Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3730

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2376
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Oorsprong zonnepanelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/1326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2376

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 mei 2019 in de zaak tussen

[X] GmbH, gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: K.W. Wismeth),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 21 juli 2016 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € 120.965,17, bestaande uit € 99.530,66 aan definitieve antidumpingrechten en € 21.434,51 aan definitieve compenserende rechten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 maart 2017 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door [A] (tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. S. Enkelaar en

mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 25 april 2014 heeft [A BEDRIJF] B.V. (hierna: [A BEDRIJF] ) als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van – kort gezegd – 1.616 zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. De zonnepanelen zijn aangegeven onder Taric-code 8541 40 90 29. Zij zijn vervoerd op 28 pallets in twee containers (CBHU8497683 en FCIU9564249) en hebben een brutogewicht van in totaal 32.800 kg. Het nettogewicht is in totaal 30.380 kg. Als verkoper is aangegeven [B BEDRIJF] UG (hierna: [B BEDRIJF] ), als geadresseerde staat eiseres vermeld.

2. Bij de aangifte is een Certificaat van Oorsprong (hierna: CvO) met nummer ED13FA12233 overgelegd van de New Taipei City Chamber of Commerce met vermelding van [C BEDRIJF] , Ltd te Taiwan (hierna: [C BEDRIJF] ) als exporteur en [D BEDRIJF] SL te Zaragoza, Spanje als importeur van 28 pallets met in totaal 1.616 stuks solar modules, te vervoeren van Kaohsiung naar Rotterdam.

3. Blijkens de pro-forma invoice heeft [B BEDRIJF] aan eiseres 1.616 stuks ‘245poly’ Solar Modules, van het merk [A MERK] , vervoerd in containers CBHU8497683 en FCIU9564249, verkocht voor € 182.123,20. De orderconfirmation van [B BEDRIJF] aan eiseres bevat dezelfde gegevens en specificeert de zonnepanelen als ZY245P.

4. De Bill of Lading van [E BEDRIJF] B.V. is opgemaakt voor 28 pallets solar modules met een totaal brutogewicht van 32.800 kg, verdeeld over twee verzegelde containers: 14 pallets met een totaal brutogewicht van 16.400 kg in container CBHU8497683 (zegel COST523072) en 14 pallets met een totaal brutogewicht van 16.400 kg in container FCIU9564249 (zegel COST523166). De zonnepanelen zijn vanuit Rotterdam in de verzegelde containers door transportbedrijf [F BEDRIJF] B.V. onder dekking van twee CMR documenten naar eiseres vervoerd.

5. Het Engelstalige Mission Report van 21 april 2015 van het antifraudebureau van de Europese Commissie (hierna: OLAF) houdt in dat medewerkers van de OLAF van 15 tot 21 november 2014 in Taiwan onderzoek hebben verricht naar de oorsprong van zonnepanelen die vanuit Taiwan naar de Europese Unie zijn uitgevoerd en waarvan het vermoeden bestond dat zij van Chinese oorsprong zijn. Het Taiwanese Bureau of Foreign Trade en de Taiwanese douaneautoriteiten hebben verklaard dat invoer in Taiwan van zonnepanelen uit China verboden is en dat Chinese zonnepanelen in Taiwan alleen tijdelijk mogen worden opgeslagen in Free Trade Zone (hierna: FTZ), alwaar geen enkele be- of verwerking is toegestaan. Invoer in een FTZ vindt plaats met een aangifte F1, uitvoer uit een FTZ vindt plaats met een aangifte F5. In de uitvoeraangiften moet verplicht het referentienummer van de invoeraangiften worden vermeld, waardoor uitvoer uit de FTZ kan worden gekoppeld aan voorafgaande invoer in de FTZ.

6. Annex 3 bij het OLAF-rapport houdt onder meer in dat op 27 november 2013 in de FTZ een exportaangifte F5 is gedaan voor de uitvoer van twee containers met solar modules naar Nederland. De Taiwanese exporteur is [C BEDRIJF] en de koper is [D BEDRIJF] S.L. Deze uitvoeraangifte is gekoppeld aan een invoeraangifte F1 van 26 november 2013 voor de invoer van twee containers met solar modules met CN als opgegeven land van oorsprong. Annex 3 houdt dienaangaande in:

Date of export declaration

Customs regime

quantity

Weight

(KGM)

Container number

Date of import declaration

Customs regime

quantity

Weight

(KMG)

Container numbers

27-11-2013

F5

1.616

30.380

CBHU8497683

20131126

F1

1.616

30.380

TWCU8025049

TWCU8043905

27-11-2013

F5

1.616

30.380

FCIU9564249

20131126

F1

1.616

30.380

TWCU8025049

TWCU8043905

7. Naar aanleiding van deze gegevens heeft verweerder de onderhavige utb uitgereikt aan eiseres. Op 25 augustus 2016 hebben de gemachtigde van eiseres en vertegenwoordigers van verweerder ten kantore van verweerder gesproken over de utb. Dit gesprek vond in het Duits plaats. Ook heeft een aantal telefoongesprekken tussen de gemachtigde van eiseres en medewerkers van verweerder plaatsgevonden die in de Duitse taal zijn gevoerd.

8. Bij brief van 29 augustus 2016, door verweerder ontvangen op 1 september 2016, heeft eiseres een Duitstalig bezwaarschrift ingediend tegen de utb.

9. Op 12 september 2016 heeft verweerder een in de Nederlandse taal opgestelde ontvangstbevestiging gestuurd naar eiseres met daarin onder meer de volgende opmerking:

“Het bezwaarschrift is in een vreemde taal gesteld. Ik stel u in de gelegenheid binnen 1 maand na dagtekening van deze brief een vertaling in het Nederlands te overleggen”

10. Op 24 januari 2017 heeft verweerder een Nederlandstalig rappel gestuurd aan eiseres, waarin hij eiseres nogmaals in de gelegenheid stelt te reageren op de ontvangstbevestiging van 12 september 2016 en de eerdere termijn opschort tot 8 februari 2017.

11. Op 27 februari 2017 heeft verweerder nogmaals een Nederlandstalig rappel gestuurd aan eiseres, waarin hij eiseres nogmaals in de gelegenheid stelt het verzuim te herstellen, met daarbij de opmerking dat bij het uitblijven van een reactie van eiseres vόόr 14 maart 2017 verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal verklaren.

12. Op 28 februari 2017 heeft eiseres een in de Duitse taal gestelde brief aan verweerder gestuurd, waarin zij de utb nogmaals bestrijdt. Bij deze brief heeft eiseres een kopie van de hiervoor genoemde brief van verweerder van 12 september 2016 gevoegd met daarop de handgeschreven tekst:

“Ich kann das nicht lesen“.

13. Op 10 maart 2017 heeft eiseres een in de Duitse taal gestelde brief aan verweerder gestuurd, waarin onder meer staat:

“4. Dasselbe trifft auf Ihr Schreiben vom 27.02.2017 zu.

Es kommt wie immer, wieder in Holländisch, das ich nicht lesen kann (…)”

14. Op 27 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift in een vreemde taal was gesteld.

Geschil
15. In geschil is allereerst het antwoord op de vraag of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zo die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de utb terecht is uitgereikt.

16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat haar niet is gezegd dat zij in het Nederlands bezwaar moest maken, ook niet tijdens het in de Duitse taal gevoerde gesprek met verweerder op 25 augustus 2016. Voorts is eiseres van mening dat de utb ten onrechte aan haar is uitgereikt, onder meer omdat niet is bewezen dat de zonnepanelen in China zijn geproduceerd. Het OLAF Mission Report bevat enkel vermoedens en speculatie; de getallen in het rapport zijn onvolledig en vormen geen bewijs. Verder heeft zij te goeder trouw gehandeld door zonnepanelen te kopen van het gerenommeerde Spaanse merk [A MERK] , dat de zonnepanelen volledig in Taiwan laat produceren. Het Taiwanese oorsprongscertificaat bewijst ook dat de zonnepanelen in Taiwan zijn geproduceerd. Het is volgens eiseres onaanvaardbaar om meer onderzoek en zorgvuldigheid te eisen van een kleine onderneming als de hare. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb en tot veroordeling van verweerder in de proceskosten van de beroepsprocedure.

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiseres haar bezwaar niet in de Nederlandse taal heeft ingediend en eiseres dit verzuim, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft hersteld. De utb is terecht en voor het juiste bedrag opgelegd, omdat de zonnepanelen van oorsprong uit China zijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

18. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Relevante wetgeving

19. Artikel 6:5, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

“Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.”

20. Artikel 6:6 van de Awb luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. (…),

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.”

Beoordeling van het geschil

21. Ter zake de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van de artikelen 6:5, derde lid, en 6:6 van de Awb kan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer het bezwaarschrift in een vreemde taal is gesteld en de indiener de gelegenheid heeft gehad een vertaling in te dienen maar dat binnen een hem daartoe gestelde termijn niet heeft gedaan.

22. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar hebben eiseres en verweerder elkaar enige malen gesproken. Deze (telefoon)gesprekken werden in het Duits gevoerd. Dientengevolge wist verweerder of had hij kunnen weten dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is. Dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is, blijkt ook uit de (bijlagen bij) brieven van eiseres aan verweerder van 28 februari en 10 maart 2017. Desondanks heeft verweerder voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar eiseres niet op een voor haar begrijpelijk wijze erop gewezen dat zij een Nederlandse vertaling van haar bezwaarschrift moest indienen, omdat het bezwaarschrift anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De enkele mededeling van verweerder ter zitting, dat bij mondelinge contacten doorgaans tegen procespartijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, op een voor zo’n partij begrijpelijke wijze wordt gezegd dat een bezwaarschrift in het Nederlands moet worden ingediend, is – nu hierover uit de gedingstukken niets blijkt en eiseres dit gemotiveerd heeft betwist – niet voldoende om aan te nemen dat dat in dit geval ook is gebeurd. Dit alles klemt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat zijn medewerkers die mondeling contact hadden gehad met eiseres de Duitse taal machtig zijn. Al het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat niet kan worden gezegd dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld haar verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat het bezwaar van eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Haar beroep is in zoverre gegrond.

23. Indien verweerder de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de rechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in beginsel verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien eiser niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet. Partijen hebben ter zitting de rechtbank verzocht de zaken inhoudelijk af te doen en niet terug te wijzen voor hernieuwde behandeling van de bezwaarschriften. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

24. Nu verweerder wenst af te wijken van de aangifte, rust op hem de bewijslast om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen niet van oorsprong zijn uit Taiwan, maar uit China. Hiertoe heeft hij het algemene gedeelte van het OLAF Mission Report van 21 april 2015 overgelegd en twee regels uit Annex 3 bij dat rapport.

25. In Annex 3 is de invoer in de FTZ van twee containers (TWCU8025049 en TWCU8043905) die samen 1.616 stuks zonnepanelen met aangegeven oorsprong China bevatten gekoppeld aan de uitvoer uit de FTZ naar Nederland van twee containers (CBHU8497683 en FCIU9564249), die elk 1.616 stuks, dus in totaal 3.232 stuks, zonnepanelen bevatten. De vanuit Taiwan naar Nederland uitgevoerde hoeveelheid komt derhalve niet overeen met de hoeveelheid zonnepanelen uit de invoeraangifte F1 en ook niet met de 1.616 stuks zonnepanelen die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht. Met het enkel overleggen van deze gegevens heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de 1.616 stuks zonnepanelen die eiseres voor het vrije verkeer heeft aangegeven en die in de navordering betrokken zijn dezelfde 1.616 stuks zonnepanelen zijn die op 26 november 2013 met aangegeven oorsprong China in de FTZ zijn ingevoerd. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de containers waarin de zonnepanelen zich bevonden die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht in Taiwan door de rederij waren verzegeld. Verweerder heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

26. Gelet op het vorengaande dient het beroep ook ten aanzien van het inhoudelijke geschil gegrond te worden verklaard. De overige stellingen van eiseres behoeven hierdoor geen bespreking, omdat zij daardoor niet in een fiscaal gunstiger positie kan komen.

Proceskosten

27. Verweerder heeft ter zitting ingestemd met vergoeding van de door eiseres opgevoerde kosten, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de volgende kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken:

- € 512 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (de kosten van Rechtsanwaltin Dr. [C] voor het schrijven van het beroepschrift (1 punt à € 512));

- € 89,67 voor de door eiseres naar de zitting meegebrachte tolk (1,5 uur (de zitting heeft net iets meer dan een uur geduurd) à € 46,29 te vermeerderen met het voorrijtarief van € 20,23, zie de artikelen 4 en 9 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003);

- € 230 reiskosten (uitgaande van de gemiddelde prijs waarvoor tickets door de NS worden aangeboden voor een tweedeklas treinreis Furth (Duitsland) – Haarlem – Furth (Duitsland), zie artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003);

- € 37,85 verblijfskosten voor de hotelovernachting van de gemachtigde in Nederland (artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003)

- € 136,50 verletkosten voor het bijwonen van de zitting (1,5 uur zitting en 18 uur reistijd à € 7, zie artikel 2 eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat de verletkosten niet zijn gespecificeerd houdt de rechtbank het minimumuurtarief van € 7 aan, zie ECLI:NL:RVS:2012:BV9511),

in totaal € 1.006,02.

De door eiseres opgevoerde portokosten van € 36,95 komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de utb;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.006,02;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en

mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.