5.

[gedaagden] reageren hierop bij brief van 30 december 2016, waarin zij bezwaar maken tegen ontruiming en een beroep doen op verjaring.

2.6.

In een brief van 2 maart 2017 deelt de Gemeente aan [gedaagden] mede dat zij ervoor gekozen heeft het tracé voor de warmteleidingen niet aan te leggen op de beoogde locatie, zodat de in geschil zijnde grondstrook bij de aanleg wordt gevrijwaard. Verder schrijft de Gemeente:

“(…) Dit betekent echter niet dat wij het beroep op verjaring kunnen honoreren.

Ter onderbouwing van het beroep op verjaring stelt u dat de gemeente het gebruik van de grondstrook voor privédoeleinden meer dan 29 jaar heeft gedoogd en dat de gemeente meer dan 20 jaar geen actie heeft ondernomen tot ontruiming. Uw verklaring is in onze ogen onvoldoende specifiek en onderbouwd om aan te nemen dat u de grondstrook in bezit heeft genomen en dit bezit gedurende een periode van 10 of 20 jaar heeft volgehouden. (…)”

Om die reden herhaalt de Gemeente haar verzoek aan [gedaagden] om de grondstrook te ontruimen tot aan de kadastrale erfgrens, waarna de Gemeente de grondstrook opnieuw zal inrichten als (bos)plantsoen.

2.7.

Hiermee kunnen [gedaagden] zich niet verenigen. Hun gemachtigde stelt zich in een brief van 8 maart 2017 op het standpunt dat sprake is van niet-dubbelzinnig bezit te goeder trouw en dat de vordering van de Gemeente tot teruggave van de strook grond is verjaard. Daarbij schrijft de gemachtigde van [gedaagden]:


“(…) Aan de achterzijde van de woning aan de [adres] is een tuin gelegen. Reeds vanaf de oplevering van de woning in 1984 is de tuin op dezelfde wijze en in dezelfde omvang als thans in gebruik geweest. In 1991 is door de rechtsvoorganger van cliënt aan de achterzijde van de tuin een schuur geplaatst (zie bijlage). Deze schuur is thans nog steeds op diezelfde plek aanwezig. Het einde van de tuin is immer afgescheiden geweest door middel van een schutting en thans een kippenhok. Zowel de rechtsvoorganger van cliënt als cliënt zelf hebben de tuin in de huidige omvang gebruikt als ware zij eigenaar. De tuin is vanaf de achterzijde niet toegankelijk vanwege de aanwezigheid van een schuur, schutting en kippenhok. Cliënt weet ook niet beter dan dat de tuin, zoals die er thans bij ligt tot het kadastrale perceel gemeente Heerhugowaard, [kadastrale gegevens 1] behoort. Kennelijk stroken de feitelijke perceelsgrenzen niet met de kadastrale grenzen. (…)”

Als bijlage is bij deze brief gevoegd een nota, gedateerd 26 september 1991, voor levering van een schuur, gericht aan [naam 1], toenmalig eigenaar van de woning aan de [adres].

2.8.

In reactie hierop schrijft de Gemeente in een brief van 28 maart 2017 dat de verklaring van [gedaagden] onvoldoende specifiek en onderbouwd is om aan te nemen dat zij de grondstrook in bezit hebben genomen en dit bezit gedurende meer dan 20 jaar hebben volgehouden.

2.9.

Vervolgens hebben [gedaagden] nog aan de Gemeente voorgesteld een financiële regeling te treffen. De Gemeente heeft hierop afwijzend gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat bezwaren vanuit stedenbouwkundige en groenbeheervisie zich tegen verkoop van de grondstrook verzetten.

3 De vordering

3.1.

