Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:351

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
15/870400-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een bedrag van minst genomen € 100.000,00 van een vrouw van zeer hoge leeftijd (thans 93 jaar oud). Als mantelzorger deed verdachte onder meer de boodschappen en andere klussen voor deze vrouw en had hij de beschikking over haar pinpas en pincode. Die pinpas heeft hij echter gebruikt om over een periode van ruim anderhalf jaar grote hoeveelheden geld van de bankrekening van het slachtoffer op te nemen.

Gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 200 uren.

Toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 100.000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870400-17 (P)

Uitspraakdatum: 18 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 januari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2015 tot en met 14 februari 2017 te Alkmaar en/of Amsterdam en/of Bergen en/of Haarlem en/of Heemstede en/of Hollands Kroon en/of Hoofddorp en/of Schagen en/of Schiphol en/of Zandvoort en/of elders in Nederland (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf de bankrekening [rekeningnummer] (ten name van [benadeelde partij] ) heeft weggenomen (telkens) een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van (ongeveer)

161.831,00), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [aangever] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl verdachte dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed(eren) (al dan niet

telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) zonder toestemming van [benadeelde partij] en.of [aangever] en/of middels een wederrechtelijk verkregen of gebruik van bankpas en/of pincode (middels pintransactie(s) en/of geldopname(s) bij de balie van een bankfiliaal) (een) geldbedrag(en) op te nemen vanaf voornoemde bankrekening;

Feit 1 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2015 tot en met 14 februari 2017 te Alkmaar en/of Amsterdam en/of Bergen en/of Haarlem en/of Heemstede en/of Hollands Kroon en/of Hoofddorp en/of Schagen en/of en/of Schiphol en/of Zandvoort en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van (ongeveer) 161.831,00), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [aangever] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke geldbedrag(en)/goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als mantelzorger en/of verzorger en/of belangenbehartiger en/of als vriend van [benadeelde partij] , onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 6 juni 2017 te Haarlem en/of Hollands Kroon, althans in Nederland met (telkens) het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

heeft weggenomen een of meer (kunst)voorwerpen, te weten (onder meer)

-twee, althans een (ets)tekening(en) en/of

-een schildje, en/of

-een hanger (aan een koord), en/of

-een dodenmasker (gemaakt door [naam] ), en/of

-een brons gietwerk, en/of

-een zilveren masker, en/of

-een zilveren staander, en/of in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [aangever] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder 1 ten laste gelegde, nu – kort gezegd – de wederrechtelijkheid aan de toe-eigening van de geldbedragen ontbreekt. De verdediging stelt dat de toestemming niet is vastgelegd, maar ook geen nadere clausulering, waaruit zou kunnen volgen dat toestemming heeft ontbroken. Het ontbreken van een aangifte en de schriftelijke verklaringen zijn evidente contra-indicaties dat er geen toestemming zou zijn. Het handelen van verdachte is weliswaar onethisch en zeer onbetamelijk maar niet strafbaar.

Voorts dient verdachte naar het oordeel van de raadsman vrijgesproken te worden van het onder 2 ten laste gelegde, omdat het wettig bewijsminimum ontbreekt, nu verdachte ontkent de goederen te hebben gestolen en een aangifte of ander bewijsmiddel ontbreekt.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het onderhavige feit ontbreekt in het dossier een aangifte en er zijn evenmin in het dossier andere concrete aanwijzingen te vinden dat verdachte deze voorwerpen heeft gestolen. Daarbij heeft benadeelde [benadeelde partij] op vragen of zij de voorwerpen, zoals in de tenlastelegging omschreven, aan verdachte heeft gegeven, zoals hij heeft verklaard, wisselende en niet eenduidige verklaringen afgelegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering

Uit de bankafschriften blijkt dat van de bankrekening van [benadeelde partij] in anderhalf jaar tijd een bedrag is afgeschreven van rond de € 170.000,00. Verdachte heeft erkend dat hij deze bedragen telkens met de pinpas van [benadeelde partij] heeft opgenomen. Deels zijn bedragen gepind in het bijzijn van [benadeelde partij] op een wijze die valt af te leiden uit de camerabeelden, maar deels zijn bedragen door verdachte gepind, zonder medeweten en buiten aanwezigheid van [benadeelde partij] . Verdachte heeft hier zelf over verklaard dat hij enkele keren zonder medeweten of toestemming van [benadeelde partij] de pinpas mee naar huis nam en dan grote bedragen voor zichzelf opnam. Dit ging dan om bedragen van telkens € 1.000,00. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de pinpas van [benadeelde partij] heeft gebruik in gokhallen. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij [benadeelde partij] niet heeft ingelicht dat hij de pas op deze momenten mee naar huis had genomen en dat hij [benadeelde partij] ook niet heeft verteld over het gebruik van de pinpas op deze momenten.

