Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:3140

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
15.198429.18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vier jaar gevangenisstraf opgelegd aan een 33-jarige man voor het veroorzaken van een zeer ernstig verkeersongeval op 6 oktober 2018 op de snelweg A44 in de gemeente Haarlemmermeer en voor het feit dat hij na dit ongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten door een naast de snelweg gelegen veld in te vluchten. Ook mag hij vijf jaar lang geen auto besturen, ingaand nadat hij zijn straf heeft uitgezeten. Bij het ongeval waren meerdere auto’s betrokken en kwamen een 66-jarige man en zijn 62-jarige vrouw om het leven en raakte een man van 48 jaar zwaargewond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.198429.18 (P)

Uitspraakdatum: 16 april 2019

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

2 april 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [justitieel complex] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de A 44, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

- na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of een of meer verdovende middelen - roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid te rijden en -na een op de linker rijstrook voor hem rijdende personenauto te schampen- (met grote impact) tegen een voor hem rijdende personenauto (merk Kia, kenteken [kenteken] ) te botsen of aan te rijden,

waardoor de inzittenden van die personenauto (merk Kia) (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) werden gedood,

en/of

de bestuurder (genaamd [slachtoffer 3] ) van een voor die aangereden personenauto rijdende en na de botsing door die personenauto geraakte personenauto (merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) zwaar lichamelijk letsel (te weten een ernstige whiplash van de nek en halswervels en een zware kneuzing van het linker sleutelbeen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer op/aan de A44, op of omstreeks 6 oktober 2018 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) is/zijn gedood.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op zaterdag 6 oktober 2018, omstreeks 18.35 uur, heeft op de A44 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, een zeer ernstig verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij vier personenauto’s waren betrokken. Verdachte, bestuurder van een Audi S6, heeft daarbij met een snelheid van 195 km/u eerst op de linker rijstrook een Audi A4 aan de rechterachterzijde geschampt en is vervolgens naar rechts uitgeweken. Op die rechter rijstrook reed een Kia met twee inzittenden, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De Audi S6 waarin verdachte reed, heeft zich vervolgens met een zeer hoge snelheid in de achterkant van de Kia geboord. Door die klap heeft de Kia de daarvoor rijdende Suzuki, met daarin één inzittende, genaamd [slachtoffer 3] , geraakt. De Suzuki is als gevolg daarvan in een slip terecht gekomen en tegen de vangrail aangereden. De auto is daarbij op de linkerzijde terecht gekomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben het ongeval niet overleefd. Zij zijn ter plaatse overleden. [slachtoffer 3] heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel bekomen. Vlak na het ongeval heeft verdachte zich eerst enige tijd bij de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten opgehouden. Daarna is hij een veld ingelopen en heeft zich daar schuil gehouden. Na zijn aanhouding is het bloedalcoholgehalte bij verdachte bepaald. De gemeten concentratie ethanol in bloed (na wettelijke correctie) bedroeg 1,27 mg/ml. In verband met de verstreken tijd tussen het ongeval en de afname van bloed bij verdachte, heeft een herberekening plaatsgevonden en hieruit volgt dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van het ongeval waarschijnlijk gelegen zal hebben tussen 1,5 en 1,9 mg/ml. Voorts zijn er resten van MDMA, MDA en cocaïne in het bloed van verdachte aangetroffen.

4 Partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat geen sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel in de tenlastelegging worden vrijgesproken.

5 Bewijs

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘roekeloos’. Wel is volgens haar sprake van grove schuld, in de zin dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. De officier van justitie heeft daartoe - samengevat weergegeven - aangevoerd dat verdachte met een zeer hoge snelheid heeft gereden, terwijl hij onder invloed was van een forse hoeveelheid alcohol en drugs. Door deze gedragingen van verdachte is hij verantwoordelijk voor het ongeval en zijn de gevolgen ervan hem volledig toe te rekenen.

De officier van justitie heeft tevens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – gelijk de officier van justitie – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van roekeloosheid. Wel is sprake van schuld in de zin dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Beide feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend, door of namens hem geen vrijspraak is bepleit en de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel is dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘roekeloos’ – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het proces-verbaal onderzoek plaats ongeval van de Dienst Regionale Recherche VerkeersOngevallenAnalyse, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 28 december 2018 (dossierpagina’s 27-51);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 7 oktober 2018 (dossierpagina 60);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 6 oktober 2018 (dossierpagina’s 64-65);

  • -

    het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) snelheidsbeoordeling n.a.v. verkeersongeval Rijksweg A44 bij Nieuw-Vennep op 6 oktober 2018 met bijlagen d.d. 4 maart 2019, opgesteld door [verbalisant] (los bijgevoegd);

  • -

    het tussenrapport 'Alcohol in het verkeer' van het NFI, opgesteld door [verbalisant] d.d. 17 oktober 2018 (dossierpagina’s 142-144);

  • -

    het rapport herberekening bloedalcoholgehalte van het NFI, opgesteld door [verbalisant] d.d. 22 oktober 2018 (dossierpagina’s 145-148);

  • -

    het rapport alcohol en drugs in het verkeer van het NFI, opgesteld door [verbalisant] d.d. 5 november 2018 (dossierpagina’s 149-151);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 28 december 2018 (dossierpagina 183);

  • -

    het schouwverslag inzake [slachtoffer 1] d.d. 7 oktober 2018, opgesteld door drs. P.J.C. Köhne (dossierpagina’s 193-194);

  • -

    het schouwverslag inzake [slachtoffer 2] d.d. 7 oktober 2018, opgesteld door drs. P.J.C. Köhne (dossierpagina’s 196-197);

  • -

    de medische verklaring inzake [slachtoffer 3] d.d. 8 maart 2019, opgesteld door [fysiotherapeut] , fysiotherapeut (los bijgevoegd).

5.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.
hij op 6 oktober 2018 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de A 44, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

- na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en verdovende middelen - zeer onvoorzichtig en onoplettend,

met een niet toegestane en zeer onverantwoord hoge snelheid te rijden en - na een op de linker rijstrook voor hem rijdende personenauto te schampen - met grote impact tegen een voor hem rijdende personenauto (merk Kia, kenteken [kenteken] ) te botsen, waardoor de inzittenden van die personenauto (merk Kia), genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , werden gedood, en de bestuurder, genaamd [slachtoffer 3] , van een voor die aangereden personenauto rijdende en na de botsing door die personenauto geraakte personenauto (merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een ernstige whiplash van de nek en halswervels en een zware kneuzing van het linker sleutelbeen werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer op de A44, op 6 oktober 2018 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijn gedood.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander werd gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet;

2.

Overtreding van artikel 7, lid 1, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8 Motivering van de sanctie

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest en een ontzegging om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht de aan verdachte op te leggen straf voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen onder de bijzondere voorwaarden die de reclassering in haar rapport heeft genoemd. De raadsman is van mening, anders dan verdachte, dat het van belang is dat verdachte hulp krijgt bij zijn (verslavings)problematiek. Ten aanzien van de ontzegging om motorrijtuigen te besturen, heeft de raadsman bepleit deze ontzegging in duur te beperken omdat verdachte voor het uitoefenen van zijn werkzaamheden als aannemer afhankelijk is van zijn rijbewijs.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 6 oktober 2018, na gebruik van een forse hoeveelheid alcohol en drugs in zijn Audi S6 gestapt en heeft op de A44, waar een maximumsnelheid van 120 km/u geldt, met een enorm hoge snelheid van rond de 195 km/u een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , een echtpaar, zijn overleden en één persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De door verdachte gereden snelheid maakte, mede gelet op het onderlinge verschil in snelheid met de Kia met daarin het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dat de botsing op die Kia een enorme impact heeft gehad. Zoals later is gebleken is het echtpaar ter plekke als gevolg van die botsing overleden. Door de botsing kwam de Kia vervolgens met een forse snelheid veroorzaakt door de eerdere botsing, in aanraking met de Suzuki van [slachtoffer 3] die daardoor in een slip raakte en op de zijkant terecht kwam. [slachtoffer 3] heeft door het ongeval een ernstige whiplash van de nek- en halswervels opgelopen en zware kneuzingen aan schouder, bovenarm en sleutelbeen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor twee mensen uit het leven zijn gerukt en een ander persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft daarmee de nabestaanden van het overleden echtpaar groot en onherstelbaar leed aangedaan. Gezinnen moeten daardoor hun vader en moeder missen, maar ook hun opa en oma. De nabestaanden van het echtpaar hebben ter terechtzitting op indringende wijze verwoord wat het verlies van hun ouders, zus en broer met hen heeft gedaan en nog steeds doet. Verdachte heeft ter terechtzitting er blijk van gegeven zich dit ten volle te beseffen.

[slachtoffer 3] heeft terechtzitting naar voren gebracht wat nu nog steeds de gevolgen zijn van het ongeval voor hem en zijn gezin. Door het ontstane letsel is hij beperkt in het huishouden, zijn hobby’s en sporten en ligt de verbouwing van zijn huis noodgedwongen stil.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden meerdere keren is veroordeeld voor rijden onder invloed en drugsdelicten.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op een door de politie opgemaakt proces-verbaal van 9 oktober 2018 (pagina 184 van het dossier), waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar zeven maal is geverbaliseerd voor het rijden zonder verzekering en negen maal voor snelheidsovertredingen van tussen de 9 tot 24 km/u.

De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat verdachte zich blijkbaar weinig gelegen laat liggen aan de regels die de verkeersveiligheid beogen te waarborgen.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 13 maart 2019, opgesteld door [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Fivoor, en de door haar ter terechtzitting gegeven toelichting op dit rapport. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van het opstellen van het rapport ontkende – anders dan ter terechtzitting – op de bewuste avond onder invloed te zijn geweest van alcohol en drugs. Ten aanzien van zijn houding, aldus de reclassering, heeft hij laten zien dat hij niet onder de indruk is geweest van boetes en veroordelingen wegens rijden onder invloed. Verdachte wekte de indruk dat hij zich onschendbaar voelde voor de regels en wetten die hiervoor gelden. Dat dit heeft geleid tot het ongeval is niet zijn bedoeling geweest, maar hij heeft zich niet gewaarschuwd gevoeld en is onverminderd blijven rijden onder invloed van middelen. Verdachte houdt zich tijdens zijn detentie aan de regels. Zo heeft hij deelgenomen aan de leefstijltraining, is hij in gesprek gegaan met de psycholoog en heeft hij herstelbemiddeling gezocht. Hoewel verdachte ter zitting heeft toegegeven ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en verdovende middelen te zijn geweest, heeft de reclassering de indruk dat verdachte over zijn gebruik nog altijd geen volledige openheid van zaken heeft gegeven.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en de duur van de straf onder meer acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de mate van schuld van verdachte aan het ongeval en het feit dat als gevolg daarvan twee personen zijn overleden en een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, uit het oogpunt van vergelding en preventie, uitsluitend een straf die een aanzienlijke periode van onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, passend en geboden is. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf of maatregel het leed van de nabestaanden en het slachtoffer zal kunnen wegnemen.

De rechtbank acht het tevens passend en geboden dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur.

9 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.748,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

€ 2.250,- (restwaarde van de personenauto, merk Kia Rio met kenteken [kenteken] );

€ 3.498,-, (kosten grafsteen).

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.250,- vanaf 6 oktober 2018 (pleegdatum) en over het bedrag van € 3.498,- vanaf 21 februari 2019 (vervaldatum factuur) tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Nu verdachte ter terechtzitting blijk heeft gegeven van inzicht in zijn schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval, daarover spijt heeft betuigd en heeft verklaard bereid te zijn de vordering tot schadevergoeding te voldoen, zal de rechtbank de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis matigen tot de duur van één dag.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 5.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf (5) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 5.748,-, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.250,- vanaf 6 oktober 2018 en over het bedrag van € 3.498,- vanaf 21 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.748,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door één (1) dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van

€ 2.250,- vanaf 6 oktober 2018 en over het bedrag van € 3.498,- vanaf 21 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 april 2019.