Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2712

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke intrekking exploitatievergunningen vanwege overtreding Wav - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5627 en 18/3

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2019 in de zaak tussen

1. Egyptische Grillbar [eiser 1] VOF, te [plaats 1] ,

2. Steakhouse [eiser 2] VOF, te [plaats 2] ,

eisers

(gemachtigde: mr. A. van Driel),

en

de burgemeester van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigden: M.A.M. Rodenburg en N. Boer).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 6 december 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder per 7 december 2016 de exploitatievergunningen voor de horecabedrijven Grillroom [eiser 1] te [plaats 1] en Steakhouse [eiser 2] te [plaats 2] (de horecabedrijven) met ingang van 7 december 2016 ingetrokken voor de duur van één maand.

Eisers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 12 december 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de primaire besluiten geschorst tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar (HAA 16/5389 en 16/5405).

Bij brief van 22 december 2017 hebben eisers beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaren.

Bij besluit van 15 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en besloten de primaire besluiten in stand te laten, onder aanvulling van de motivering en de grondslag ervan. Voorts heeft verweerder de duur van de intrekking van de exploitatievergunning gewijzigd.

Eisers hebben een nader beroepschrift ingediend. Zij hebben de rechtbank tevens verzocht om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2019. Namens eisers is verschenen [naam] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Tijdens een controle heeft de inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 mei 2016 geconstateerd dat in beide horecabedrijven personen werkzaam waren met de Syrische nationaliteit die op dat moment niet in het bezit waren van een tewerkstellingsvergunning. Naar aanleiding van deze constateringen hebben de inspecteurs op ambtsbelofte twee boeterapporten opgemaakt. Verweerder heeft de boeterapporten op 27 oktober 2016 ontvangen.

1.2

Na de controle is aan de aangetroffen personen met terugwerkende kracht tot respectievelijk 26 augustus en 16 december 2015 een verblijfsvergunning asiel verleend. Bij besluiten van 2 en 7 februari 2017 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister van SZW) besloten geen boete op te leggen, omdat is gebleken dat voor de in de horecabedrijven aangetroffen personen geen tewerkstellingsvergunning was vereist. Derhalve was geen sprake van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

HAA 18/3

2.1

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep dat is ingesteld namens Steakhouse [eiser 2] VOF ontvankelijk is.

2.2

Uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat Egyptische Grillbar “ [eiser 1] ” VOF twee nevenvestigingen heeft, waaronder de vestiging Steakhouse [eiser 2] . Steakhouse [eiser 2] VOF staat niet als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ter zitting is ook bevestigd dat Steakhouse [eiser 2] VOF niet bestaat. Nu Steakhouse [eiser 2] VOF niet bestaat, kan zij ook geen beroep instellen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

HAA 17/5627

3. Met de primaire besluiten heeft verweerder de exploitatievergunningen van de horecabedrijven op grond van artikel 28, vijfde lid, onder k, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) vanaf 7 december 2016 ingetrokken voor de duur van een maand. In het bestreden besluit heeft verweerder de motivering van de primaire besluiten aangevuld alsmede de grondslag ervan, in die zin dat aan de besluiten tot intrekking van de exploitatievergunningen ook artikel 2:28, vijfde lid, onder b, van de Apv ten grondslag wordt gelegd. Voorts heeft verweerder de duur van de intrekking van de exploitatievergunningen gewijzigd naar de periode vanaf 7 december 2016 tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter op 12 december 2016.

4. De horecabedrijven zijn vanaf 7 december 2016 tot 12 december 2016 gesloten geweest. Het procesbelang van eiseres is gelegen in de beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten tot intrekking van de exploitatievergunningen om een oordeel over de door haar geleden schade te kunnen verkrijgen.

5.1

Op grond van artikel 2:28, tweede lid, onder g, van de Apv, weigert de burgemeester de vergunning indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Op grond van artikel 2:28, vijfde lid, onder b, van de Apv trekt de burgemeester de vergunning genoemd in het eerste lid in indien de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in lid 2 onder c, d, f en g geldende eisen.