Uit de verklaringen van [benadeelde partij] , zowel schriftelijk als mondeling, concludeert de rechtbank dat [benadeelde partij] aan verdachte toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar pinpas voor het doen van boodschappen, voor het betalen van benzine en huurauto’s en ook voor het opnemen van bedragen als verdachte dat nodig vond. [benadeelde partij] heeft daarbij verklaard dat zij het belangrijk vond dat verdachte normaal kon rondkomen en niet meer – naast zijn werkzaamheden voor haar als mantelzorger – hoefde te werken als slotenmaker. Uit de door [benadeelde partij] opgestelde schriftelijke verklaringen blijkt dat [benadeelde partij] dit verdachte gunde omdat zij hem als vriend zag die haar op een bijzondere wijze hielp. [benadeelde partij] wilde verdachte daarom financieel helpen.

De vraag rijst echter hoeveel geld [benadeelde partij] verdachte gunde en hoeveel [benadeelde partij] heeft beoogd te geven aan verdachte als vergoeding voor zijn aan haar verleende mantelzorg. Bij de beantwoording van die vraag slaat de rechtbank acht op de verklaringen van verdachte ten aanzien van de door hem gedane geldopnames. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij achteraf bezien – wat betreft de opgenomen bedragen – de realiteit uit het oog is verloren, gelet op wat hij voor [benadeelde partij] heeft gedaan. Ook heeft hij verklaard dat hij misbruik heeft gemaakt van de situatie en is doorgeschoten in het doen van geldopnames en dat het gebruik van de bankpas niet proportioneel is geweest. Gelet op deze verklaringen van verdachte en gelet op het feit dat [benadeelde partij] is geschrokken van de grote hoeveelheid geld die op was genomen van haar bankrekening, hetgeen voor haar aanleiding was om haar huisarts in te schakelen, gaat de rechtbank er vanuit dat er geen onbeperkte toestemming was (geen zogenoemde blanco cheque) van [benadeelde partij] aan verdachte om geld op te nemen van de bankrekening van [benadeelde partij] .
Dit vindt ondersteuning in de aangifte van van [aangever] , geregistreerd partner van [benadeelde partij] .

Uitgaande van de verklaring van [benadeelde partij] dat zij het belangrijk vond dat verdachte normaal rond kon komen gaat de rechtbank er, mede gelet op de levensstandaard van [benadeelde partij] , vanuit dat [benadeelde partij] verdachte een modaal inkomen gunde, hetgeen in de tenlastegelegde periode bij benadering kan worden gesteld op € 2.100,00 netto per maand.
Uitgaande van de tenlastegelegde periode (medio 2015 tot begin 2017) waarin verdachte [benadeelde partij] als (ongediplomeerd) mantelzorger heeft bijgestaan, zijnde ruim 18 maanden, gaat de rechtbank uit van een door [benadeelde partij] beoogde vergoeding van afgerond € 40.000,00.
Daarbij heeft verdachte ook bedragen van de bankrekening van [benadeelde partij] mogen opnemen voor boodschappen, autohuur en benzine en heeft hij verklaard dat hij [benadeelde partij] van het opgenomen geld ook geld gaf om van te leven. Niet kan worden vastgesteld om welk bedrag het hierbij gaat, echter gelet op al het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte, gelet op de periode dat hij [benadeelde partij] heeft bijgestaan, naar schatting een bedrag van maximaal € 50.000,00 gegund was, dat hij rechtmatig heeft mogen opnemen en besteden. Het meerdere is naar het oordeel van de rechtbank zonder toestemming en daarmee wederrechtelijk weggenomen door verdachte van [benadeelde partij] .

