Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2741

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
7143090 \ CV EXPL 18-7099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Incidentele vordering tot zekerheidstelling artikel 224 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7143090 \ CV EXPL 18-7099

Uitspraakdatum: 3 april 2019

Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats] (Canada)

eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident

hierna te noemen de passagier

gemachtigde mr. E.L. Heenk (Yource B.V., voorheen Green Claim B.V.)

tegen

de rechtspersoon naar buitenland recht

British Airways PLC

gevestigd te Harmondsworth (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident

hierna te noemen British Airways

gemachtigde mr. J.W.A. Lameijer

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 9 augustus 2018 een vordering tegen British Airways ingesteld. British Airways heeft een incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genomen. De passagier heeft schriftelijk gereageerd op de incidentele conclusie en tegelijk zijn eis gewijzigd c.q. vermeerderd.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

De passagier vordert dat de kantonrechter British Airways veroordeelt tot betaling van € 781,50 dan wel € 708,90. Hij legt aan de vordering ten grondslag dat hij met British Airways een vervoersovereenkomst heeft gesloten voor de vluchten op 16 september 2016 van Amsterdam naar Londen en van Londen naar Vancouver met vluchtnummers BA0435 respectievelijk BA0085 en dat vlucht BA0435 is geannuleerd, waardoor hij de aansluitende vlucht BA0085 heeft gemist.

2.2.

De passagier stelt dat British Airways op grond van artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 gehouden is hem compensatie te betalen tot een bedrag van € 600,00. Voorts vordert de passagier British Airways te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 181,50 dan wel € 108,90, althans tot een in redelijke justitie te bepalen bedrag en tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3 De vordering en het verweer in het incident

3.1.

British Airways vordert - samengevat - in het incident de passagier, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van niet‑ontvankelijkheid te veroordelen binnen twee weken na dit vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten van British Airways tot een bedrag van € 576,00 dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, door middel van een bankgarantie ter hoogte van dit bedrag van een bank met een vergunning van De Nederlandse Bank dan wel door dit bedrag over te maken op de Stichting Derdengelden-rekening van de advocaat van British Airways, met veroordeling van de passagier in de kosten van het incident, inclusief de nakosten.

3.2.

British Airways legt aan haar vordering ten grondslag dat de passagier geen woonplaats in Nederland heeft en dat hij dus zekerheid dient te stellen op grond van artikel 224 lid 1 Rv. De passagier kan zich volgens British Airways niet beroepen op de uitzonderingsbepalingen van artikel 224 lid 2 Rv.

3.3.

De passagier verzet zich tegen zekerheidstelling. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering. Op het verweer van de passagier wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De kantonrechter overweegt dat op de voet van artikel 224 lid 1 Rv allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Die verplichting bestaat niet indien er sprake is van één van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingsgronden.

4.3.

De passagier heeft aangevoerd dat hij op 27 december 2016 een volmacht aan Yource B.V. heeft gegeven om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. In deze volmacht heeft hij voorts aan Green Claim B.V. (de rechtsvoorgangster van Yource) last verleend om uit eigen naam en voor rekening en risico van Green Claim de vordering van de passagier te innen, indien Green Claim zal besluiten over te gaan tot gerechtelijke incasso. Nu Yource in Amsterdam te Nederland is gevestigd, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 224 lid 1 Rv, aldus de passagier.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat, voor zover de Green Claim - en Yource als haar rechtsopvolgster - op grond van een door de passagier verstrekte lastgeving ter incasso, bevoegd is als lasthebber op eigen naam de vorderingen van de passagier te innen, van deze bevoegdheid geen gebruik is gemaakt. De dagvaarding vermeldt immers de passagier zelf als eisende partij, met mr. Heenk (verbonden aan het kantoor van Green Claim) als gemachtigde. Niet in geschil is dat de passagier geen woonplaats in Nederland heeft. Het gevolg hiervan is dat artikel 224 lid 1 Rv van toepassing is. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3239) kan de passagier niet baten, nu in dat arrest één van de partijen van wie zekerheidsstelling werd gevorderd in Nederland was gevestigd en daarom ten aanzien van die partij niet werd voldaan aan artikel 224 lid 1 Rv. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat het kantoor van de gemachtigde van de passagier in Nederland is gevestigd, doet niet ter zake.

4.5.

Gesteld noch gebleken is dat zich een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 224 lid 2 Rv voordoet. De passagier is dan ook verplicht zekerheid voor de proceskosten te stellen. Voor de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting gezocht worden bij het bepaalde in artikel 6:51 Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge dit artikel staat de vorm van de zekerheid in beginsel ter keuze van de passagier zelf. De vordering van British Airways is hiermee in overeenstemming en kan daarom in zoverre worden toegewezen.

4.6.

Met betrekking tot de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld overweegt de kantonrechter dat aangesloten moet worden bij de proceskosten die British Airways verwacht wordt te maken. Gezien de hoogte van de vordering in hoofdzaak van (primair) € 781,50, bedraagt het liquidatietarief € 120,00 per punt. Uitgaande van een procesverloop zonder complicaties met twee te liquideren punten en rekening houdend met de proceskostenveroordeling in het onderhavige incident van € 72,00 en eventuele nakosten van € 36,00, zal het bedrag waarvoor de passagier zekerheid dient te stellen worden begroot op € 348,00.

4.7.

Nu de passagier tegen de gevorderde termijn voor zekerheidsstelling geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd, zal de kantonrechter de termijn als bedoeld in artikel 616, lid 3 sub a Rv bepalen op twee weken na de datum van dit vonnis. Voorts zal de kantonrechter ambtshalve eenzelfde termijn bepalen waarbinnen British Airways de gestelde zekerheid moet hebben geweigerd of aanvaard. De kantonrechter wijst partijen erop dat zij om verlenging van deze termijnen kunnen vragen, dat het door de passagier niet binnen de termijn stellen van zekerheid in beginsel leidt tot haar niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak en dat het door British Airways niet binnen de gestelde termijn reageren op de zekerheid in beginsel leidt tot het verval van haar bevoegdheid om zekerheid te eisen. Gelet op de hiervoor vermelde mogelijkheid om verlenging van de termijn te vragen, ziet de kantonrechter geen aanleiding de passagier reeds op straffe van niet-ontvankelijkheid te veroordelen tot het stellen van zekerheid. In zoverre is de vordering van British Airways niet toewijsbaar.

4.8.

De proceskosten in het incident komen voor rekening van de passagier omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De passagier heeft weliswaar de verschuldigdheid van nakosten betwist, maar hij is die kosten op grond van de artikelen 237 e.v. Rv verschuldigd. De gevorderde nakosten zijn daarom eveneens toewijsbaar, en wel tot het forfaitair begrote, in kantonzaken geldende bedrag ter hoogte van een half salarispunt van het in het incident toegewezen salaris van € 72,00 met een maximum van € 120,00, ofwel in dit geval € 36,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

5.1.

beveelt de passagier uiterlijk op 17 april 2019 ten behoeve van British Airways zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij zou kunnen worden veroordeeld tot een bedrag van in totaal € 348,00 door hetzij het stellen van een bankgarantie van een bank met een vergunning van de Nederlandse bank, hetzij overmaking op de Stichting Derdengelden-rekening van de advocaat van British Airways;

5.2.

veroordeelt de passagier in de kosten van het incident, aan de zijde van British Airways tot op heden begroot op € 72,00 aan salaris gemachtigde en tot betaling van € 36,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door British Airways worden gemaakt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat British Airways binnen twee weken na het stellen van zekerheid, die zekerheid moet weigeren of aanvaarden;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak:

5.6.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 mei 2019 te 10:00 uur voor akte uitlating door British Airways omtrent de gestelde zekerheid.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter