Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:2246

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3164
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht arbeidsmarktperspectief. Waarschuwing en ontneming van rechten op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs omdat een tweetal opleidingen niet voldoet aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming mocht uitgaan van het advies van de Commissie macrodoelmatigheid mbo.

Wetsverwijzingen
Wet educatie en beroepsonderwijs
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/3164 en HAA 19/21

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2019 in de zaken tussen

het College van Bestuur van het ROC Horizon College, te Alkmaar, eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigden: mr. L.G. Kok en S. Krol).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het Mediacollege Amsterdam, te Amsterdam (gemachtigde: mr. C.W. Oudenaarden).

Procesverloop

Bij op 5 februari 2018 verzonden besluit (het primaire besluit) heeft verweerder eiser voor de opleidingen “Medewerker Desktop Publishing (DTP)” en “Allround DTP-er” een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 6.1.5, lid 2a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) omdat deze opleidingen niet voldoen aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief.

Bij besluit van 5 juli 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer HAA 18/3164).

Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder eiser op grond van artikel 6.2.3b van de Web met ingang van 1 augustus 2020 de rechten als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Web ontnomen met betrekking tot de genoemde twee opleidingen.

Bij brief van 30 oktober 2018 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit II.

Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bestreden besluit II ingetrokken en vervangen. Verweerder heeft een gelijkluidend besluit genomen als op 16 oktober 2018, maar daaraan artikel 6.1.4, eerste lid en onder c, van de Web ten grondslag gelegd.

Eiser heeft verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder heeft daarmee ingestemd en het bezwaar tegen besluit II doorgestuurd naar de rechtbank ter verdere behandeling als rechtstreeks beroep (zaaknummer HAA 19/21).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019. Eiser is vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Voorts is voor eiser verschenen prof. dr. [naam 5] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

Overwegingen

1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2.1

Eiser heeft op 7 maart 2016 het voornemen gemeld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs per 1 augustus 2017 te starten met de opleidingen “Medewerker DTP” (niveau 2) en “Allround DTP-er” (niveau 3) (de opleidingen). Op zijn eigen website heeft eiser in september 2016 bekendgemaakt met de opleidingen te zullen starten in het schooljaar 2017/2018 en de opleidingen te zullen verzorgen vanuit zijn vestiging in Heerhugowaard. Het aantal studenten van de DTP-opleidingen bij eiser in het schooljaar 2017/2018 bedraagt, zo is inmiddels gebleken, 29.

2.2

Het Mediacollege Amsterdam (MA), dat de opleidingen al geruime tijd verzorgt, heeft bij brief van 12 juni 2017 de Commissie macrodoelmatigheid mbo (CMMBO) verzocht advies uit te brengen over een verschil van inzicht tussen hem en eiser over, voor zover van belang, het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen die eiser voornemens is te starten vanaf het schooljaar 2017/2018.

2.3

De CMMBO heeft op 7 november 2017 een definitief advies uitgebracht. Daarin heeft zij eiser, voor zover van belang, geadviseerd om wegens het niet naleven van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief ten aanzien van de opleidingen, de opleidingen te beëindigen.

2.4

Bij brief van 7 december 2017 heeft de CMMBO aan verweerder meegedeeld dat zij op verzoek van het MA advies heeft uitgebracht en dat het advies niet heeft geleid tot overeenstemming tussen de betrokken middelbaar beroepsonderwijs-instellingen op basis van zelfregulering. Omdat de CMMBO heeft geconcludeerd dat eiser zijn zorgplicht arbeidsmarktperspectief niet naleeft ten aanzien van de opleidingen, heeft de CMMBO verweerder voorgesteld aan eiser een waarschuwing te geven opdat hij zijn zorgplicht alsnog nakomt.

2.5

Verweerder heeft vervolgens naar aanleiding en op basis van het advies van de CMMBO het primaire besluit genomen. Verweerder heeft eiser daarbij in de gelegenheid gesteld er binnen uiterlijk drie maanden na dagtekening van het besluit zorg voor te dragen dat de opleidingen voldoen aan de zorgplicht door niet langer studenten op de opleidingen in te schrijven en er, in overleg met het MA, voor te zorgen dat de zittende studenten de opleidingen kunnen afronden. Verweerder heeft eiser voorts meegedeeld dat, indien blijkt dat na deze termijn door eiser geen gehoor is gegeven aan genoemde maatregelen, de rechten als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Web met betrekking tot de opleidingen gedurende twee jaar aan eiser kunnen worden ontnomen.

2.6

Bij brief van 10 juli 2018 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met betrekking tot de opleidingen voornemens is over te gaan tot het ontnemen van rechten als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Web, omdat eiser niet binnen drie maanden na ontvangst van het primaire besluit gevolg heeft gegeven aan de in dit besluit gestelde maatregelen. Eiser is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te brengen. Bij brief van 25 juli 2018 heeft eiser van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2.7

Op 16 oktober 2018 heeft verweerder het bestreden besluit II genomen. Op 14 november 2018 heeft verweerder het bestreden besluit III genomen en daarmee het bestreden besluit II ingetrokken en vervangen.

Het bestreden besluit I

3. Verweerder heeft aan het bij het bestreden besluit I gehandhaafde primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn zorgplicht arbeidsmarktperspectief als bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de Web met betrekking tot de opleidingen niet heeft nageleefd. Verweerder heeft zijn besluitvorming gebaseerd op het advies van de CMMBO van 7 november 2017, die aan de hand van artikel 5 van de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs (de Beleidsregel) een beoordeling heeft gemaakt. De CMMBO heeft, voor zover met name van belang, geconcludeerd dat eiser de verwachte behoefte aan gediplomeerden onvoldoende heeft onderbouwd alvorens de opleidingen te starten (criterium c), dat eiser onvoldoende actief overleg heeft gezocht met en tot afstemming is gekomen met het MA (criterium e) en dat eiser een te optimistisch en onvoldoende onderbouwde schatting heeft gemaakt van het aantal beschikbare stageplaatsen (criterium g). Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nader toegelicht dat hij het bestreden besluit I heeft gebaseerd op het niet voldoen aan de criteria c en e. Die criteria wegen wat verweerder betreft het zwaarst.

Nu eiser niet op basis van zelfregulering tot een oplossing is gekomen, waarbij het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen bij zowel eiser als het MA geborgd is, is er volgens verweerder aanleiding over te gaan tot het geven van een waarschuwing aan eiser.

4.1

Eiser betoogt ten eerste dat het niet zo kan zijn dat de bevoegdheid van regionale opleidingencentra om opleidingen te starten integraal overgaat naar de CMMBO en daarmee naar verweerder. Dit is in strijd met het systeem van de Web waarin die bevoegdheid en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief nu juist bij het bevoegd gezag van de opleidingencentra is neergelegd.

4.2

De rechtbank overweegt dat het aan onderwijsinstellingen zelf is te bepalen of zij opleidingen starten, met dien verstande dat met betrekking tot die opleidingen aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief moet worden voldaan. Voldoet een opleiding volgens verweerder niet aan die zorgplicht, dan is verweerder bevoegd om (op basis van een door de CMMBO uitgebracht advies) in te grijpen. Het is niet zo dat daarmee de bevoegdheid van onderwijsinstellingen om opleidingen te starten naar verweerder overgaat of door verweerder wordt ingevuld. Zelfregulering is het uitgangspunt. Dat uitgangspunt heeft verweerder in de voorliggende zaak naar het oordeel van de rechtbank niet miskend. Eerst nadat verweerder was gebleken dat eiser en het MA in eerste instantie onderling en vervolgens na inwinning van advies van de CMMBO niet tot een oplossing waren gekomen, heeft verweerder het hem op basis van de Web ter beschikking staande sanctie-instrumentarium ingezet.

4.3

Het betoog van eiser slaagt niet.

5.1

Eiser betoogt verder dat de CMMBO artikel 5 van de Beleidsregel niet goed heeft toegepast. Het is niet aan de CMMBO om uit de criteria die genoemd zijn in dat artikel een selectie te maken. Aan alle daarin genoemde criteria had moeten worden getoetst. Aan onder meer criterium h heeft de CMMBO ten onrechte niet getoetst.

5.2

De rechtbank stelt vast dat de CMMBO in paragraaf 6 “Naleving zorgplicht arbeidsmarktperspectief” van haar advies de criteria uit artikel 5 van de Beleidsregel is nagelopen en per criterium heeft aangegeven wat haar bevindingen zijn. Het is dus niet zo dat de CMMBO zelf een selectie heeft gemaakt uit die criteria en slechts een aantal daarvan heeft beoordeeld.

5.3

De CMMBO heeft met betrekking tot criterium h geconcludeerd dat dit criterium niet van toepassing is omdat zij niet alle studenten van de opleidingen op voorhand als een kansarme groep typeert. In het bestreden besluit I heeft (ook) verweerder gesteld dat de opleidingen niet exclusief bestemd zijn voor kansarme jongeren en dat de studenten van de opleidingen ook niet generiek als kansarme jongeren zijn aan te merken.

Eiseres heeft niet bestreden dat de opleidingen niet exclusief bestemd zijn voor kansarme jongeren. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat criterium h in dit geval geen gewicht in de schaal legt bij de beantwoording van de vraag of eiser aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief heeft voldaan.

5.4

Ook dit betoog van eiser slaagt niet.

6.1

Eiser betoogt voorts dat CMMBO in haar advies ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser de zorgplicht arbeidsmarktperspectief niet heeft nageleefd. De conclusie die de CMMBO heeft getrokken met betrekking tot de criteria c, e en g wordt niet ondersteund door de voorhanden zijnde gegevens en de in bezwaar aangeleverde aanvullende gegevens.

6.2.1

Wat betreft het criterium onder c betoogt eiser dat de CMMBO weliswaar heeft geconcludeerd dat hij het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen niet voldoende heeft onderbouwd, maar in de regelgeving is volgens eiser niet aangegeven wat voldoende is. De CMMBO heeft ook niet aangegeven waarom het onvoldoende is. Eiser heeft voordat hij met de opleiding startte uitgebreid onderzoek gedaan. Op internet stonden allerlei vacatures die geschikt zijn voor DTP-ers. Bovendien bleek uit actuele informatie van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) dat de kans op werk voor studenten DTP landelijk gezien voldoende is. Voorts heeft eiser alvorens de opleidingen te starten advies gevraagd aan de regio-consulent van de SBB, de heer J. Klinkenberg (Klinkenberg). Hij adviseerde positief. Verder zijn de opleidingen opgenomen in de landelijke kwaliteitsstructuur beroepsonderwijs. Daarnaast heeft eiser met bedrijven in de regio afstemming gezocht en heeft hij rekening gehouden met de dynamiek van de arbeidsmarkt door niet te kiezen voor een aanbod met een onbeperkte inschrijfmogelijkheid, maar voor een passende numerus fixus.

6.2.2

Wat betreft het criterium onder e betoogt eiser dat de CMMBO weliswaar heeft geconcludeerd dat hij onvoldoende overeenstemming heeft bereikt met het MA over het arbeidsmarktperspectief, maar dat het volgens hem gaat om het bereiken van afstemming. Eiser heeft met het MA afstemming gezocht en bereikt, maar hij is inhoudelijk niet met het MA tot overeenstemming gekomen.

6.3

De rechtbank stelt voorop dat verweerder mag uitgaan van het advies van de CMMBO en de daarin vervatte conclusie dat eiser ten aanzien van de opleidingen de zorgplicht arbeidsmarktperspectief niet heeft nageleefd, indien in het advies op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan die conclusie ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is. Dit is slechts anders indien door eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht.

6.4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het advies en de daarin vervatte conclusie van de CMMBO mocht uitgaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6.4.2

Wat betreft criterium c heeft eiser volgens de CMMBO een niet onderbouwde en te optimistische inschatting gemaakt van het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen. De CMMBO heeft blijkens haar advies aan de hand van gegevens van het GOC, het Centraal Bureau voor de Statistiek, de SBB en het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt achtereenvolgens de ontwikkeling van de arbeidsmarkt voor DTP-ers, de arbeidsmarktpositie van gediplomeerde DTP-ers alsmede de te verwachten arbeidsmarktperspectieven voor gediplomeerde DTP-ers in Noord-Holland Noord beoordeeld. Volgens de CMMBO is gelet op de door haar beoordeelde en in het advies gepresenteerde gegevens aannemelijk dat een verdubbeling van het aantal DTP-studenten in Noord-Holland Noord door de start van de opleidingen door eiser gaat leiden tot een disbalans van vraag en aanbod van DTP-gediplomeerden in de regio. Verder heeft de CMMBO in haar advies concreet uiteengezet waarom eiser met de door hem overgelegde selectie van vacatures niet heeft onderbouwd dat ten aanzien van de opleidingen sprake is van een structureel arbeidsmarktperspectief.

Eiser heeft de op objectieve gegevens gebaseerde conclusie van de CMMBO dat er geen ruimte is voor extra DTP-studenten in Noord-Holland Noord niet met concrete en objectieve argumenten bestreden. Aan het door eiser ingewonnen advies van Klinkenberg komt in dit verband geen betekenis toe. In dat advies is namelijk geen aandacht besteed aan de kernvraag of er in de regio vanuit arbeidsmarktperspectief gezien ruimte is voor extra DTP-studenten. Het advies is slechts algemeen van aard. Omdat er geen ruimte is voor extra DTP-studenten is er daarmee ook geen ruimte voor het aanbieden van de opleidingen via het numerus fixus systeem.

6.4.3

Wat betreft criterium e heeft de CMMBO geconcludeerd dat eiser geen overeenstemming heeft bereikt met het MA met het oog op het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen. De CMMBO heeft uiteengezet dat en waarom sprake is van een overlappend verzorgingsgebied van DTP-opleidingen van eiser en het MA in Noord-Holland Noord.

In het advies is verder uiteengezet hoe het proces van afstemming over de start van de DTP-opleidingen eruit heeft gezien. Volgens de CMMBO had eiser moeten en kunnen nagaan dat het MA de opleidingen reeds verzorgt voor studenten die in Noord-Holland Noord wonen en op basis daarvan, in lijn met de Beleidsregel, zelf actief in overleg moeten treden met het MA. Verder hebben de gesprekken over samenwerking tussen eiser en het MA niet tot overeenstemming geleid. Volgens de CMMBO is het enkel informeren van andere mbo-instellingen over het starten van eenzelfde opleiding in hetzelfde verzorgingsgebied ontoereikend, gelet op artikel 5 van de Beleidsregel. Het gaat om afstemming op bestuurlijk niveau.

Eiser heeft ook deze op inzichtelijke wijze gepresenteerde conclusie van de CMMBO niet met concrete en objectieve argumenten bestreden. Eiser heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk afstemming heeft gezocht en bereikt met het MA, maar daarvoor zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. De rechtbank stelt vast dat er meermalen contact is geweest tussen eiser en het MA, maar dat niet blijkt dat daarbij op enig punt overeenstemming is bereikt of anderszins afspraken zijn gemaakt. Nu het zorgdragen van een opleidingsaanbod met voldoende arbeidsmarktperspectief in de regio Noord-Holland Noord een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van eiser en het MA, voldoet het enkel informeren door eiser van het MA en het vervolgens doorzetten van de start van de opleidingen zonder dat met betrekking tot het arbeidsmarktperspectief van de opleidingen op bestuurlijk niveau inhoudelijk afstemming heeft plaatsgevonden, niet.

6.4.4

De CMMBO, en daarmee verweerder, heeft naar het oordeel van de rechtbank reeds vanwege het niet voldoen aan de criteria c en e tot de conclusie kunnen komen dat eiser de zorgplicht arbeidsmarktperspectief ten aanzien van de opleidingen niet heeft nageleefd. Verweerder heeft aan het niet voldoen aan die criteria terecht doorslaggevende betekenis toegekend. In het midden kan dan ook blijven of is voldaan aan criterium g.

6.5

Het betoog van eiser slaagt niet.

7.1

Eiser betoogt voorts dat, in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een onvolledige afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 7 van de Beleidsregel dient verweerder bij zijn besluit in ieder geval te betrekken de te verwachten gevolgen van zijn besluit voor de keuzevrijheid van studenten en de toegankelijkheid voor onderwijs voor kansarme groepen. Verweerder gaat er met zijn besluit aan voorbij dat eiser met het aanbod van de DTP-opleidingen wil voorzien in een aanbod voor kansarmere groepen op redelijke afstand van hun woonadres. Eiser wijst er voorts op dat het MA door het aanbieden van de opleidingen door eiser in de regio Noord-Holland Noord niet in zijn belangen is geschaad. Gelet op het voorgaande valt volgens eiser niet in te zien waarom verweerder hem in dit geval heeft gewaarschuwd direct tot het opleggen van de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk het ontnemen van de rechten een opleiding te voeren, over te gaan. Zoals eiser ter zitting nader heeft toegelicht is hij van mening dat verweerder disproportioneel heeft gehandeld en dat verweerder had moeten aansturen op het maken van afspraken tussen eiser en het MA.

7.2

De CMMBO is in haar advies ingegaan op de aspecten die blijkens artikel 7 van de Beleidsregel betrokken moeten worden alvorens tot het geven van een waarschuwing wordt overgegaan. Overwogen is, voor zover met name van belang, dat uit een oogpunt van doelmatigheid een bovenregionale concentratie van DTP-opleidingen is te verkiezen boven een regionaal versnipperd aanbod, omdat de opleidingen, mede gelet op het arbeidsmarktperspectief, beperkt van omvang zijn. Volgens de CMMBO is het vanuit de optiek van zorgplichten bezien niet zo dat het uitsluitend vanwege de reistijd van studenten gelegitimeerd is dat eiser een concurrerend aanbod kan gaan verzorgen. Studenten waren bereid voor hun opleiding naar het MA te reizen, ongeacht de lange reistijd. Eerst wanneer eiser en het MA tot een afspraak hadden kunnen komen over een dependance van het MA waardoor het aantal studenten niet zou toenemen en de reistijd zou worden verkort, zou volgens de CMMBO sprake zijn van een doelmatige situatie met voordelen voor studenten.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat eiser ook op dit punt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de CMMBO naar voren heeft gebracht, zodat verweerder ook in zoverre van het advies van de CMMBO mocht uitgaan. Het aansturen op het maken van afspraken is, nu zelfregulering geen oplossing heeft gebracht, terecht als een gepasseerd station beschouwd en het vervolgens door verweerder ingrijpen door het geven van een waarschuwing past ook binnen de zogeheten escalatieladder die de wetgever voor ogen heeft gehad (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 948, nr. 3, p. 7-8).

7.4

Het betoog van eiser slaagt niet.

8.1

Eiser betoogt verder dat verweerder zich dient te onthouden van handhaving, nu binnen de mbo-sector nieuwe afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop instellingen via zelfregulering gezamenlijk invulling zullen geven aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief.

8.2

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat aan het advies van de SBB waarop eiser doelt in deze zaak geen betekenis toekomt. Het advies dateert van na het bestreden besluit I en ziet niet op de in deze zaak spelende vraag of in 2017 sprake was van arbeidsmarktperspectief met betrekking tot de opleidingen. Bovendien zijn de in het advies opgenomen ontwikkelingen niet concreet.