De Gemeente vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij eigenaar is van de grondstrook van circa 10 m2 behorend tot perceel [kadastrale gegevens 2] nabij [adres], zoals in het rood gearceerd aangegeven op de situatieschets gedateerd 30 januari 2018 die als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd (hierna: de grondstrook). Verder vordert de Gemeente hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot – samengevat – ontruiming van de grondstrook, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van de kosten van gedwongen ontruiming en een bedrag van € 192,00 voor buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en nakosten.

3.2.

De Gemeente legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. De Gemeente was en is eigenaar van de grondstrook, die onrechtmatig door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] in gebruik is genomen. Van inbezitneming en bezit van de grondstrook gedurende meer dan 20 jaar is geen sprake. De verklaringen van [gedaagden] op dit punt zijn onvoldoende specifiek en onderbouwd.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagden] betwisten de vordering en voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. De rechtsvoorganger van [gedaagden] heeft de grondstrook in 1982, althans 1984, in bezit genomen door in eerste instantie een schutting te plaatsen op de door de aannemer bij de bouw van de woning uitgezette grens. Met die schutting is de tuin omheind en afgescheiden van de achterliggende openbare ruimte. Feitelijk is de grondstrook daarmee bij de tuin getrokken en sindsdien niet meer toegankelijk voor derden. De rechtsvoorganger van [gedaagden] heeft zich vanaf dat moment gedragen als ware hij eigenaar van de grondstrook. In 1991 is de huidige schuur op de grondstrook geplaatst, waarbij dezelfde grens is aangehouden. [gedaagden] hebben later naast de schuur een kippenhok in hun tuin tegen de bestaande schutting geplaatst. Het bezit van de grondstrook is onafgebroken voortgezet door de opvolgend eigenaren van perceel [kadastrale gegevens 1], thans [gedaagden] Door verloop van 20 jaar is de vordering van de gemeente verjaard, waardoor [gedaagden] de eigendom van de grondstrook hebben verkregen.

4.2.

[gedaagden] vorderen bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij de grondstrook (primair) zoals in het rood gearceerd aangegeven op eerdergenoemde situatieschets gedateerd 30 januari 2018 door verjaring in eigendom hebben verkregen, met veroordeling van de Gemeente om – kort weergegeven – medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van de verjaring, op straffe van een dwangsom, en veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.

4.3.

De Gemeente betwist de tegenvordering gemotiveerd.

5 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

5.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag wie thans eigenaar is van de grondstrook. Tussen partijen is niet in geschil dat de grondstrook in 1984 in eigendom toebehoorde aan de Gemeente en dat dit in het Kadaster is vastgelegd. [gedaagden] stellen echter dat zij de grondstrook door bevrijdende verjaring in eigendom hebben verkregen.

5.3.

Artikel 3:105 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Deze rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaar (artikel 3:306 BW). Op grond van artikel 3:314 lid 2 BW vangt de verjaringstermijn van een rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende aan op de dag nadat de niet-rechthebbende bezitter is geworden. Uit artikel 3:107 lid 1 BW in verbinding met art. 3:108 BW volgt dat de vraag of iemand bezitter is moet worden beantwoord naar de verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels inzake het bezit en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en bestemming van het betrokken goed in aanmerking moet worden genomen. Hoewel in tegenstelling tot het oud BW de vereisten van ‘ondubbelzinnigheid’ en ‘openbaar’ niet meer expliciet worden gesteld, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat ook naar huidig recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen (HR 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309). ‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0826). In dit geval gaat aan het bezit van de niet-rechthebbende – die het bezit immers niet overgedragen heeft gekregen – inbezitneming vooraf. Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, zijn volgens artikel 3:113 lid 2 BW enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend. Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet wordt gedaan (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743).

5.4.

