Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3247

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
7378030 CV EXPL 18-5944
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verlaten van parkeergarage door achter voorganger aan te rijden, het zogenaamde "treintje rijden" (non dupliek)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 7378030 \ CV EXPL 18-5944

Uitspraakdatum: 21 maart 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Q-Park Operations Netherlands B.V.

gevestigd te Maastricht

eiseres

verder te noemen: Q-Park

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederende in persoon.

1 Het procesverloop

1.1.

Q-Park heeft bij dagvaarding van 20 november 2018 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

Q-Park heeft hierop schriftelijk gereageerd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd.

2 De vordering

2.1.

Q-Park vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 391,58, vermeerderd met verdere rente en kosten. Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten (parkeer-)overeenkomst, doordat hij zich op 3 mei 2018 te 17.25 uur schuldig heeft gemaakt aan treintje rijden en de parkeergarage AMSTERDAM-Amsterdamse Poort P24 zonder te betalen heeft verlaten. [gedaagde] is volgens Q-Park op grond van de Algemene Voorwaarden Parkeren daarom aan Q-Park het tarief van een verloren kaart (zijnde de verschuldigde parkeerkosten) ad € 40,50 verschuldigd, en een boete van € 300,00 per keer treintje rijden. Verder vordert Q-Park een bedrag van € 51,08 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3 Het verweer

3.1.

[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] voert aan – samengevat – dat hij met zijn auto per ongeluk op het parkeerterrein op Schiphol is beland en deze locatie direct wilde verlaten. Toen het [gedaagde] niet was gelukt om het parkeerterrein te verlaten via de slagboom heeft hij op de intercom gedrukt. Reactie van Q-Park bleef echter uit. [gedaagde] had haast, zodat hij het parkeerterrein heeft verlaten door achter iemand aan te rijden. [gedaagde] heeft in reactie op de brief van Q-Park gevraagd of er geen beeldmateriaal was van het moment dat hij met zijn auto het terrein kwam oprijden of dat hij de intercom heeft ingedrukt. [gedaagde] erkent dat het zijn auto is op de foto. Het verweer van [gedaagde] is daartoe beperkt gebleven, omdat hij niet heeft gereageerd op de conclusie van repliek.

4 De beoordeling

4.1.

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft Q-Park de vordering verder onderbouwd. Daarbij is ook ingegaan op het verweer van [gedaagde]. Het beeldmateriaal laat zien dat de gedraging (treintje rijden) heeft plaatsgevonden in de parkeeraccommodatie Amsterdam-Amsterdamse Poort P24 met de auto van [gedaagde] (Opel Astra-g-cc x16szr) met kenteken [kenteken]. Uit log-gegevens van Q-Park is niet gebleken dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de intercom.

4.2.

Nu uit die onderbouwing blijkt hoe de vordering van Q-Park is opgebouwd en [gedaagde] daarop niet meer heeft gereageerd en daar dus ook geen bezwaren tegen heeft aangevoerd, is de vordering van Q-Park in beginsel toewijsbaar.

4.3.

Q-Park heeft in haar algemene voorwaarden, de Algemene Voorwaarden Parkeren, voorschriften opgenomen over de betaling van parkeergeld en over een boete in geval van ‘treintje rijden’.

4.4.

In artikel 6.3. van de Algemene Voorwaarden Parkeren staat:

‘Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “ verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-) schade.’.

4.5.

Over de artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden overweegt de kantonrechter dat hij op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad ambtshalve dient te beoordelen of een beding in algemene voorwaarden behorend bij een, zoals hier, met een consument aangegane overeenkomst, onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG jo. punt e van de bij die richtlijn behorende bijlage is, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is hij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. Q-Park heeft gemotiveerd bepleit dat de bedingen niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn zijn. Deze beogen volgens Q-Park primair ‘treintje rijden’ te voorkomen en voor een voldoende preventieve werking is vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is, terwijl er geen ander middel is om dit gedrag tegen te gaan dat even effectief is als een boetebeding. Het ‘treintje rijden’ leidt tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage en door dat gedrag lijdt Q-Park schade. Niet alleen loopt zij hierdoor inkomsten mis, maar ook heeft zij kosten moeten maken door investeringen in dure camerasystemen voor scherpe detectie van het ‘treintje rijden’. Zij heeft derhalve groot belang bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude. Ter bestrijding van dit probleem heeft zij in artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan. De inkomsten van het boetebeding worden gebruikt om maatregelen te nemen ter voorkoming en vervolging van ‘treintje rijden’. De boete is ook redelijk ten opzichte van de in het verleden gedane en in de toekomst nog noodzakelijke investeringen, aldus Q-Park.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking van het boetebeding, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat [gedaagde] voor heeft gekozen de parkeergarage op ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van haar kosten en schade door dergelijk gedrag (in zijn algemeenheid), een beding wat zulk gedrag, bij wege van (afschrikwekkende) prikkel tot nakoming, sanctioneert met een boete van € 300,- niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn is.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering wordt toegewezen.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park van € 391,58 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 mei 2018 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Q-Park tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 84,21

griffierecht € 119,00

salaris gemachtigde € 144,00;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter