Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3157

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-04-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
18/2730
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemachtigde slaagt niet in het door hem te leveren bewijs dat verweerder op grond van het gelijkheids- dan wel vertrouwensbeginsel gehouden is een juiste wetstoepassing achterwege te laten met betrekking tot door acteur voor zijn werkzaamheden ontvangen gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-05-2019
FutD 2019-1313
V-N Vandaag 2019/1152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.259. Tevens heeft verweerder bij beschikking € 614 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde heeft bij schrijven van 28 januari 2019 bericht dat eiseres verhinderd is ter zitting van 20 maart 2019 te verschijnen. Een afschrift van deze brief is aan verweerder gezonden.

De gemachtigde heeft vóór de zitting een als pleitnota aangeduid stuk ingezonden. Een afschrift daarvan is aan verweerder gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019, alwaar is verschenen namens eiseres haar gemachtigde en namens verweerder mr. S.F. Mamman mr. drs. B.J.E. Lodder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is werkzaam als actrice. Eiseres werkte in 2013 op basis van arbeidsovereenkomsten tussen door eiseres en organisaties op het gebied van theaterproducties.

2. Een deel van de krachtens deze arbeidsovereenkomsten genoten inkomsten heeft eiseres in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 opgenomen als omzet van een door haar gedreven onderneming.

3. Verweerder heeft de gemachtigde bij brief van 7 september 2015 onder meer het volgende geschreven:

“Uit mijn informatie zijn de volgende looninkomsten bekend:

Inhoudingsplichtige

€ 17

€ 0

Stichting [A STICHTING]

€ 12.001

€ 4.617

Stichting [B STICHTING]

€ 14.579

€ 5.395

Stichting [C STICHTING]

€ 4.614

€ 1.602

UWV

€ 952

€ 320

UWV

46.336

18.720

Stichting [D STICHTING]

€ 78.492

€ 30.654

Totaal

In de verlies- en winstrekening blijkt mij dat de aangegeven omzet € 58.320 is. Geen looninkomsten worden in de aangifte aangegeven. Het lijkt er op dat u de inkomsten van Stichting [B STICHTING] en Stichting [D STICHTING] tot de omzet heeft gerekend. Alle overige inkomsten zijn in het geheel niet in de aangifte opgevoerd.”

Geschil

4. Tussen partijen is in geschil of verweerder gehouden is om op grond van bij de Belastingdienst gevoerd beleid ten aanzien van acteurs en andere uitvoerende kunstenaars, de door eiseres voor haar werkzaamheden genoten inkomsten te kwalificeren als omzet en daarmee als winst uit onderneming, zodat zij recht heeft op de ondernemersfaciliteiten. Indien het gelijk op dit punt aan verweerder is, is subsidiair in geschil of verweerder in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten.

5. De gemachtigde stelt dat hij, als adviseur van vele artiesten, bekend is met beleid bij de Belastingdienst voor deze groep belastingplichtigen. Dit beleid houdt in dat de door artiesten genoten inkomsten (direct dan wel indirect via absorptie) worden gekwalificeerd als omzet. De gemachtigde heeft ter onderbouwing van zijn stelling gegevens van andere belastingplichtigen ingebracht. Voor zover in de pleitnota een beroep is gedaan op andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft de gemachtigde dit beroep ter zitting ingetrokken.

6. Verweerder heeft dit standpunt van eiseres betwist. Hij ontkent dat sprake is (geweest) van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging, en stelt dat eiseres met de door de gemachtigde overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat een of meer van de door de gemachtigde genoemde belastingplichtigen in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als eiseres. Voor zover al sprake is geweest van vergelijkbare activiteiten die bij andere belastingplichtigen als winst uit onderneming zijn gekwalificeerd, is sprake van een fout.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Gelijkheidsbeginsel

8. De gemachtigde heeft gesteld dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven op grond van niet gepubliceerd beleid of een oogmerk van begunstiging door verweerder. Voor zover geen sprake is geweest van beleid, zo stelt de gemachtigde subsidiair, is in de meerderheid van de met eiseres vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

De gemachtigde stelt dat hij vanaf 1995 voor honderden uitvoerende artiesten heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen IB/PVV alsnog te verlagen in verband met de te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens de gemachtigde om artiesten met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake is van absorptie van looninkomsten door winst uit onderneming. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de gemachtigde een groot aantal bijlagen overgelegd die betrekking hebben op andere cliënten van hem. Hiermee, zo stelt de gemachtigde, is voldoende aannemelijk gemaakt dat in vergelijkbare gevallen de inkomsten als winst uit onderneming zijn aangemerkt en de zelfstandigenaftrek is verleend.

9. Verweerder verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 mei 2018, ECLI:GHAMS:2018:1695. In deze uitspraak, waarin de belastingplichtige (aangeduid als ‘belanghebbende’) werd bijgestaan door dezelfde gemachtigde als die van eiseres, is onder meer het volgende opgenomen:

“Belanghebbende heeft gesteld dat haar gemachtigde vanaf 1995 voor honderden acteurs en musici heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen IB/PVV alsnog te verlagen in verband met te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens belanghebbende om artiesten (of musici) met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake is van absorptie van looninkomsten in de winst uit onderneming. In haar nader stuk in hoger beroep heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht, zoals weergegeven onder 2.8. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde verduidelijkt dat belanghebbende zich hiermee heeft willen beroepen op de zogenoemde meerderheidsregel; in de meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen is volgens belanghebbende een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

5.4.2. De inspecteur heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Primair heeft hij het standpunt ingenomen dat belanghebbende met de door haar in hoger beroep overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen in gelijke omstandigheden verkeerden als belanghebbende. Subsidiair heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat, indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat er twee of meer gelijke gevallen zijn waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, de relevante groep binnen het ambtsgebied van de inspecteur waarin de wet in de relevante periode juist is toegepast groter is, in voorkomende gevallen alsnog een navorderingsaanslag kan en zal worden opgelegd en in een meerderheid van die gevallen sprake is geweest van een juiste wetstoepassing. Voor het geval dat het Hof aan zijn subsidiaire stelling toekomt, heeft de inspecteur het Hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld hiervan nader bewijs bij te brengen.

5.4.3. Het Hof oordeelt als volgt. Indien een belanghebbende een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient hij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met het geval van belanghebbende vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van de inspecteur) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van de inspecteur om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, BNB 2000/278, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, BNB 2007/3, r.o. 3.3.2).

5.4.4. Belanghebbende heeft met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerden als belanghebbende, laat staan dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door belanghebbende overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door belanghebbende genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van belanghebbende met het Productiehuis en dat de door hen genoten inkomsten (desondanks) door de inspecteur zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden (zoals het op de juiste wijze toepassen van het absorptiecriterium). Het standpunt van belanghebbende dat zij voor het door haar te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat zij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan zij stukken heeft overgelegd, te weten podiumkunstenaar waarvan de looninkomsten onder de winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Reeds op deze gronden dient belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van het door de inspecteur (subsidiair) gedane bewijsaanbod.”

10. De rechtbank verwijst naar het onder 5.4.3 opgenomen oordeel van het gerechtshof Amsterdam en maakt dat tot haar eigen oordeel. Op gelijke gronden als de door het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak onder 5.4.4 gebezigde gronden acht de rechtbank de gemachtigde thans evenmin geslaagd in het door hem te leveren bewijs. De rechtbank volstaat om die reden met een verwijzing naar dit onderdeel van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam.

Slotsom

11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.