Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3615

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4051
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft twee panden verbouwd en daarna verkocht. Verweerder heeft terecht het voordeel als resultaat uit overige werkzaamheid aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-05-2019
FutD 2019-1311
V-N Vandaag 2019/1121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/4051 en HAA 17/4052

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R.H. van der Kloet),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 82.291, alsmede een vergrijpboete van € 3.506. Tevens is bij beschikking belastingrente vastgesteld tot een bedrag van € 1.856.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 261.053, alsmede een vergrijpboete van € 23.878. Tevens is bij beschikking belastingrente vastgesteld tot een bedrag van € 7.538.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 gehandhaafd en de vergrijpboete laten vervallen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag ib/pvv 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard en de vergrijpboete laten vervallen.

Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.A. de Jong en mr. B.J.E. Lodder.

Ter zitting heeft eiser toegezegd binnen drie weken na de zitting de hypotheekakten, leveringsakten, alsmede offertes van de aan- en verkoop van de [A ADRES] over te leggen.

Bij fax van 9 januari 2019 heeft de gemachtigde verzocht om de termijn te verlengen tot 11 januari 2019. De rechtbank heeft deze verlenging van de termijn stilzwijgend toegekend.

Op 22 januari 2019 heeft de rechtbank telefonisch aan de gemachtigde meegedeeld dat de termijn wordt verlengd tot en met 25 januari 2019.

Eiser heeft geen nadere stukken met betrekking tot de aan- en verkoop van de [A ADRES] overgelegd.

Overwegingen

1 Feiten

1.1.

Eiser is via [A BEDRIJF] B.V. middellijk directeur en enig aandeelhouder van [B BEDRIJF] B.V. In beide vennootschappen is geen ander personeel dan eiser werkzaam.

1.2.

[B BEDRIJF] B.V. verricht aanneemwerkzaamheden en koopt panden waarna deze worden opgeknapt en vervolgens worden verkocht met het oogmerk daarmee voordeel te behalen.

1.3.

Op 10 maart 2011 kocht eiser in privé voor € 200.000 (exclusief kosten) de woning aan de [B ADRES] . De totale aankoopsom bedroeg € 212.500.

1.4.

De aankoop en de verbouwing van de woning werden gefinancierd door middel van hypothecaire geldleningen van € 300.000 (waarvan € 87.500 in een bouwdepot is gestort). Eiser en [B BEDRIJF] B.V. waren hoofdelijk aansprakelijk voor deze leningen.

1.5.

De woning is in 2011 en 2012 verbouwd. De verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd door [B BEDRIJF] B.V. Namens [B BEDRIJF] B.V. heeft eiser de verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd, dan wel hebben de vennootschappen opdracht gegeven aan derden om verbouwingswerkzaamheden onder leiding van eiser uit te voeren. [B BEDRIJF] B.V. heeft € 70.753 in verband met de verbouwingswerkzaamheden aan eiser gefactureerd. Eiser heeft deze facturen betaald.

1.6.

De woning aan de [B ADRES] is op 2 maart 2012 voor € 320.000 aan derden verkocht.

1.7.

Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv over 2011 en 2012 de woning aan de [B ADRES] niet (in box 1 noch in box 3) opgenomen.

1.8.

Uit het definitieve rapport van het boekenonderzoek van 20 januari 2016 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 van [A BEDRIJF] B.V. volgt dat [A BEDRIJF] B.V. het resultaat met betrekking tot de woning aan de [B ADRES] in 2012 in haar aangifte vennootschapsbelasting heeft verantwoord.

1.9.

Op 10 juli 2012 kocht eiser in privé voor € 190.000 (exclusief kosten) de onroerende zaak aan de [A ADRES] , destijds in gebruik als fietsenstalling. De totale aankoopsom bedroeg € 212.500.

1.10.

De aankoop en de verbouwing van de onroerende zaak werd onder meer gefinancierd door middel van hypothecaire geldleningen van - in totaal - € 238.000 (waarvan € 110.000 in een bouwdepot is gestort). Eiser en [B BEDRIJF] B.V. waren hoofdelijk aansprakelijk voor deze leningen. Daarnaast heeft eiser voor de aankoop van de onroerende zaak € 50.000 onderhands geleend met de onroerende zaak als onderpand.

1.11.

Na bestemmingswijziging van bedrijfsmatig gebruik naar woondoeleinden is de onroerende zaak in 2012 en 2013 verbouwd tot woning. De verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd door eiser dan wel in opdracht van [A BEDRIJF] B.V. en/of [B BEDRIJF] B.V. door derden onder leiding van eiser. De totale kosten van de verbouwing (inclusief rentelasten) bedroegen € 97.093.

1.12.

In februari 2013 heeft eiser zijn huidige woning aan de [C ADRES] gekocht. De woning aan [A ADRES] is op 25 juni 2013 verkocht voor € 490.000 aan een derde.

1.13.

Uit het definitieve rapport van het boekenonderzoek van 20 januari 2016 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 van [B BEDRIJF] B.V. volgt dat de kosten in verband met de verbouwing van de woning aan de [A ADRES] in 2012 ter hoogte € 15.152 en rentekosten van € 673 alsmede een omzet van € 252.000 in aanmerking zijn genomen.

1.14.

Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv over 2012 en 2013 de [A ADRES] niet opgenomen. Ook heeft eiser in zijn aangifte ib/pvv 2013 geen eigenwoningreserve opgenomen.

1.15.

Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften ib/pvv 2010 tot en met 2013. In het definitieve onderzoeksrapport van 20 januari 2016 concludeert verweerder tot een gecorrigeerd inkomen uit werk en woning van € 82.291 (2012) en € 261.053 (2013). De (navorderings)aanslagen zijn vervolgens dienovereenkomstig vastgesteld.

2 Geschil

2.1.

Tussen partijen is thans niet (meer) in geschil dat de resultaten behaald met de transacties met de woningen [B ADRES] en [A ADRES] in de inkomstenbelasting dienen te worden verantwoord.

2.2.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder bij het vaststellen van de onderhavige (navorderings)aanslagen ib/pvv terecht de voordelen behaald met voornoemde onroerende zaken heeft belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

2.2.

Eiser beantwoordt die vraag ontkennend. Ten aanzien van de woning aan de [B ADRES] stelt eiser dat hij de woning kocht met de bedoeling om deze voor lange termijn te verhuren en dat deze woning daarom in box 3 dient te worden belast. Geldgebrek dwong hem echter om deze woning te verkopen. Ten aanzien van de woning aan de [A ADRES] heeft eiser betoogd dat hij deze woning kocht met de bedoeling om er zelf te gaan wonen en dat deze woning daarom als eigen woning in box 1 dient te worden aangemerkt. Dit voornemen wijzigde in februari 2013 toen eiser een andere woning kocht met het oogmerk om daar te gaan wonen. Op grond van het Besluit CPP2009/2342M dient de woning aan de [A ADRES] ook na februari 2013 als eigen woning te worden aangemerkt.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat het resultaat dient te worden gesplitst, uitgaande van het moment waarop het oogmerk van eigen bewoning is gewijzigd. De winst op de woning aan de [A ADRES] die is ontstaan tot aan februari 2013 (het moment van aankoop van de nieuwe eigen woning) dient onder de ‘eigen woning regeling’ te worden belast. Het overige deel van € 80.000 dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheid. Meer subsidiair stelt eiser dat de winst € 189.560 bedroeg.

2.3.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2012 en 2013 tot belastbare inkomens van € 45.544 (2012) respectievelijk € 58.146 (2013).

2.4.

Verweerder stelt dat eiser de woningen [B ADRES] en [A ADRES] aankocht met het oogmerk deze na verbouwing met winst te verkopen. Het resultaat is belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden. Voor wat betreft het jaar 2013 dient uitgegaan te worden van een verkoopwinst van € 189.560 en niet van € 202.907 en dient het verzamelinkomen dienovereenkomstig te worden verlaagd. Voor het geval de rechtbank concludeert dat [A ADRES] moet worden aangemerkt als eigen woning en de waarde moet worden vastgesteld per december 2012 of februari 2013 moet van een verkoopwinst van meer dan € 202.917 en dus van een hoger verzamelinkomen worden uitgegaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep inzake de navorderingsaanslag ib/pvv 2012. Verweerder concludeert, naar de rechtbank begrijpt, primair tot gegrondverklaring van het beroep inzake de aanslag ib/pvv 2013, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van het verzamelinkomen met € 13.347 tot € 247.706. Verweerder concludeert subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep inzake de aanslag ib/pvv 2013.

2.5.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3 Beoordeling van het geschil

3.1.

In artikel 3.90 van de Wet IB 2001 is bepaald dat belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag is van het resultaat uit één of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Ingevolge artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van diezelfde wet wordt -voor zover hier van belang- onder werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak.

3.2.

Van normaal vermogensbeheer is geen sprake als het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid welke de eigenaar van de onroerende zaken verricht en die arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen uit de onroerende zaken, die het rendement bij normaal vermogensbeheer te boven gaan (zie onder meer HR 17 augustus 1994, nr. 29.755, BNB 1994/319 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481).

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de woningen in privé heeft aangekocht en verbouwingen aan de woningen heeft verricht of laten verrichten. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of eiser dit heeft gedaan met de intentie de woningen met winst te verkopen.

3.4.

Eiser stelt dat hij niet eerder onroerende zaken ter belegging heeft aangekocht. Het was niet de bedoeling de woningen te verkopen. De woning aan de [B ADRES] was bedoeld om te verhuren en de woning aan de [A ADRES] was bedoeld voor zelfbewoning. Geldgebrek dreef eiser ertoe om de woning aan de [B ADRES] te verkopen en omdat eiser een grotere woning kreeg aangeboden, is eiser niet in de [A ADRES] gaan wonen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de resultaten van de woningen in de vennootschapsbelasting verantwoordde om discussie met de Belastingdienst te vermijden.

3.5.

Verweerder wijst er op dat eiser (middellijk) directeur is van [A BEDRIJF] B.V en [B BEDRIJF] B.V., vennootschappen die zich bezighouden met het aankopen, opknappen en verkopen van onroerende zaken, en niet met de verhuur daarvan. In die hoedanigheid beschikt eiser over specifieke kennis bij het aankopen, verbouwen en verkopen van onroerende zaken met het oogmerk daarmee voordeel te behalen. Alle werkzaamheden aan de woningen zijn uitgevoerd door eiser of in opdracht van deze vennootschappen, door derden onder leiding van eiser. In eerste instantie zijn de winsten (de kosten en de opbrengsten) voor beide woningen in de administraties van deze vennootschappen verantwoord. Eiser heeft de woningen niet in zijn aangiften ib/pvv over 2012 en 2013 opgenomen. Kennelijk beoogde eiser de winst te maken door renovatie en verkoop en wilde hij deze in de vennootschapsbelasting verantwoorden. Aanwijzingen voor een intentie van verhuur of eigen bewoning ontbreken. Pas nadat er een boekenonderzoek werd ingesteld, stelde eiser zich op het standpunt dat de woningen in zijn aangifte inkomstenbelasting moesten worden betrokken.

3.6.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer op verweerder rust. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de woningen heeft aangekocht met het oogmerk deze na renovatie en verbetering te verkopen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiser heeft gesteld niet eerder onroerende zaken ter belegging te hebben aangekocht en heeft niet weersproken dat de vennootschappen zich niet bezighielden met de verhuur van panden. Eiser moet gezien zijn positie als directeur-grootaandeelhouder en enig werknemer van de vennootschappen een bijzondere kennis van de aan- en verkoop van panden met winstoogmerk worden toegedicht. De rechtbank acht aannemelijk dat de feitelijke gang van zaken bij de aankoop (eiser is actief op zoek geweest naar objecten), renovatie en verkoop van de woningen niet wezenlijk verschilt van die waarin de transacties door de vennootschappen zelf zouden zijn verricht. De rechtbank tekent hierbij aan dat eiser de transacties in eerste instantie niet in zijn aangiften ib/pvv heeft verwerkt en geen overtuigende verklaring heeft kunnen geven voor het verwerken van de transacties in de boekhoudingen van de vennootschappen. Gelet op de aard van de werkzaamheden van de vennootschappen, de positie van eiser en de verdere gang van zaken - waaronder het ontbreken van enige substantiële aanwijzing voor verhuur of zelfbewoning en het relatief korte tijdsverloop tussen aankoop en verkoop - acht de rechtbank aannemelijk dat de intentie van eiser bij de aankoop en de renovatie is geweest de woningen met winst te verkopen.

3.7.

