Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3683

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5586
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend van rechtswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5586

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. H. Elmas),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Guimaraes).

Procesverloop

Op 30 september 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend voor funderingsherstel alsmede de realisatie van een opbouw en een uitbouw aan het pand aan de [adres] .

Op 1 april 2018 heeft [naam 1] , architect, de aanvraag via het omgevingsloket ingetrokken.

Bij email van 3 april 2018 heeft [naam 1] de intrekking bevestigd aan de gemeente Zaanstad.

Bij besluit van 3 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd.

Bij brief van 11 april 2018 heeft verweerder de intrekking van de aanvraag aan eiser bevestigd. Daarbij heeft verweerder -zakelijk weergegeven- aangegeven:

-dat door een technische oorzaak het bericht van de intrekking niet tijdig verweerder heeft bereikt;

-dat om die reden per abuis het primaire besluit is genomen;

-dat eiser vanwege de intrekking het primaire besluit als niet verzonden kan beschouwen en

-dat de aanvraag verder niet meer in behandeling zal worden genomen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de omgevingsvergunning.

In het besluit op bezwaar van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder -kort zakelijk weergegeven- aangegeven:

- dat het primaire besluit vanwege de intrekking van de aanvraag bij besluit van 11 april 2018 is ingetrokken;

- dat het bezwaar mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit van 11 april 2018;

- dat dit bezwaar ongegrond is omdat het intrekkingsbesluit terecht is genomen;

- dat de aanvraag vanwege de intrekking niet meer inhoudelijk wordt behandeld en

- dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2019. De zoon van eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Voorts is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Zij werd vergezeld door collega [naam 2] .

Overwegingen

1. De regelgeving die ten grondslag ligt aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Tussen partijen is primair in geschil of sprake is van een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Namens eiser is daarentegen betoogd dat (reeds voor de intrekking van de aanvraag) een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.

4. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is bij verweerder ingediend en ontvangen op 30 september 2017. Niet in geschil is dat op de bouwaanvraag de reguliere procedure van toepassing is. Gelet op het bepaalde in artikel 3.9, eerste lid en aanhef van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient verweerder te beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Verweerder kan op grond van het tweede lid van artikel 3.9 de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Verweerder dient zijn besluit daartoe bekend te maken binnen de eerstbedoelde termijn (de termijn van acht weken derhalve). Bij brief van 20 november 2017 -derhalve binnen de termijn van acht weken- heeft verweerder de termijn om te beslissen op de aanvraag met 6 weken verlengd. De totale termijn voor verweerder om een beslissing op de op 30 september 2017 ingediende aanvraag te nemen is derhalve 14 weken.

4. Bij brief van 1 december 2017 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld tot tien weken na de dagtekening van deze brief ontbrekende gegevens in te dienen. Gelet op artikel 4:15, eerste lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de termijn voor het nemen van een besluit opgeschort met ingang van de dag na die waarop verweerder eiser heeft uitgenodigd de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Niet in geschil is dat op 1 januari 2018 door eiser aanvullende gegevens zijn ingediend. Dat betekent dat de opschorting van de beslistermijn op de dag van het indienen van aanvullende gegevens is beëindigd en de beslistermijn weer is gaan lopen met ingang van (met inachtneming van de Algemene termijnenwet) 2 januari 2018. Op 1 december 2017 waren er 62 dagen van de beslistermijn verstreken. Verweerder had derhalve na ontvangst van de aanvullende stukken van eiser nog 36 dagen de tijd om -tijdig- op de aanvraag te beslissen. Dat betekent dat deze termijn verloopt op 6 februari 2018 en dat uiterlijk op deze dag een besluit op de aanvraag had moeten worden genomen. Dat is niet gebeurd. Evenmin is de beslistermijn door verweerder na 1 januari 2018 opnieuw opgeschort. Wel is namens verweerder aan eiser per email van 5 februari 2018 gevraagd om in te stemmen met een opschorting op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, maar deze instemming is pas na het verstrijken van de termijn op 10 februari 2018 namens eiser gegeven. Op dat moment was de beslistermijn reeds verstreken.

5. Het vorengaande betekent dat verweerder niet binnen de voor de reguliere procedure geldende beslistermijn op de aanvraag heeft beslist. Gelet op artikel 3.9, derde lid, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4.20b, eerste lid, van de Awb is de aangevraagde omgevingsvergunning aldus van rechtswege verleend. Het betoog van eiser slaagt derhalve. Verweerder was niet meer bevoegd een reëel besluit op de aanvraag te nemen. Verweerder heeft de van rechtswege verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet overeenkomstig artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd nu verweerder zich daarin ten onrechte en in strijd met artikel 3.9, derde lid, eerste volzin, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb op het standpunt heeft gesteld dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Het primaire besluit moet worden herroepen omdat dit onbevoegd is genomen. Anders dan verweerder stelt, leest de rechtbank in de brief van 11 april 2018 niet terug dat het primaire besluit is ingetrokken. De rechtbank zal bepalen dat verweerder kennis dient te geven van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

7. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat de gemachtigde van eiser vraagt om vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt in verband met het beroep en met het bezwaar. Dit verzoek wijst de rechtbank toe voor zover het gaat om de kosten voor de door een derde verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt vast dat eiser zelf het bezwaarschrift heeft ingediend, zodat voor het indienen van het bezwaarschrift geen proceskosten worden toegekend. Nu de gemachtigde wel op de hoorzitting voor eiser is verschenen, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten gemaakt in verband met het bezwaar voor zover deze betrekking hebben op het verschijnen op de hoorzitting. Vorenstaande betekent dat de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststelt op € 1.536,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 13 november 2018;

-herroept het primaire besluit van 3 april 2018;

-draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak bekend te maken dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend aan eiser;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.536,--;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.