Zoals gezegd had verdachte de beschikking over de pinpas met de bijbehorende pincode van [benadeelde partij] en had hij toestemming om deze pinpas te gebruiken. Verdachte heeft de pinpas, echter ook gebruikt om veel meer bedragen te pinnen. Door dergelijk onrechtmatig gebruik van de pinpas en de pincode verworden die naar het oordeel van de rechtbank tot een valse sleutel die verdachte de toegang gaven tot het geld dat hij vervolgens telkens opnam en zich toe-eigende. Die grotere geldbedragen had verdachte niet rechtmatig onder zich. Aldus is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gekwalificeerde diefstal zoals primair ten laste is gelegd.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 4 augustus 2015 tot en met 14 februari 2017 te Alkmaar en Amsterdam en Bergen en Haarlem en Heemstede en Hollands Kroon en Hoofddorp en Schagen en Schiphol en Zandvoort telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [benadeelde partij] heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [aangever] , terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door telkens zonder toestemming van [benadeelde partij] of [aangever] middels gebruik van bankpas en pincode middels pintransacties en geldopnames geldbedragen op te nemen vanaf voornoemde bankrekening.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig (240) uren die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door honderdtwintig (120) dagen hechtenis, en daarnaast tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

6.2

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een bedrag van minst genomen
€ 100.000,00 van een vrouw van zeer hoge leeftijd (thans 93 jaar oud). Er zijn meerdere aanwijzingen in het dossier dat sprake is van beginnende dementie maar de rechtbank heeft geen diagnose dienaangaand in het dossier aangetroffen. De rechtbank constateert dat de benadeelde kort na de tenlastegelegde periode, op 10 mei 2017, door de kantonrechter onder bewind is gesteld wegens haar geestelijke toestand.

Als mantelzorger deed verdachte onder meer de boodschappen en andere klussen voor deze vrouw en had hij de beschikking over haar pinpas en pincode. Die pinpas heeft hij echter gebruikt om over een periode van ruim anderhalf jaar grote hoeveelheden geld van de bankrekening van het slachtoffer op te nemen. In totaal is in die periode ruim € 170.000,- euro opgenomen. Minst genomen meer dan € 100.000,00 heeft verdachte van dat bedrag zonder toestemming weggenomen en grotendeels gebruikt om te vergokken en om aan zijn gokschulden te kunnen voldoen.

Verdachte heeft zijn positie als mantelzorger dan ook ernstig misbruikt voor zijn eigen financiële gewin en wekt niet de indruk het laakbare van zijn handelen werkelijk in te zien. Daarmee heeft hij het in hem gestelde vertrouwen van een hulp- en vriendschap zoekende hoogbejaarde vrouw op een brutale wijze geschonden. Dat het slachtoffer, blijkens haar eigen verklaringen, weinig waarde toekent aan geld, maakt dit niet minder ernstig.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd
8 december 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 20 december 2018 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan de GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam.

In dit rapport komt onder meer het volgende naar voren.

Verdachte heeft zelf hulp gezocht in verband met zijn gokverslaving. Hij heeft behandeling doorlopen bij de Jellinek Curatieve Verslavingszorg in de periode van 2 augustus 2017 tot 6 december 2017 in verband met zijn gokverslaving. Ten tijde van de aanmelding was verdachte op eigen kracht reeds 5 maanden gestopt met gokken. Hij heeft vervolgens aangegeven dat poliklinische behandeling gericht op het gestopt blijven met gokken geen prioriteit meer had, nu hij al enkele maanden gestopt was.

De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf aan verdachte. Verdachte heeft bovendien aangegeven dat hij bereid en in staat is om een taakstraf uit te voeren.
Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering ziet geen mogelijkheden om middels een reclasseringstoezicht het recidiverisico verder in te perken.

Gelet op de ernst en aard van het feit is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf in beginsel passend en geboden is en dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die ( voorwaardelijke ) vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de datum waarop verdachte ter terechtzitting ter verantwoording is geroepen en het feit dat verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht en heeft doorlopen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van drie maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een taakstraf van 200 uur, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, passend en geboden is, met aftrek van voorarrest en bij niet voldoen te vervangen door 100 dagen hechtenis.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 156.531,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu hij heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 en 2 vrijgesproken dient te worden, de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft [getuige] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder een vordering tot schadevergoeding van € 151.439,00 ingediend wegens materiële schade die [benadeelde partij] als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. Ter zitting heeft [getuige] met verwijzing naar de bankafschriften aangegeven de vordering te verhogen tot € 170.000,00.

