Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2460

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
C/15/274582 / FA RK 18-3003
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man verzoekt nihilstelling partneralimentatie vastgesteld bij beschikking in 2011 wegens wijziging omstandigheden, te weten verminderde draagkracht en behoeftevermindering vrouw.

Draagkrachtvermindering ten gevolge van verkoop/staking bedrijf. Reden: man wilde altijd al op zijn vijfenvijftigste stoppen met zijn bedrijf en hij heeft medische klachten. Bovendien stond hij juist voor noodzakelijke grote investeringen.

Verkoopopbrengst deels in Turkije op de bank gezet en deels geïnvesteerd in vakantiewoningen Turkije. Wegens geldontwaarding is zijn vermogen verminderd. De inkomsten uit verhuur in Turkije zijn laag. Hij kan wegens leeftijd en eenzijdige werkervaring nergens anders werk vinden. De partneralimentatie is fiscaal niet meer aftrekbaar omdat hij in Nederland geen inkomen meer heeft.

De rechtbank overweegt.

De man is ontvankelijk want door verkoop/staking bedrijf is er sprake van een wijziging van omstandigheden.

Bij zelf teweeg gebracht inkomensverlies kan deze vermindering bij het bepalen van de draagkracht geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Is het inkomensverlies voor herstel vatbaar?

Zo nee, is het inkomensverlies verwijtbaar, oftewel had de onderhoudsplichtige zich, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde en met het oog op diens belangen, behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Zo ja, dan wordt uitgegaan van een fictief te behalen inkomen, Hierbij moet worden onderzocht of de onderhoudsplichtige uitgaande van de daadwerkelijke financiële situatie niet minder ter beschikking heeft voor het bestrijden van de noodzakelijke lasten dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.

De man heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat het nemen van de beslissing om zijn onderneming te verkopen onvermijdelijk was. De man heeft niet onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk is om op andere wijze inkomsten te genereren. Gesteld noch gebleken is immers dat de man hiertoe pogingen heeft ondernomen. De man heeft zijn stelling dat zijn vermogen grotendeels is verdampt en dat hij slechts geringe huurinkomsten heeft, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man over voldoende vermogen en inkomsten uit verhuur beschikt om de resterende vier jaren de vastgestelde partnerbijdrage te blijven betalen. In ieder geval heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij gelet op zijn financiële situatie dan zelf onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, temeer daar de kosten van levensonderhoud in Turkije – zoals de man heeft gesteld – in Turkije veel lager zijn dan in Nederland. De man heeft deze beslissing in die zin te lichtvaardig genomen, dat hij daarbij geen rekening heeft gehouden met zijn financiële verplichtingen ten opzichte van de vrouw. In dit verband geldt dat de man bij zijn verkoopbeslissing er ook rekening mee had moeten houden dat de fiscale aftrekbaarheid van de partnerbijdrage zou komen te vervallen.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een onverwijtbare inkomensdaling, althans dat de inkomensachteruitgang van de man kan worden hersteld met een inkomen uit loondienst. De rechtbank concludeert dan ook dat de man geacht wordt over voldoende financiële middelen te kunnen beschikken om de vastgestelde partnerbijdrage te blijven voldoen.

Vast staat dat aanvullende behoefte van de vrouw niet is verminderd ten opzichte van haar situatie in 2011.

Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie

zaak-/rekestnr.: C/15/274582 / FA RK 18-3003

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 maart 2019

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F.J. ten Seldam, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.A. Bruins, kantoorhoudende te Aerdenhout.

.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen 1-9, van de man, ingekomen op 29 mei 2018;

- het verweerschrift, met bijlagen 1-6, van de vrouw, ingekomen op 26 juli 2018;

- het F9-formulier, met bijlagen 10-13, van de advocaat van de man van 7 februari 2019;

- het F9-formulier, met bijlagen 7-17, van de advocaat van de vrouw van 11 februari 2019.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2019 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. F.J. ten Seldam en de vrouw bijgestaan door mr. T.A. Bruins.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 17 maart 2011 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 8 maart 2011.

Bij beschikking van deze rechtbank van 13 december 2011 zijn de afspraken van partijen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgelegd.

2.3

Bij de hiervoor genoemde beschikking van 8 maart 2011 is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.400 vastgesteld.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2018 € 1.539,97 per maand.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht de beschikking van 8 maart 2011 te wijzigen in die zin, dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil dan wel wordt verminderd met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

3.2

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven. Immers, zijn draagkracht is afgenomen nadat de man [BV] , de werkmaatschappij van zijn bedrijf [BV] in 2014 heeft verkocht. De vrouw heeft volgens afspraak van de verkregen goodwill een bedrag van € 30.475,50 ontvangen. De holding is vervolgens per 30 april 2018 opgeheven. De man en zijn huidige partner leven thans van de verkoopopbrengst van het bedrijf, die uiteindelijk in totaal € 311.113; het pensioen is in 2017 afgekocht. Het wegvallen van inkomen heeft mede tot gevolg dat de partnerbijdrage voor hem fiscaal niet meer aftrekbaar is, aldus de man.

De reden van de verkoop van het bedrijf was volgens de man dat hij al sinds zijn negentiende jaar werkt en dat de lange werkdagen hem zwaar vielen, mede gelet op zijn rugklachten. Volgens de man - geboren in maart 1960 - was hij altijd al van plan op zijn vijfenvijftigste te stoppen met het bedrijf en was de vrouw daarmee bekend. Toen zich in 2014 een koper voor het bedrijf meldde en de man op korte termijn fors in zijn bedrijf zou moeten investeren (nieuw wagenpark in verband met strengere wetgeving), lag de beslissing om het bedrijf op dat moment te verkopen voor de hand, aldus de man.

De man stelt dat hij elders niet meer aan de slag komt, gelet op zijn leeftijd en zijn eenzijdige werkervaring.

Voorts betwist de man dat de vrouw nog behoefte heeft aan een partnerbijdrage, gelet op haar inkomen uit loondienst.

De man heeft zijn aanvankelijke stelling dat de vrouw met haar partner samenleeft als waren zij gehuwd ter zitting ingetrokken. Hij stelt zich thans op het standpunt dat de vrouw – gelet op de ontstane situatie – haar recente inkomensverlies zelf heeft veroorzaakt.

3.3

De man heeft ter zitting zijn verzoek nader toegelicht. Het bedrijfspand in [plaats] is begin 2018 verkocht voor een bedrag van € 160.000. Dit bedrag, gevoegd bij de verkoopopbrengst van de onderneming, heeft de man geïnvesteerd c.q. op de bank gezet in Turkije. Vanwege de enorme devaluatie van de Turkse lira, resteert op 1 februari 2019 nog slechts een bedrag van 202.500 Turkse lira bij de [bank] , omgerekend per 7 februari 2019 is dit € 33.914 en een bedrag van 633.937 Turkse lira bij de [bank] , omgerekend op 1 februari 2019 is dit € 106.169 en een bedrag van € 140.635,84 bij de [bank] per 1 februari 2019 (producties 11). In totaal resteert van de € 471.113 die hij had, thans dus nog € 280.718,84 aan bank- en spaartegoeden, aldus de man. Daarnaast heeft hij een vakantiewoning in Nederland, vrij van hypotheek; de kosten voor het vakantiepark bedragen € 1.300 per jaar. Hij woont het grootste deel van het jaar in één van zijn appartementen in Turkije, alwaar de kosten van levensonderhoud veel lager zijn dan in Nederland. Het andere appartement is een belegginsproject. De huuropbrengsten zijn ongeveer € 5000 Turkse lira per jaar, omgerekend ongeveer € 1.000 per jaar.

Het eerste jaar na de verkoop van [BV] heeft hij op verzoek van de koper het bedrijf geherstructureerd, waarvoor hij een (eenmalige) managementfee van € 150.000 heeft ontvangen, aldus de toelichting van de man in reactie op het verweer van de vrouw dat de man voldoende verdiencapaciteit heeft om haar alimentatie te blijven betalen.

4 Verweer

4.1

De vrouw heeft als verweer gevoerd dat de man door zijn onderneming in 2014 te verkopen vrijwillig heeft gekozen voor verlies van inkomsten, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te blijven. Bovendien had de man met zijn werkervaring elders in loondienst kunnen gaan. Zij heeft gewezen op de managementfee van € 150.000, die de man na de verkoop van het bedrijf ontving, waaruit blijkt dat de man heel goed is in zijn werk. Het inkomensverlies van de man is dus verwijtbaar en overigens voor herstel vatbaar, aldus de vrouw.

Voorts stelt de vrouw dat de man in 2016 en 2017 nog inkomen had: dividend, een pensioenuitkering, vermogen in het buitenland en spaargeld in Nederland, alsmede inkomsten uit de verhuur van drie vakantiewoningen in Turkije, het betreft twee appartementen, waarvan er één inmiddels gesplitst is.

4.2

De vrouw betwist dat zij geen behoefte meer heeft aan een partnerbijdrage. Zij stelt dat zij in dienst is bij [bedrijf] te [plaats] , maar dat zij per 3 maart 2017 arbeidsongeschikt is geraakt. Zij is daarna gestart met een reïntegratietraject. Ter zitting heeft zij toegelicht dat haar dienstverband met [bedrijf] na twee jaar arbeidsongeschiktheid zou eindigen. Zij heeft daarom ontslag genomen en getracht via uitzendwerk weer aan de slag te komen. Haar huidige uitzendbaan eindigt tot haar spijt per 22 februari 2019.

De vrouw betwist dat zij samenwoont met haar partner, omdat zij ieder hun eigen woonruimte hebben.

Volgens de vrouw heeft de man haar in 2018 voorstellen gedaan om de partnerbijdrage af te kopen.

5 Beoordeling

5.1

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Het betreft hier een wijziging in de oorspronkelijke balans tussen draagkracht en behoefte. In dat geval dient een volledige herbeoordeling plaats te vinden aan de hand van de wettelijke maatstaven.

5.2

De rechtbank stelt vast dat de onderneming van de man is gestaakt. Hierdoor is zijn inkomen uit die bedrijfsvoering weggevallen en daarmee ook de mogelijkheid om de betaalde partnerbijdrage in mindering te brengen op zijn box 1 inkomen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarmee komt allereerst de vraag aan de orde of bedoelde beschikking door deze wijziging van omstandigheden aan draagkrachtzijde heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.3

Bij zelf teweeg gebracht inkomensverlies kan deze vermindering bij het bepalen van de draagkracht geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Dit hangt in de eerste plaats af van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en dit ook van hem kan worden gevergd, met andere woorden of het inkomensverlies herstelbaar is. In geval van een onherstelbare inkomensvermindering hangt het af van de verwijtbaarheid van het inkomensverlies. Hierbij moet worden bezien of de onderhoudsplichtige zich, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde en met het oog op diens belangen, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Indien van verwijtbaarheid sprake is en er aldus wordt uitgegaan van een fictief te behalen inkomen, moet worden onderzocht of de onderhoudsplichtige uitgaande van de daadwerkelijke financiële situatie niet minder ter beschikking heeft voor het bestrijden van de noodzakelijke lasten dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dat wil zeggen dat een berekening moet worden gemaakt om te bezien of de onderhoudsplichtige met het huidige inkomen bij betaling van de onderhoudsbijdrage over onvoldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

5.4

De man heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat het nemen van de beslissing om zijn onderneming te verkopen onvermijdelijk was, als gevolg van zijn medische situatie en de volgens hem vereiste (te) hoge investeringen in het bedrijf. Uit de stukken en uit de toelichting van de man ter zitting blijkt dat het zijn reeds langer bestaande wens was om op zijn vijfenvijftigste te stoppen met werken, en dat die wens voor de man leidend is geweest bij zijn beslissing. De man heeft deze beslissing in die zin te lichtvaardig genomen, dat hij daarbij geen rekening heeft gehouden met zijn financiële verplichtingen ten opzichte van de vrouw. In dit verband geldt dat de man bij zijn verkoopbeslissing er ook rekening mee had moeten houden dat de fiscale aftrekbaarheid van de partnerbijdrage zou komen te vervallen. De conclusie uit het voorgaande is dat de inkomensdaling van de man niet als onvermijdelijk kan worden aangemerkt.

5.5

Overigens heeft de man niet onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk is (geweest) om (in Nederland) op andere wijze inkomsten te genereren. Gesteld noch gebleken is immers dat de man hiertoe pogingen heeft ondernomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man in staat moet worden geacht om zich wederom een (aanvullend) inkomen te gaan verwerven. Niet valt in te zien waarom dit in de gegeven omstandigheden niet van de man kan worden gevergd.

5.6

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de man zijn stelling dat zijn bank- en spaartegoeden in 2018 in een jaar tijd ten gevolge van devaluatie van de Turkse lira zijn verdampt van € 471.113 tot € 280.719 en dat hij slechts geringe huurinkomsten heeft, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. Het is immers aan de man om aan te tonen waar het verschil in banksaldi is gebleven. Uit de door de man overgelegde bankafschriften kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de afname van het vermogen het gevolg is van de devaluatie van de Turkse munt. Verder geldt dat de man geen -met bewijsstukken onderbouwd- inzicht heeft gegeven in zijn verhuurinkomsten. De enkele stelling dat de jaarlijkse huuropbrengst ongeveer € 1.000 bedraagt, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, in ieder geval onvoldoende. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man over voldoende vermogen en inkomsten uit verhuur beschikt om de resterende vier jaren de vastgestelde partnerbijdrage te blijven betalen. In ieder geval heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij gelet op zijn financiële situatie dan zelf onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, temeer daar de kosten van levensonderhoud in Turkije – zoals de man heeft gesteld – in Turkije veel lager zijn dan in Nederland.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een onverwijtbare inkomensdaling, althans dat de inkomensachteruitgang van de man kan worden hersteld met een inkomen uit loondienst. De rechtbank concludeert dan ook dat de man geacht wordt over voldoende financiële middelen te kunnen beschikken om de vastgestelde partnerbijdrage te blijven voldoen.

5.8

Voorts staat de behoefte van de vrouw ter beoordeling. In de beschikking van 8 maart 2011 heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw bepaald op ongeveer € 3.300 netto per maand, waarop haar inkomen van destijds €1.021 netto per maand in mindering strekt. De vrouw werkt sinds 2010 bij [bedrijf] . In maart 2017 is zij arbeidsongeschikt geraakt. Uit de brief van het UWV betreffende “aanvraag WIA-uitkering” van 5 november 2018 blijkt dat de vrouw op dat moment bijna twee jaar ziek was. De werkgever van de vrouw, [bedrijf] , had daarom het dienstverband per maart 2019 kunnen en zullen beëindigen. Voordat het zover is gekomen heeft de vrouw haar arbeidscontract middels een vaststellingsovereenkomst kunnen beëindigen per 30 november 2018. De vrouw hoopte in de tussentijd via uitzendwerk weer aan de slag te komen. Dit is voor korte tijd gelukt. Thans valt zij terug op een werkloosheidsuitkering. Daarmee staat vast dat haar aanvullende behoefte niet is verminderd ten opzichte van haar situatie in 2011.

5.9

Het voorgaande leidt ertoe dat de draagkracht van de man, noch de behoefte van de vrouw worden geacht zozeer te zijn gewijzigd dat de bij beschikking van 8 maart 2011 vastgestelde partnerbijdrage niet meer in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

5.10

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Wijst het verzoek af.

6.2

Bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Dubois, rechter, in tegenwoordigheid van M. Struijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.