Ten aanzien van eisers stelling dat de woning aan de [B ADRES] bestemd was voor de verhuur in box 3, heeft eiser niets aangevoerd dat zijn stelling onderbouwt. De rechtbank hecht geen geloof aan eisers verklaring ter zitting dat de door de makelaar voorgespiegelde verwachte huuropbrengsten tegenvielen en dat de precaire financiële situatie hem dwong de woning aan de [B ADRES] te verkopen. De rechtbank wijst er in de eerste plaats op dat eiser het bestaan van een intentie tot verhuur niet met stukken heeft onderbouwd. Eiser heeft de inschatting van de huuropbrengsten, de na de verbouwing reëel geachte huuropbrengsten en die beiden afgezet tegen de financiële lasten in verband met de woning, evenmin cijfermatig onderbouwd. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe deze situatie – de tegenvallende ingeschatte huuropbrengsten – bijdroeg tot het ontstaan dan wel het verergeren van een precaire financiële situatie. Daarnaast heeft eiser zijn stelling betreffende zijn gebrek aan liquiditeit in verband met teruglopende aanneemopdrachten van zijn B.V. niet nader onderbouwd. In de tweede plaats wijst de rechtbank er op dat eiser slechts vier maanden na de verkoop van de woning aan de [B ADRES] opnieuw grote financiële verplichtingen is aangegaan voor de aankoop en ingrijpende verbouwing tot woning aan de [A ADRES] .

3.8.

Eiser heeft in het kader van zijn stelling dat hij de woning aan de [A ADRES] zelf zou gaan bewonen, een op schrift gestelde verklaring van kandidaat-notaris mr. [A] van 25 november 2016 overgelegd. Zij heeft verklaard dat eiser de woning kocht met de intentie om er zelf te gaan wonen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegezegd documenten, waaronder leveringsakten, de hypotheekakte en offertes betreffende deze woning na zitting te overleggen. Ondanks dat de termijn voor het indienen van deze documenten verschillende malen werd verschoven, heeft eiser geen documenten overgelegd.

3.9.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van de kandidaat-notaris op verzoek van eiser is opgesteld nadat hem duidelijk was geworden dat verweerder zijn standpunt niet deelt. Op zichzelf beschouwd legt de verklaring van de notaris, gelet op de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden en gelet op hetgeen onder 3.5. tot en met 3.8. is overwogen, onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te kunnen komen dat eiser ten tijde van aankoop van de woning het oogmerk had om deze zelf te gaan bewonen. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien deze verklaring werd gestaafd door leveringsakten, de hypotheekakte en offertes, waarin de intentie van de aankoop met het oog op de belangen van de financier veelal pleegt te worden vastgelegd. Ondanks de uitdrukkelijke toezegging om deze documenten te overleggen, heeft eiser dat, zonder opgaaf van redenen, nagelaten.

Dit dient voor zijn rekening te komen.

3.10.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat bij de aankoop, de renovatie en de verkoop van zowel [B ADRES] als [A ADRES] sprake is geweest van meer dan normaal vermogensbeheer. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder het voordeel terecht als resultaat uit overige werkzaamheid in de belastingheffing heeft betrokken.

3.11.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd geen bespreking meer. Nu eiser en verweerder niet van mening verschillen over het bedrag van de bij verkoop van de [A ADRES] gerealiseerde winst van € 189.560 zal de rechtbank verweerder wat betreft het jaar 2013 volgen in zijn primaire standpunt.

Slotsom

3.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep met zaaknummer HAA 17/4051 ongegrond te worden verklaard. Het beroep met zaaknummer HAA 17/4052 zal gegrond worden verklaard en het verzamelinkomen zal worden vastgesteld op € 247.706.

4 Proceskosten HAA 17/4052

De rechtbank veroordeelt verweerder gelet op hetgeen hierboven is overwogen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake HAA 17/4051 ongegrond;

- verklaart het beroep inzake HAA 17/4052 gegrond;

- vernietigt in de zaak met nummer HAA 17/4052 de uitspraak op bezwaar, behalve ten aanzien de vernietigde verzuimboete;

- vermindert de belastingaanslag ib/pvv 2013 tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 247.706 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de zaak met nummer HAA 17/4052 in zoverre in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 in de zaak met nummer HAA 17/4052 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.