De rechtbank heeft geoordeeld dat naar schatting minimaal € 100.000,00 onrechtmatig is weggenomen van [benadeelde partij] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schade tot een bedrag van € 100.000,--rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 primair bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Deze kosten worden tot op heden gesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen [te weten: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERD (200) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door honderd (100) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden materiële schade tot een bedrag van € 100.000,00, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.000,00, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter,

mr. M. Goedhuis-Visser en mr. P.H.B. Littooy, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2019.

Mr. Goedhuis-Visser en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 4 januari 2019 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Ik heb tegen [benadeelde partij] gezegd dat ik dingen voor haar wilde doen, maar dat ik dan geen inkomsten zou hebben. Ze zei toen dat ze genoeg geld had en mij wel wilde betalen. Ze heeft toen gezegd dat ik haar pinpas met pincode mocht gebruiken. Ik wilde dat ze daar iets van op papier zou zetten. [benadeelde partij] heeft vervolgens een verklaring opgesteld voor [aangever] omtrent de toestemming aan mij voor het gebruik van haar pinpas. Ik meen dat dat medio juli, augustus 2015 is geweest.

In die verklaring staat inderdaad niet tot welke hoogte ik geldbedragen mocht opnemen. Er staat ook geen datum boven, dat is vergeten. Er is over de inhoud van de verklaring niet genoeg nagedacht.

Vanaf juli 2015 heb ik haar pinpas gebruikt. Het idee was dat ik van tijd tot tijd geld van haar rekening zou opnemen. Dit betrof haar rekening met nummer [rekeningnummer] . Ik ben daarin, achteraf bezien, in doorgeschoten. Het was niet proportioneel.

Op 14 februari 2017 ben ik inderdaad met [benadeelde partij] bij het ING-filiaal in Schagen geweest. Je kunt tot een bepaald bedrag pinnen en bij de balie kunnen ze de limiet verhogen. Ik denk dat de limiet € 1000,- is. Om de limiet te kunnen verhogen overhandigde [benadeelde partij] haar bankpasje en paspoort aan de bankmedewerker. Vervolgens gingen we naar de pinautomaat en namen geld op. Ik pakte het geld uit de automaat. [benadeelde partij] kreeg daarvan een klein deel. Zij gaf niet om geld. Er werd toen € 4800,- gepind, waarvan [benadeelde partij] een paar honderd euro kreeg. De rest was voor mij.

Het klopt dat ik af en toe de pinpas van [benadeelde partij] mee naar huis nam. Ik denk dat ik dan geld nodig had om te vergokken. Ik vertelde haar niet dat ik deze bedragen opnam.
Ik schaam me daarvoor. Ik denk dat ik daarin ben doorgeschoten.

Een proces-verbaal van aangifte (pagina 219 t/m 221). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 21 februari 2017 door aangever [aangever] , namens [benadeelde partij] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

(pagina 219) Ik doe aangifte van verduistering. Een man die ik ken als [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) en omgaat met mijn tante [benadeelde partij] neemt grote geldbedragen op van de rekening van mijn tante [benadeelde partij] . Mijn tante en ik zijn na het overlijden van mij oom een geregistreerd partnerschap aangegaan. Dit was vooral om fiscale redenen. Het partnerschap is in gemeenschap van goederen. Alles wat van mijn tante is dus ook van mij.

(pagina 220) Ongeveer twee jaar geleden is [verdachte] in het leven van mijn tante gekomen.

Ik wist dat [verdachte] een bankpasje van mijn tante mocht gebruiken om boodschappen voor haar te doen. Zover ik weet had bij geen toestemming om andere uitgaven met de bankpas te doen.

Mijn tante weet niet meer hoe een pinpas en geldautomaat werkt, dus die zal de bedragen niet zelf hebben gepind. Aangezien [verdachte] de enige is die verder over een bankpas van de rekening van mijn tante beschikt kan het niet anders dan dat hij de opnames heeft gedaan.

Gezien het feit dat mij tante en ik geregistreerd partner zijn moet er bij dit soort grote opnames op zijn minst met mij overlegd worden om dit te kunnen doen. Er is door mijn tante op geen enkele manier overlegd voordat de opnames werden gedaan.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 269 t/m 271). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 februari 2017 door getuige [getuige] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

(pagina 269) Ik ben belastingadviseur en behartig, volgens mij sinds 2001, de belangen voor mevrouw [benadeelde partij] .

