Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2856

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4361
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurderheffing 2014. Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Aansluiting bij WOZ-beschikkingen leidt tot ongelijke behandeling mede-eigendom en volledige eigendom. Strijd met verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. In navolging van HR 8 juni 2018, nr. 16/04098, ECLI:NL:HR:2018:846.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-04-2019
FutD 2019-1150 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2019/988
NLF 2019/1179 met annotatie van Gert-Jan de Ruiter
NTFR 2019/1622 met annotatie van Mr. A. Dinée
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 15/4361

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C.W. van Loo RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag verhuurderheffing 2014 opgelegd ten bedrage van € 19.651.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017 te Haarlem.

Op 13 juni 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, nr. 16/04098, ECLI:NL:HR:2018:846. Verweerder heeft bij brieven van 25 juni 2018,

18 juli 2018, 24 juli 2018 en 25 juli 2018 een reactie te gegeven. Beide partijen hebben aangegeven af te zien van een tweede mondelinge behandeling. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld van [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Burger AA, vergezeld van J.C. Lueks en H. Hobbelink.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is samen met de heer [B] onverdeeld eigenaar van 40 woningen waarvoor op grond van artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (hierna: de WMM) verhuurderheffing is verschuldigd.

2. Aan eiser is voor 35 van de hiervoor bedoelde woningen een beschikking ingevolge artikel 24 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) bekendgemaakt. Voor deze 35 woningen is aan eiser de aanslag verhuurderheffing opgelegd tot het vermelde bedrag van € 19.651.

Geschil
3. In geschil is of de verhuurderheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Voorts is in geschil of de verhuurderheffing in strijd is met artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: IVBPR).

4. Eiser stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last voor private individuen die hun vermogen hebben belegd in verhuurde woningen in de sociale sector. Subsidiair stelt eiser dat de uitvoering van de WMM op basis van de Wet WOZ leidt tot benadeling van eiser en daarmee leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en willekeur. Eiser concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 7.843 en meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 13.623.

5. Verweerder stelt dat geen sprake is van schending van artikel 1 EP en dat evenmin sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of van willekeur (artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR). Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

7. De verhuurderheffing wordt geheven van de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan tien huurwoningen (artikel 1.1 in verbinding met artikel 1.4 van de WMM).

8. Wanneer er meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een huurwoning is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt (artikel 1.3 van de WMM). Het gaat hierbij om de WOZ-beschikking die wordt bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ en die wordt bekendgemaakt op de voet van artikel 24 van de Wet WOZ.

9. De verhuurderheffing wordt geheven naar het belastbare bedrag, zijnde de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen waarvan de belastingplichtige bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft, verminderd met tien maal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen (artikel 1.6 van de WMM).

Beoordeling

10. Primair betoogt eiser dat de verhuurderheffing leidt tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP voor private individuen die hun vermogen hebben belegd in verhuurde woningen in de sociale sector. Daarbij merkt eiser op dat de verhuurderheffing voor ondernemers aftrekbaar is, waardoor de last voor deze groep wordt verminderd, terwijl bij eiser sprake is van beleggingsvermogen dat in box 3 valt. Verweerder heeft gemotiveerd betoogd dat de verhuurderheffing is voorzien bij wet, dat deze een legitiem doel dient in het algemeen belang en dat sprake is van een proportionele heffing, en dat eiser geen enkel bewijs heeft geleverd dat er voor eiser zelf sprake is van een individuele en buitensporige last. Dit betekent dat er geen sprake is van schending van artikel 1 EP, aldus verweerder.

11. De rechtbank stelt voorop dat de verhuurderheffing is voorzien bij wet nu de heffing is vastgelegd in de WMM. Aan dit vereiste is derhalve voldaan. Dat laat echter onverlet dat een heffing als de onderhavige waarbij wordt aangesloten bij de WOZ-beschikking(en) die aan eiser(s) van gemeentewege worden uitgereikt in strijd kan komen met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 8 juni 2018, nr. 16/04098, ECLI:NL:HR:2018:846, op de aldaar vermelde gronden, welke hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. De rechtbank zal uitgaand van het voormelde arrest toetsen of in het voorliggende geval sprake is van een schending van het voormelde beginsel zoals in de voormelde verdragen is vastgelegd.

12. Vast staat dat eiser en mede-eigenaar [B] beiden voor gelijke delen (mede-) eigenaar zijn van de 40 woningen. Van deze 40 woningen heeft eiser ten aanzien van 35 woningen WOZ-beschikkingen ontvangen en de mede-eigenaar [B] ten aanzien van 5 woningen.

13. Omdat het belastbare bedrag wordt verminderd met tienmaal de gemiddelde WOZ-waarde van de huurwoningen blijft bij [B] geen grondslag over voor de heffing. Eiser kan eveneens voor 10 woningen gebruik maken van de vermindering van de grondslag. Er wordt dus in totaal voor 25 woningen verhuurderheffing geheven. Echter, in het geval de 40 woningen waarvan beiden mede-eigenaar zijn gelijkelijk over de beide eigenaren zouden zijn “toebedeeld” (dat wil zeggen dat aan beide mede-eigenaren voor de helft van het aantal van 40 woningen een WOZ-aanslag zou zijn opgelegd) , zouden twee eigenaren een vrijstelling moeten krijgen van twee maal 10 woningen. Deze situatie is nadelig voor eiser en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met het verbod op willekeur, aldus eiser.

14. Verweerder heeft ook na kennisname van het hiervoor onder 11 vermeld arrest volhard in zijn standpunt dat het geheven bedrag aan verhuurdersheffing voor juist moet worden gehouden. Daartoe verwijst hij in het bijzonder naar zijn subsidiaire stelling zoals deze gekend kan worden uit de pleitnota.

15. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van mede-eigendom en volledige eigendom voor de toepassing van de WMM ongelijk wordt behandeld. Dat eiser als mede-eigenaar slechts voor 10 woningen gebruik kan maken van de vermindering van de grondslag, en tezamen met zijn mede-eigenaar slechts voor in totaal 15 van de 40 woningen gebruik gemaakt kan worden van die vermindering, is ongelijk aan die waarbij twee verschillende eigenaren ieder voor 10 van de bij hen volledig in eigendom zijnde woningen gebruik kunnen maken van de vermindering van de grondslag.

16. De rechtbank is dan ook in navolging van de Hoge Raad van oordeel dat de verhuurderheffing vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van eiser buiten toepassing dient te blijven (vergelijk het onder 11 vermelde arrest, overweging 2.5.3). Feiten en/of omstandigheden dan wel juridische betogen die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden heeft de rechtbank van partijen niet vernomen. Ook ambtshalve kan de rechtbank zodanige gronden niet bijbrengen.

17. Ondanks het duidelijke oordeel van de Hoge Raad is de wetgever er niet toe overgegaan om de wet in overeenstemming met het arrest te brengen. Evenmin is er een Besluit van de staatssecretaris van Financiën waarin de Belastingdienst wordt opgedragen uitvoering te geven aan het voormelde arrest. Om die reden zal dan de rechtbank dan ook beslissen zoals hierna vermeld.

18. De overige door partijen ingenomen stellingen, subsidiair dan wel meer subsidiair, behoeven derhalve geen bespreking.

Immateriële schadevergoeding

19. Eiseres heeft de rechtbank niet verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Nu de redelijke termijn is overschreden bij de afdoening van het beroep door de rechtbank zal de rechtbank ambtshalve beoordelen of er aanspraak kan worden gemaakt op een schadevergoeding wegens geleden immateriële schade in de beroepsfase (vergelijk Hoge Raad 15 februari 2019, nr. 17/06102, ECLI:NL:HR:2019: 241).

20. Het bezwaarschrift is ingekomen bij verweerder op 9 februari 2015. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 21 augustus 2015. Op 21 maart 2019 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en 2 maanden. Uitgaande van een vergoeding van € 500 per half jaar termijnoverschrijding heeft eiser recht op een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.500 (5 maal € 500). Van bijzondere omstandigheden welke een termijnverlenging in de beroepsfase rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken.

21. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270 (ECLI:NL:HR:2013:BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. Dit betekent dat de totale overschrijding van 2 jaar en 2 maanden geheel aan de rechtbank dient te worden toegerekend. Immers, verweerder heeft binnen zes maanden (en twee weken) uitspraak op bezwaar gedaan. De Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 2.500.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten van het bezwaar en het beroep, vastgesteld op € 1.278 (1 punt voor het bezwaar met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1, en 2 punten voor de behandeling van het beroep (beroepschrift en de mondelinge behandeling ter zitting) met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de beschikking en vermindert deze tot een bedrag van nihil;

  • -

    gelast dat de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) een bedrag van € 2.500 ter zake van geleden immateriële schade aan eiser vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van het geding (bezwaar en beroep) tot een bedrag van € 1.278;

  • -

    gelast dat verweerder aan eiser vergoedt het voor de behandeling van het beroep gestorte griffierecht € 45.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. M.M. Verberne, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.