Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2706

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
15/860235-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering van opgeëiste persoon aan Montenegro ontoelaatbaar wegens voltooide inbreuk op het in artikel 3 EVRM neergelegde recht dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/860235-18

Registratienummer: 19/2

Zittingsdatum: 12 maart 2019

Uitspraakdatum: 21 maart 2019 (bij vervroeging)

Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Montenegro,

thans in uitleveringsdetentie verblijvende in [detentieadres] ,

aan Montenegro.

1 De relevante schriftelijke stukken

1.1.

Het verzoek tot uitlevering

In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Montenegrijnse autoriteiten, met als kenmerk 0602-18-15-K/18 en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag.

Uitlevering wordt gevraagd in verband met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en tien maanden opgelegd bij vonnis van 8 maart 2016 van het kantongerecht te Danilovgrad.

Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd:

  • -

    een authentiek afschrift van het vonnis, afgegeven door het Kantongerecht te Danilovgrad op 26 september 2016, waarin een uiteenzetting van de feiten is opgenomen;

  • -

    een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel, afgegeven door Z. Radovic, president van het kantongerecht in Podgorica, van 31 januari 2017;

  • -

    een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

  • -

    middelen ter vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon.

1.2.

De overige stukken van het dossier

Voorts maken de volgende stukken deel uit van het dossier:

  • -

    een proces-verbaal van mr. M.A. Oudendijk, officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, van 21 december 2018 waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon op 20 december 2018 in verzekering is gesteld ex artikel 21 van de Uitleveringswet (hierna: UW);

  • -

    de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in art. 23, eerste lid UW van 21 december 2018;

  • -

    de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie, zoals bedoeld in art. 26, tweede lid UW van 12 maart 2019.

2 De overwegingen

2.1.

De identiteit van de opgeëiste persoon

Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [betrokkene] , geboren op geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Montenegro, is, dat hij de Montenegrijnse nationaliteit bezit en dat hij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet tevens de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.2.

De genoegzaamheid van de stukken en overige vereisten

De raadsvrouw heeft primair verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren op grond dat de stukken niet voldoen aan de daaraan ingevolge de UW en het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) te stellen eisen. Zij heeft aangevoerd dat ten aanzien van het tweede feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht de tekst van het toepasselijke rechtsvoorschrift ontbreekt, zodat niet kan worden getoetst of voldaan is aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid. Daarnaast blijkt volgens de raadsvrouw uit de stukken onvoldoende voor welk vonnis de uitlevering wordt verzocht en wanneer dit vonnis onherroepelijk is geworden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden om de verzoekende staat gelegenheid te bieden om ten aanzien van deze punten aanvullende stukken aan te leveren.

De rechtbank stelt vast dat de tekst van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro niet op het overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften is vermeld, terwijl de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf volgens het vonnis en het aanhoudingsbevel wel mede op dit artikel is gebaseerd. Het verzoek tot uitlevering is overigens niet gebaseerd op dit artikel. Daarnaast blijkt uit de stukken niet zonder meer op welke datum het vonnis is gewezen en onherroepelijk geworden, nu het verzoek tot uitlevering melding maakt van 26 september 2016 als datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden, maar het originele afschrift van het vonnis een stempel met de datum 26 september 2019 vermeldt. Wat hiervan ook zij, de rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden om de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken aan te leveren aangezien de rechtbank op grond van het navolgende de uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.

2.3.

Beroep op voltooide inbreuk op fundamentele rechten

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voorbehouden aan de minister en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463). In geval van een voltooide marteling moet komen vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de desbetreffende zaak door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd (HR 15 oktober 1996, NJ 1997/533 r.o. 5.5.3).

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat sprake is van een voltooide inbreuk op fundamentele rechten van de opgeëiste persoon. Zij heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de opgeëiste persoon direct na het incident waarvoor hij is veroordeeld en waarvoor thans zijn uitlevering wordt verzocht tijdens zijn detentie is gefolterd door bewakers in die gevangenis. De Ombudsman van Montenegro heeft onderzoek gedaan naar dit incident en zijn rapport is door de raadsvrouw ter zitting overgelegd. In het rapport van 24 november 2015 staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:

Gelet op de verklaringen van veroordeelde personen, bevindingen van de forensisch arts en alle vastgestelde feiten en omstandigheden, concludeert de Ombudsman van Montenegro dat de ambtenaren van de PI op 14 januari na 17:00 en op 15 januari 2015 op de disciplinaire afdeling onterecht geweld en fysieke dwangmiddelen hebben toegepast tegen de volgende veroordeelde personen: [initialen] , [initialen] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene] ), [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] , [initialen] en [initialen] , dat ze hen mishandeld hebben – dat ze hen op een onmenselijke en onterende manier hebben behandeld en dat ze zodoende hun rechten als mens geschonden hebben.

Namelijk, meerdere PI ambtenaren hebben op 14 januari 2015, na 17:00, fysiek geweld toegepast en een rubberen wapenstok, tegen eerder vermelde veroordeelde personen, die zich op dat moment in de disciplinaire afdeling van de PI Spuz bevonden, waarbij dit geweld bestond uit het schoppen en slaan met handen en wapenstokken, terwijl deze personen vast geboeid waren, met hun handen op de rug, voorover gebogen met het hoofd naar beneden gebogen, kwetsbaar en machteloos.

De Ombudsman is van mening dat de gedragingen van de PI ambtenaren in dit concrete geval in strijd zijn met de bevestigde internationale verdragen en algemeen geaccepteerde regels van internationaal recht die een verbod op foltering/marteling garanderen, alsmede een verbod op onmenselijk en onterend gedrag en bestraffing van alle personen wiens vrijheid werd ontnomen.

Het staat buiten twijfel dat de toepassing van fysiek geweld in dit geval enkele uren na het incident in de PI plaats heeft gevonden, en ook de volgende dag, toen de veroordeelde personen – slachtoffers handgeboeid waren, dus machteloos en kwetsbaar, en het duidt op het motief van gebruik van buitensporig geweld als vergelding (sic), oftewel dat de slachtoffers gestraft zouden worden voor hun deelname en handelingen tijdens het incident dat eerder was gebeurd.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting ook verklaard over deze gebeurtenissen.

De rechtbank overweegt het volgende. De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor de strafexecutie wegens zijn veroordeling voor, kort en zakelijk gezegd, medeplegen van mishandeling van een aantal bewakers van de penitentiaire inrichting waar hij gedetineerd was op 14 januari 2015. Op grond van het hiervoor genoemde rapport van de Ombudsman van Montenegro en de verklaring van de opgeëiste persoon zoals afgelegd tijdens het onderzoek ter zitting, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon door ambtenaren van de Penitentiaire Inrichting Spuz en daarmee functionarissen van de verzoekende staat, is gefolterd direct na en naar aanleiding van het incident waarvoor hij later is veroordeeld. Hiermee staan de folteringen die hebben plaatsgevonden in direct verband met de zaak waarvoor thans zijn uitlevering wordt verzocht. Daarmee is evident sprake van een voltooide inbreuk op het in artikel 3 EVRM neergelegde recht dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, een fundamenteel recht van de opgeëiste persoon. De rechtbank zal de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Montenegro dan ook ontoelaatbaar verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank:

Verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan Montenegro van [betrokkene] .

Heft op de uitleveringsdetentie van [betrokkene] met ingang van heden.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. E.M. van Poecke, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. H.P. van der Lelie, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. van de Vijver,

en uitgesproken op de openbare zitting van 21 maart 2019.