Vast staat dat de Gemeente bij brief van 13 september 2016 tegenover [gedaagden] aanspraak heeft gemaakt op de grondstrook. Voor een geslaagd beroep op verjaring is dus van belang dat vast komt te staan dat op of voor 13 september 1996 (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] de grondstrook ondubbelzinnig in bezit hebben genomen. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

5.5.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat hun rechtsvoorgangers de grondstrook ondubbelzinnig in bezit hebben genomen en dat de grondstrook vervolgens gedurende meer dan 20 jaar door de (opvolgende) bezitters is gebruikt alsof zij eigenaar waren. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [gedaagden] bij conclusie van antwoord foto’s en verklaringen overgelegd, onder meer van hun rechtsvoorgangers [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2]). [naam 2] verklaren: “Het houten schuurtje dat achter in de tuin staat bij [adres], stond al op die plek op het moment dat wij in 1993 in het huis kwamen.” [naam 2] hebben de woning gekocht van [naam 1], die onbetwist in september 1991 een schuurtje heeft gekocht. Bij hun verklaring hebben [naam 2] twee foto’s uit hun fotoalbum gevoegd, waarop het schuurtje en een daarop aansluitende schutting te zien zijn. Verder hebben [gedaagden] verklaringen overgelegd van de bewoners van Hunze 30, 32 en 34. Deze ondersteunen de stelling van [gedaagden] dat de huidige schuur destijds door Kroesen is geplaatst en nog steeds op dezelfde plek staat. Verder hebben partijen foto’s overgelegd van de huidige situatie.

5.6.

Uit genoemde stukken is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken dat de grondstrook één geheel vormt met de achtertuin van [gedaagden], die door een schuur met daarop aansluitende schutting ondoordringbaar is afgescheiden van de aangrenzende openbare ruimte, waarmee de grondstrook voor derden ontoegankelijk is gemaakt en op een voor derden kenbare wijze is afgesloten. De Gemeente voert daartegen slechts aan dat niet precies blijkt wanneer de schuur is geplaatst en dat ook de exacte locatie van de schuur met de verklaring ‘achter in de tuin’ onvoldoende specifiek is. De Gemeente heeft echter niet betwist dat de foto’s uit het album van [naam 2] zijn gemaakt in november 1993 respectievelijk mei 1994. Daarop is de schuur te zien die thans ook nog in de tuin van [gedaagden] staat. Niet is gesteld of gebleken dat de schuur, nadat deze door Kroesen is geplaats, verplaatst is. Verder heeft de Gemeente niet betwist dat [gedaagden] hun kippenhok tegen de reeds bestaande schutting hebben geplaatst. Daarmee heeft de Gemeente de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van [gedaagden] onvoldoende weerlegd, zodat als vaststaand wordt aangenomen dat bezien vanaf de openbare ruimte de huidige feitelijke situatie in elk geval sinds 1994 bestaat. Daarbij komt dat de Gemeente geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagden] zich bij dit gebruik van de grondstrook niet als eigenaars beschouwden, maar op andere gronden meenden dat zij de grondstrook van de Gemeente mochten gebruiken.

5.7.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter door [gedaagden] voldoende aangetoond dat sprake is geweest van ondubbelzinnig in bezit nemen van de grondstrook door de rechtsvoorgangers van [gedaagden], en van een doorlopend gebruik van de grondstrook als privétuin met de pretentie van eigendom, in elk geval vanaf mei 1994. Door het plaatsen van de schuur en de daarop aansluitende manshoge schutting is de grondstrook onmiskenbaar afgescheiden van het openbaar groen en bij de achtertuin van [adres] getrokken. Deze machtsuitoefening is dusdanig dat naar verkeersopvatting het bezit van de Gemeente als oorspronkelijk bezitter teniet is gegaan. Deze inbezitneming was immers openbaar en voor een ieder duidelijk zichtbaar vanaf de aangrenzende openbare ruimte, welke door de Gemeente is ingericht en regelmatig wordt onderhouden als grasplantsoen. Het feit dat de grondstrook door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] evident anders werd gebruikt (als afgesloten privétuin) dan de rest van perceel [kadastrale gegevens 2] door de Gemeente (onderhoud grasplantsoen), was voor de Gemeente kennelijk geen reden om in te grijpen. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat de Gemeente in de periode van mei 1994 tot 13 september 2016 op geen enkele manier aanspraak op de grondstrook heeft gemaakt. Dit heeft de Gemeente pas gedaan toen in verband met de voorgenomen aanleg van leidingen bij haar het vermoeden rees dat een strook gemeentegrond was ingericht voor privédoeleinden. Overigens staat vast dat deze leidingen inmiddels elders zijn gerealiseerd.