Op grond van artikel 2:28, vijfde lid, onder k, van de Apv trekt de burgemeester de vergunning genoemd in het eerste lid in indien er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

5.2

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning niet mag worden verlangd.

6.1

Egyptische Grillbar [eiser 1] VOF (eiseres) betoogt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2 van de Wav, omdat de Minister van SZW heeft besloten geen boete op te leggen.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de boeterapporten blijkt dat de in de horecabedrijven aangetroffen personen ten tijde van de controle arbeid verrichten. Deze personen beschikten ten tijde van de controle niet over de benodigde vergunningen om werkzaamheden uit te voeren. Hoewel aan de personen een verblijfsrecht is toegekend met terugwerkende kracht, geldt dat niet voor de arbeidsrechten die ontstaan bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De betreffende personen mochten daarom tijdens de procedure tot het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning niet werken. De wijziging in de status van de personen was ook niet voorzienbaar, aangezien Syriërs in de jaren 2016 en 2017 geen wettelijk vastgelegde bijzondere status hadden op grond waarvan zij zo goed als zeker een verblijfsvergunning zouden krijgen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het op grond van artikel 2:28, vijfde lid, onder k, van de Apv voldoende is als er aanwijzingen zijn dat in een horecabedrijf personen werkzaam zijn in strijd met de Wav.

6.3

De rechtbank is, gelet op de besluiten van de Minister van SZW van 2 en 7 februari 2017, van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit vast stond dat eiseres op 13 mei 2016 geen overtreding had begaan van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Als bestuursorgaan dat de Wav uitvoert, is het de Minister van SZW die vaststelt of sprake is van een overtreding van deze bepaling. Dat de opvatting van de IND over de gevolgen van een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning een andere was, zoals verweerder naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders. Omdat ten tijde van het bestreden besluit vast stond dat eiseres artikel 2, eerste lid, van de Wav niet had overtreden, kon ook geen sprake zijn van aanwijzingen dat in de horecabedrijven personen werkzaam waren in strijd met de Wav. Verweerder heeft dit dan ook ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het betoog slaagt.

7.1

Eiseres betoogt dat het tolereren van de aanwezigheid van de in de horecabedrijven aangetroffen personen niet kan worden aangemerkt als slecht levensgedrag in de zin van artikel 2:28, tweede lid, onder g, van de Apv.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voldoende aannemelijk is dat eiseres bewust het risico heeft genomen om vreemdelingen die niet beschikten over de daartoe benodigde vergunningen, werkzaamheden in de horecaondernemingen uit te laten voeren. Eiseres is als doorgewinterde exploitant op de hoogte van de eisen die hieraan verbonden zijn. Hierdoor is eiseres in enig opzicht van slecht levensgedrag. Volgens de jurisprudentie vormt een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav per definitie een inbreuk op de openbare orde. Het niet naleven van de Wav levert tevens een situatie op als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, onder b, van de Apv. Gelet op de boeterapporten is het voldoende aannemelijk dat eiseres artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat nu vast staat dat eiseres artikel 2, eerste lid, van de Wav niet heeft overtreden, verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Het betoog slaagt.

8. Ter zitting heeft eiseres het beroep tegen het niet tijdig nemen een beslissing op bezwaar en het verzoek om schadevergoeding ingetrokken.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Er bestaat geen grondslag voor de intrekking van de exploitatievergunningen omdat eiseres de Wav heeft overtreden of in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting 1, punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512,- en een wegingsfactor 1).

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van Steakhouse [eiser 2] VOF (zaaknummer HAA 18/3) niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van Egyptische Grillbar [eiser 1] VOF (zaaknummer HAA 17/5627) gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het in de zaak HAA 17/5627 betaalde griffierecht van € 333,- aan Egyptische Grillbar [eiser 1] VOF te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Egyptische Grillbar [eiser 1] VOF tot een bedrag van € 2.048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.