(pagina 270) Ergens rond augustus 2016 nam mevrouw [benadeelde partij] contact met mij op dat ze wilde scheiden van [aangever] . Er moest toen veel gebeuren omdat er meerdere stukken onroerend goed en diverse rekeningen zijn. Om inzage te krijgen in alle rekeningen moest ik gemachtigd worden bij de privé rekeningen van [benadeelde partij] . Toen ik eenmaal de inzage had ben ik gaan rekenen en zag ik dat er vanaf augustus 2015 tot en met heden ongeveer 172.000 euro van de rekening van [benadeelde partij] is opgenomen. Het betroffen allemaal geldopnames bij een pinautomaat of aan een balie van een bank. Het is voor mij duidelijk dat [benadeelde partij] niet persoonlijk dit geld heeft opgenomen. Ze weet niet hoe ze moet opgaan met een pinautomaat. Ik weet nog dat [benadeelde partij] tegen mij zei dat ze [verdachte] een pasje had gegeven van haar betaalrekening van de ING bank.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen d.d. 13 februari 2017 (pagina 18 t/m 22). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van [verbalisant] :

(pagina 19) Op 14 februari 2017 heb ik telefonisch contact gehad met de huisarts van mevrouw [benadeelde partij] , [huisarts] . Zij vertelde mij het volgende:

Vorige week, tijdens een helder moment, vroeg [benadeelde partij] mij op een gegeven moment of ik in haar financiële papieren mee wilde kijken want er stonden wel erg veel duizendjes op het afschrift. Ik zag dat er gepind was in Amsterdam, Anna Paulowna en Den Helder. Ik zag dat dit om grote bedragen ging van meer dan duizend euro. Ook haar pensioen van ongeveer 2.400 euro is meteen afgeschreven. [benadeelde partij] vertelde mij dat ze zich vaag kon herinneren dat ze [verdachte] toestemming had gegeven om eens iets extra’s van de rekening af te halen. Ze heeft echter geen toestemming gegeven om er zulke grote bedragen af te halen.

Op 15 februari 2017 ben ik samen met de huisarts, [huisarts] , naar de woning van mevrouw [benadeelde partij] gegaan, aan de [adres] .

(pagina 20) Ik heb [benadeelde partij] gevraagd of ik de afschriften mocht zien. Ik zag dat er dagelijks 1.000 euro werd afgeschreven. Ook zag ik dat er een binnengekomen bedrag van ongeveer 8000 euro op stond en dat er meer dan 11.000 euro was afgeschreven in januari 2017. Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat [verdachte] van deze rekening een pas heeft.

Ik vroeg aan [benadeelde partij] of zij iemand toestemming had gegeven om zoveel geld te pinnen. Zij vertelde dat [verdachte] haar bankpas had en dat hij benzine en boodschappen kon betalen van die rekening. Ze had geen toestemming gegeven voor grote bedragen. Ik hoorde mevrouw [benadeelde partij] ook zeggen dat ze het belangrijk vond dat [verdachte] normaal rond kon komen en niet meer hoefde te werken als slotenmaker. Dit verdiende niet heel goed volgens mevrouw [benadeelde partij] .

Een proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2017 (pagina 36-37). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant:

Ik heb op 13 maart 2017 met mevrouw [benadeelde partij] gesproken, in aanwezigheid van [aangever] . Ik heb mevrouw [benadeelde partij] tijdens het gesprek het volgende horen zeggen:

  • -

    Ze het vervelend vindt voor [verdachte] dat hij zijn geld moet verdienen als slotenmaker

  • -

    Ze tegen [verdachte] wel eens heeft gezegd dat hij wel wat voor zichzelf mocht kopen als hij boodschappen voor haar deed of dingen voor haar regelde.

  • -

    Zij geld niet belangrijk vindt

  • -

    Zij zich niet kan herinneren dat zij grote bedragen samen met [verdachte] heeft opgenomen bij de bank en waarvoor dat bedoeld was.

  • -

    Bij de confrontatie van een opname van wel 100.000,00 euro in totaal wel heel verbaasd reageerde

  • -

    Dat [verdachte] haar pincode van haar bankpas wel van haar heeft gekregen omdat hij haar bankpas soms wel eens moest gebruiken om dingen te regelen.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen van 5 maart 2017 (pagina 25, 26). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Op 2 maart 2017 heb ik van de ING-bank een link ontvangen waarmee ik de beelden van
14 februari 2017 heb kunnen downloaden. Deze beelden zijn afkomstig van de beveiligingscamera’s in het ING filiaal in Schagen van 14 februari 2017.

Op de beelden zag ik dat [benadeelde partij] in een rolstoel het filiaal binnen kwamen werd voortgeduwd door een man met grijs haar. Ik herkende deze man als verdachte [verdachte] .

Ik zag dat [benadeelde partij] haar bankpas en haar paspoort op de balie legt. Deze worden door de baliemedewerker vastgepakt en er wordt door hem handelingen aan de computer verricht. Nadat ze aan de balie waren geholpen zag ik ze verplaatsen naar de geldautomaat binnen in het filiaal. De benadeelde werd door de verdachte in haar rolstoel recht tegenover de geldautomaat neergezet. De verdachte staat er min of meer schuin achter. Ik zag dat de klep van de geldautomaat open ging en dat de verdachte het geld uit de automaat pakte. Vervolgens overhandigt hij wat aan de benadeelde.

Uit de bankafschriften van de benadeelde blijkt dat er op dat moment een eenmalige verhoging van de maximale pintransactie is gedaan en er vervolgens 4.800 euro opgenomen bij de geldautomaat die binnen in het pand aanwezig is.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen d.d. 22 maart 2017 (pagina 30, 31). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

(pagina 30) Het betreft hier de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer] van augustus 2015 tot en met februari 2017.

Bankafschriften 2017:

Van 1 januari 2017 tot en met 15 februari 2017 (bankpas volgnummer 004)

- 12 pintransacties van in totaal 22.500 euro

- Schagen 6 GB opnames

- Schagen 1 GB opname en 2 x PK (9.500 en 4.800)

- Haarlem 1 GB opname

Bankafschriften 2016:

Van 1 januari 2016 tot en met 30 december 2016

Van 1 januari 2016 tot en met 14 juli 2017 (bankpas volgnummer 003)

Van 20 juli 2016 tot en met 30 december 2017 (bankpas volgnummer 004)

- 110 GB pintransacties van in totaal 59.710 euro

- 13 PK pintransacties van in totaal 61.000 euro

- Haarlem 61 GM opnames

- Anna Paulowna 36 GB opnames

- Schagen 1 GB opname en 6 PK opnames

- Alkmaar 1 PIK opname

- Amsterdam 3 GB opname

- Heemstede 1 GB opname en 5 PK opnames

- Zandvoort 4 GB opname

- Bergen Breelaan 1 PK opname

- RABO Noord Kennemerland 1 GB opname

- RABO Kop van Noord 2 GM opname

Bankafschriften 2015:

Van 3 augustus 2015 tot en met 31 december 2015

Van 3 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 (bankpas volgnummer 002)

van 24 augustus 2015 tot en met 31 december 2015 (bankpas volgnummer 003)

- 80 GB pintransacties van in totaal 24.320 euro

- 6 PIK pintransacties van in totaal 10.450 euro

- Heemstede 5 opnames en 1 PK opname

- Amsterdam 4 opnames

- Schiphol 1 opname

- Haarlem 49 opnames

- Hoofddorp 19 opnames

(pagina 31) In totaal is er van de betreffende bankrekening in de periode van 4 augustus 2015 tot en met 14 februari 2017 een totaal bedrag gepind van 177.980,- euro.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen d.d. 18 mei 2017 (pagina 123). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

In tapgesprek 263 tussen [verdachte] en zijn zoon [naam] is te horen dat [verdachte] zegt dat hij denkt dat hij in de afgelopen twee en een half jaar 250.000 euro heeft “genomen” van [benadeelde partij] . Hij zegt in dit gesprek dat hij niet goedkoop is en dat hij o.a. kosten heeft gemaakt. Vervolgens confronteert zijn zoon hem dat er anderhalve ton overblijft die hij dan voor iets anders moet hebben gebruikt. Hierop antwoord [verdachte] dat dit inkomsten zijn over twee en een half jaar.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 284 t/m 293). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 6 juni 2018 door verdachte ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

(pagina 289) Ik ken [benadeelde partij] van ongeveer twee en een half jaar geleden.

(pagina 291) Ik heb inderdaad haar bankpas gebruikt en ik heb daarmee veel geld uitgegeven en ik heb ook veel geld van haar gekregen. En misschien is dat niet proportioneel geweest.

(pagina 292) Vanaf juli 2015 maakte ik denk ik gebruik van haar bankpas.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 294 t/m 299). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 7 juni 2018 door verdachte ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

(pagina 295) Ik denk dat over twee en half jaar best wel eens boven de 200.000 euro kan zijn opgenomen. De helft zal ik voor eigen gebruik hebben opgenomen. Ik gebruikte haar pinpas vanaf juni 2015. Ik wist haar pincode. Ik nam de pinpas een enkele keer mee naar huis.

(pagina 296) De keren dat ik de pinpas mee naar huis had, heb ik ook grote bedragen voor mezelf opgenomen. Misschien wel keren van 1000 euro. Dat was van de ING privérekening van [benadeelde partij] . Ik vertelde het niet aan [benadeelde partij] als ik de pinpas mee naar huis nam.

(pagina 297) Een groot gedeelte van het geld wat ik had heb ik vergokt. Misschien is dat wel 90.000 euro geweest. Ik heb het ook gebruikt om op vakantie te gaan.

Ik heb de pinpas ook gebruikt in de gokhal in Zandvoort.

(pagina 298) Ik heb [benadeelde partij] niet verteld dat ik haar geld uitgaf aan gokken.

Verbalisant: 14 februari 2017 is er 4.800 euro overgemaakt van haar spaarrekening naar haar betaalrekening en is direct opgenomen. Er is 24 januari 2017 een bedrag van 9.500 euro van haar spaarrekening overgemaakt naar haar betaalrekening. Deze is toen direct opgenomen.

Verdachte: Klopt. Dat geld is verspeeld, meer dan 20.000 euro. Ja, dat is dan ook debiel.

Verbalisant: Op 1 december 2016 wordt er 3.900 euro gepind in Schagen.

Verdachte: Ik neem aan dat dat ook wel vergokt is.

Verbalisant: Op 25 oktober 2016 wordt er 6.900 euro gepind in Bergen.

Verdachte: Dat klopt, heb ik ook vergokt.

Verbalisant: Op 6 oktober wordt er in Schagen 10.000 euro opgenomen.

Verdachte: Dat klopt, heb ik ook groot gedeelte van vergokt.

Verba: Op 27 september 2017 wordt er in Schagen 4.500 euro opgenomen.

Verdachte: Dat klopt, heb ik ook groot gedeelte van vergokt.

Verba: Op 24 augustus wordt er 9.500 euro opgenomen in Schagen.

Verdachte: Dat klopt, heb ik ook vergokt.

Volgens mij heb ik [benadeelde partij] niet altijd gezegd wat ik daar mee ging doen. Als ik dit zo terug zie, vind ik het een hoop geld. Met inachtneming van wat er tegenover staat in de vorm voor

wat ik voor [benadeelde partij] heb gedaan ben ik de realiteit wat uit het oog ben verloren.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 300 t/m 306). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 7 juni 2018 door verdachte ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

(pagina 301) Een groot gedeelte van het geld wat ik voor eigen gebruik hebt gekregen of hebt opgenomen, heb ik vergokt. Ik schat het zelf in wel 90.000 euro.

(pagina 303) Verbalisant: In december 2015 wordt er met de bankpas van [benadeelde partij] , 17 keer gepind op dezelfde automaat binnen een aantal uren. Dit is in Hoofddorp geweest.

Verdachte: ja, dat klopt. Dat zit een gokhal en daar heb ik gegokt. Ik gokte ook in Zandvoort, Egmond en IJmuiden.

(pagina 304) Verbalisant: Je hebt bedragen opgenomen waarvan [benadeelde partij] niet eens van wist hoeveel dat was.

Verdachte: Ja, dat klopt. Ik heb enkele keren haar pinpas mee naar huis genomen en haar daar niet over ingelicht. Ik heb bedragen opgenomen voor eigen gebruik en heb haar daar niet over ingelicht.

(pagina 306) Ik vind het onverantwoordelijk van mij.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 318 t/m 327). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 8 juni 2018 door verdachte ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

(pagina 325) Ik heb inderdaad misbruik gemaakt van de situatie. Ik heb over dingen gelogen en ik heb dingen verzwegen om te voorkomen dat andere mensen hiervan op de hoogte waren. Ik heb met opzet niemand verteld over de bedragen die ik opnam met de bankpas van [benadeelde partij] uit schaamte.