5.8.

Een en ander leidt tot de conclusie dat terugrekenend vanaf 13 september 2016, de datum van de brief waarin de Gemeente aan [gedaagden] kenbaar maakt dat zij zich als eigenaar van de grondstrook beschouwt, de verjaring van de rechtsvordering van de Gemeente voltooid was omdat [gedaagden] (en hun rechtsvoorgangers) gedurende 20 jaar het onafgebroken bezit van de grondstrook hebben gehad. Op grond van artikel 3:105 BW hebben [gedaagden] daarmee de grondstrook verkregen.

5.9.

Dit brengt mee dat de vorderingen van de Gemeente moeten worden afgewezen en de in reconventie door [gedaagden] primair gevorderde verklaring voor recht dat zij de grondstrook zoals in het rood gearceerd aangegeven op de zowel bij dagvaarding als bij conclusie van antwoord overgelegde situatieschets, gedateerd 30 januari 2018, door verjaring in eigendom hebben verkregen, wordt toegewezen. Daarmee behoeft het bij wijziging van eis in reconventie onder sub 1. subsidiair door [gedaagden] gevorderde ten aanzien van een nieuwe kadastrale meting geen nadere bespreking. Ook hetgeen [gedaagden] verder hebben aangevoerd ten aanzien van de (on)juistheid van de op 7 februari 2019 uitgevoerde kadastrale grensreconstructie kan daarmee verder onbesproken blijven.

5.10.

Verder vorderen [gedaagden] veroordeling van de Gemeente om medewerking te verlenen aan notariële vastlegging van de verjaring. Onduidelijk is waarom [gedaagden] dit naast de gevorderde verklaring voor recht vorderen. Immers op grond van het bepaalde in artikel 3:17 lid 1 aanhef en sub e BW kunnen rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen betreffen worden ingeschreven in de openbare registers, mits zij uitvoerbaar bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd, dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken. Nu in dit eindvonnis de door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, is dit vonnis aan te merken als een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 3:17 lid 1 aanhef en sub e BW. Voor inschrijving in de openbare registers op deze voet is geen medewerking van de Gemeente vereist, en daarmee ligt de rechtstoestand van de grondstrook vast. Deze tegenvordering van [gedaagden] zal dan ook worden afgewezen bij gebrek aan belang als bedoeld in artikel 3:303 BW.

5.11.

De proceskosten van de procedures in conventie en in reconventie komen voor rekening van de Gemeente als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. In reconventie wordt de Gemeente ook veroordeeld tot betaling van de door [gedaagden] gevorderde nakosten van maximaal € 90,00, voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagden] worden gemaakt. Indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de Gemeente tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagden] worden vastgesteld op een bedrag van € 450,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagden]

de tegenvordering

6.3.

verklaart voor recht dat [gedaagden] de grondstrook, deel uitmakende van het perceel, kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, [kadastrale gegevens 2], zoals in het rood gearceerd aangegeven op de zowel bij dagvaarding als productie 1 overgelegde als bij de vordering in reconventie onder 1. afgedrukte situatieschets gedateerd 30 januari 2018, door verjaring in eigendom hebben verkregen;

6.4.

veroordeelt de Gemeente tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagden] worden vastgesteld op een bedrag van € 225,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagden], te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van betaling, en veroordeelt de Gemeente tot betaling van maximaal € 90,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagden] worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

6.5.

verklaart de veroordelingen onder 6.3. en 6.4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter