Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3929

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
15/997501-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onderzoek Aiglon; rechtspersoon, criminele organisatie: het gebruik maken van valse (veterinaire) documenten bij de verzending van vogels naar het buitenland en overtreding artikel 101a GWWD, overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/997501-14 (P)

Uitspraakdatum: 8 mei 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15, 16 en 17 april 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.C.A. Plantenga en mr. K. Zweers en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. drs. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

zij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 april 2014 te Hoofddorp en/of Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of in België en/of Canada en/of Kuwait en/of Bahrein en/of Taiwan en/of Israël en/of Indonesië en/of Bangladesh, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 477.433,- althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of voornoemd(e) voorwerp(en) heeft verworven,

en/of (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 477.433,- althans enig(e) geldbedrag(en), voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

Feit 2

zij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 april 2014 te Hoofddorp en/of Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of in België en/of Canada en/of Kuwait en/of Bahrein en/of Taiwan en/of Israël en/of Indonesië en/of Bangladesh,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een of meer personen bestaande uit haar, verdachte, [medeverdachte 1, hierna: rechtspersoon 1] en/of [medeverdachte 2, hierna: rechtspersoon 2] en/of [medeverdachte 3, hierna: rechtspersoon 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [rechtspersoon 1] en/of andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk verrichten van handelingen waardoor een besmetting dan wel verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt (101a GWD) en/of

- het opzettelijk gebruik maken van en/of opzettelijk voorhanden hebben van een vals of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst terwijl zij/ hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd waren voor zodanig gebruik als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Inleiding

In 2011 kwamen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) signalen binnen dat er vermoedelijk valse documenten werden gebruikt bij het verzenden van dieren, voornamelijk vogels, vanuit Nederland naar het buitenland. In 2013 kwamen opnieuw signalen binnen, deze keer via het Belgische Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: het FAVV). Het FAVV ontving meldingen dat ook Belgische documenten werden vervalst voor de exporten van voornamelijk vogels naar derde landen, met name naar Koeweit en Bahrein. De vermoedelijk vervalste documenten betroffen voornamelijk:

- gezondheidscertificaten, die na keuring van de dieren worden afgegeven door een dierenarts die bij de NVWA of het FAVV is aangesloten;

- Certificaten van Oorsprong (hierna: CvO’s), waarmee wordt aangetoond uit welk land het dier oorspronkelijk afkomstig is en dat wordt verstrekt door de Kamer van Koophandel;

- laboratoriumuitslagen, waarbij de dieren op ziektes worden getest door het Central Veterinary Institute (hierna: CVI) te Lelystad en de Gezondheidsdienst voor Dieren te Deventer.

Hierop is een onderzoek gestart, waarbij de volgende bedrijven in beeld zijn gekomen:

- [rechtspersoon 1] , [adres] (hierna voor de leesbaarheid van dit vonnis [rechtspersoon 1] te noemen);

- [rechtspersoon 2] , [adres] ;

- [rechtspersoon 3] , [adres] .

Dit betreffen werkmaatschappijen onder [verdachte] , [adres] .

[medeverdachte 4] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [verdachte] en (al dan niet middellijk via [verdachte] ) van de voornoemde werkmaatschappijen. [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) geeft binnen [rechtspersoon 1] leiding aan de afdeling Customer Services en is tekenbevoegd bij [rechtspersoon 2] .

[rechtspersoon 1] , [rechtspersoon 3] , [rechtspersoon 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn in dit onderzoek als (mede)verdachten aangemerkt.

De politie heeft bij de douane alle aangiften van exporten door de hiervoor genoemde bedrijven gevorderd over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 november 2013. Deze exporten zijn vergeleken met door de bevoegde instanties afgegeven gezondheidscertificaten en CvO’s. Vervolgens heeft in 2014 bij voornoemde bedrijven een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder meer de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon 1] is doorzocht. Uiteindelijk heeft het opsporingsonderzoek geresulteerd in een omvangrijk dossier, dat bestaat uit 12 afzonderlijke zaaksdossiers. Aan [verdachte] zijn het witwassen van geldbedragen en deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd.

3.2.

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Wat betreft de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de betreffende (rechts)personen strafbare feiten hebben gepleegd, zodat van een criminele organisatie geen sprake is. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte 4] (direct dan wel indirect) enig bestuurder/aandeelhouder is van de rechtspersonen, zodat feitelijk alleen sprake zou zijn van een crimineel samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Dit is volgens de raadsman onvoldoende om te kunnen spreken van een criminele organisatie.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen [verdachte] onder 1 ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen concluderen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

3.4.2

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.3

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die – kort gezegd – in het bijzonder tot oogmerk had het behalen van financieel voordeel door middel van export van vogels met valse (veterinaire) documenten.

Vooropgesteld wordt onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). In de bedrijfsadministratie van [rechtspersoon 1] zijn vele valse gezondheidscertificaten, CvO’s en laboratoriumuitslagen aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat binnen [rechtspersoon 1] , [rechtspersoon 3] , [rechtspersoon 2] opzettelijk van deze valse documenten gebruik is gemaakt door deze mee te sturen bij de export van vogels naar het buitenland. Hierdoor is (ten onrechte) de schijn gewekt dat de naar het buitenland te transporteren dieren gezond waren, dat Nederlandse vogels van oorsprong uit België kwamen en dat de dieren op besmettelijke ziektes waren getest. Dergelijk handelen vergroot de kans dat een besmettelijke dierziekte wordt verspreid, nu afnemers en de buitenlandse autoriteiten op de echtheid van de documenten en de daarin genoemde informatie moeten kunnen vertrouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank – zoals ook is overwogen in de gelijktijdige uitspraken van de medeverdachten van [verdachte] – zijn voornoemde strafbare feiten, die stelselmatig zijn gepleegd in een tijdsbestek van ruim drie jaar, aan de genoemde bedrijven toe te rekenen. [medeverdachte 4] heeft, als enig bestuurder en aandeelhouder van [verdachte] en (al dan niet middellijk via [verdachte] ) bestuurder van de overige groepsmaatschappijen, daarover feitelijke leiding gegeven. De in het dossier zo genoemde Belgiëroute, die bij verschillende transporten is gebruikt en daaruit bestaat dat [rechtspersoon 1] zendingen Nederlandse vogels in België heeft laten keuren en deze via Schiphol naar derde landen heeft verstuurd om zo de herkomst van de vogels te verbergen en eventuele importbeperkingen te omzeilen, is vastgelegd in een bij [rechtspersoon 1] aangetroffen interne werkinstructie. Deze werkinstructie werd ook door werknemers van [rechtspersoon 1] gebruikt. Gedurende de gehele periode stuurde [medeverdachte 5] de afdeling van [rechtspersoon 1] aan die de exporten verzorgde. Namens [rechtspersoon 2] was [medeverdachte 5] bevoegd tot het ondertekenen van (export)documenten en uit de bewijsmiddelen volgt dat hij als werknemer van [rechtspersoon 1] ook feitelijk was betrokken bij de exporten met valse documenten. Daarnaast is gebleken dat [verdachte] het salaris van [medeverdachte 4] betaalde en management fees in rekening bracht bij haar dochtervennootschappen, die de opbrengsten van de exporten met valse documenten ontvingen. [verdachte] profiteerde dan ook van de strafbare feiten die haar werkmaatschappijen, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (feitelijk) pleegden.

Op grond van alle voorgaande overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een zodanig bestendige en gestructureerde samenwerking tussen – in ieder geval – [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en de vier rechtspersonen [verdachte] , [rechtspersoon 1] , [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] dat sprake is van een criminele organisatie. Dat [medeverdachte 4] van alle rechtspersonen bestuurder is, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet hier niet aan af. Immers hebben zij (samen met [medeverdachte 5] ) ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunden zij, gedragingen die strekten tot of die rechtstreeks verband hielden met het oogmerk van de organisatie. De rechtbank komt daarom tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 3 april 2014 te Hoofddorp en/of Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van (rechts)personen bestaande uit haar, verdachte, en [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk verrichten van handelingen waardoor een besmetting dan wel verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt (101a GWD) en

- het opzettelijk gebruik maken van en/of opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd waren voor zodanig gebruik als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is [verdachte] daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan [verdachte] onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. [verdachte] moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, begaan door een rechtspersoon.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,-- en tot een geheel voorwaardelijke bedrijfssluiting voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te vermelden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van [verdachte] , zoals een en ander bij het onderzoek ter zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

[verdachte] houdt als moedermaatschappij aandelen in haar dochtervennootschappen [rechtspersoon 1] , [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] . Dit zijn actieve rechtspersonen, werkzaam in de dierentransportbranche. [rechtspersoon 1] , [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] hebben samen met anderen met gebruikmaking van valse documenten van verschillende aard, bedrijfsmatig vogels geëxporteerd naar het buitenland. Die valse documenten zijn telkens meegestuurd ter begeleiding van de bewezenverklaarde transporten. De handelwijze ging zelfs zo ver dat op valse documenten de naam en het adres van een bestaand bedrijf stelselmatig werd misbruikt en dat de namen van niet bestaande bedrijven en dierenartsen en een niet bestaande dierenkliniek werden gebruikt. De onrechtmatige wijze waarop deze transporten hebben plaatsgevonden kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. De valse documenten wekken immers de schijn, en derden worden daardoor misleid, dat de geëxporteerde vogels getest zijn op besmettelijke ziekten (valse gezondheidstesten door laboratoria en valse gezondheidsverklaringen door erkende dierenartsen) en dat de herkomst van de vogels vast zou staan op basis van zogenaamde valse CvO’s uitgegeven door de Kamer van Koophandel. Het gaat hier om documenten waarop in het handelsverkeer zonder meer moet kunnen worden vertrouwd.

Door voormelde handelswijze, die de werkmaatschappijen telkens hebben uitgevoerd onder feitelijke leiding van medeverdachte [medeverdachte 4] , zelfstandig bestuurder en enig aandeelhouder van [verdachte] , en met (onder meer) medeverdachten [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 5] , werkend in dienst van [rechtspersoon 1] , zijn noodzakelijke veterinaire controles op grote schaal niet in acht genomen. Hierdoor bestaat het risico op verspreiding van dierziektes. Indien de relevante dierziekten zich naar derde landen verspreiden, kan dit ook grote economische gevolgen hebben.

[verdachte] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie door het in rekening brengen van management fees bij haar werkmaatschappijen, die de opbrengsten van de exporten met valse documenten ontvingen. [verdachte] profiteerde derhalve van de strafbare feiten die haar werkmaatschappijen, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] pleegden.

De rechtbank heeft gelet op de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en gezien hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd, dat een onvoorwaardelijke geldboete in beginsel passend en geboden is. De rechtbank dient echter de vraag te beantwoorden of sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank als beginpunt uit van de datum van de inverzekeringstelling van [medeverdachte 4] , de bestuurder van [verdachte] , op 29 oktober 2014 en de uitspraak in eerste aanleg van deze rechtbank op 8 mei 2019. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van schending van de redelijke termijn die moet leiden tot strafvermindering.

Bij de strafoplegging aan [verdachte] betrekt de rechtbank tot slot dat in deze periode geen aanwijzingen zijn gevonden dat zij zich nog immer bezig houdt met illegale praktijken.

Alles overwegende en met name gelet op de mate van de overschrijding van de redelijke termijn zal [verdachte] voor de bewezenverklaarde feiten veroordeeld worden tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 15.000,-- met een proeftijd van 2 jaar. De door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke bedrijfssluiting acht de rechtbank, mede gelet op het tijdsverloop, niet opportuun en zal dan ook niet worden opgelegd.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de strafoplegging in het vonnis van heden gewezen in de strafzaak tegen [medeverdachte 4] , directeur en enig aandeelhouder van [verdachte] .

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 51 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 2 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot het betalen van een geldboete van € 15.000,-- met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat [verdachte] voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Otter, voorzitter,

mr. H.P. van der Lelie en mr. C.A.J. van Yperen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 mei 2019.