8.3

Het betoog van eiser slaagt niet.

9.1

Eiser betoogt ten slotte dat verweerder willekeurig optreedt en daarmee niet redelijk. Op andere plaatsen in het land zijn in dezelfde periode ook opleidingen DTP gestart. Daartegen heeft verweerder niet ingegrepen en heeft de CMMBO geen individueel advies gegeven.

9.2

Dit betoog slaagt niet, reeds omdat uit de door eiser overgelegde gegevens niet valt op te maken dat andere scholen eveneens de zorgplicht arbeidsmarktperspectief niet hebben nageleefd. Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van gelijke gevallen.

10. Het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond.

De bestreden besluiten II en III

11. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder het bestreden besluit II ingetrokken. Het beroep heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit III. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit II, zodat het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk is. De rechtbank zal in deze zaak daarom uitsluitend het beroep tegen het bestreden besluit III inhoudelijk beoordelen.

12. Verweerder is bij het bestreden besluit III met betrekking tot de opleidingen overgegaan tot het ontnemen van rechten als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Web, omdat eiser niet binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan de in het primaire besluit gestelde maatregelen. Verweerder gaat, zo staat in het besluit vermeld, slechts tot het ontnemen van rechten over als het niet anders kan. Gebleken is volgens verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief en dat zelfregulering niet tot een oplossing heeft geleid. De betreffende opleidingen zien niet specifiek op kansarme groepen. Verweerder acht het ontnemen van de rechten onder die omstandigheden gerechtvaardigd. Omdat de reeds zittende studenten in de gelegenheid gesteld moeten worden om hun studie af te kunnen maken, heeft verweerder eiser in staat gesteld huidige studenten hun opleiding bij eiser af te laten ronden binnen de gestelde studieduur. Om die reden heeft verweerder de rechten eerst met ingang van 1 augustus 2020 ontnomen.

13. Eiser verwijst voor zijn gronden tegen het bestreden besluit III naar zijn beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit I.

14. Niet in geschil is dat eiser niet aan de in het primaire besluit genoemde maatregelen heeft voldaan.

15. De beroepsgronden van eiser slagen niet. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van het bestreden besluit I heeft overwogen.

16. Het beroep tegen het bestreden besluit III is ongegrond.

In beide zaken

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. M.P. de Valk en
mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het
openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wet educatie en beroepsonderwijs

Artikel 6.1.1. Onderwijsaanbod instellingen

Het bevoegd gezag bepaalt welke beroepsopleidingen de instelling verzorgt. Ten aanzien van die opleidingen geldt de aanspraak op bekostiging uitsluitend indien de opleidingen krachtens artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen.

Artikel 6.1.2. Melding starten of beëindigen beroepsopleidingen

1. Het bevoegd gezag van een instelling meldt aan Onze Minister het voornemen tot het starten of beëindigen van een beroepsopleiding op enige locatie voor 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de beroepsopleiding te starten of te beëindigen.

2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de melding wordt gedaan.

3. Onze Minister maakt de melding openbaar.

Artikel 6.1.3. Zorgplicht arbeidsmarktperspectief, belang beroepsopleidingen en doelmatigheid

1. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding

Artikel 6.1.4. Ontneming rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod

1. Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, gedurende twee jaar worden ontnomen indien:

(…)

c. niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3.

2. Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:

a. de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel 1.3.1, voor zover van toepassing, vervalt,

b. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 meer is verbonden, en

c. in het Centraal register wordt geregistreerd dat de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, van de instelling met betrekking tot de opleiding zijn ontnomen en de ingangsdatum en de einddatum daarvan.

3. Bij een beschikking tot ontneming van rechten bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers de opleiding aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Artikel 6.1.4a. Beleidsregels en adviescommissie

1. Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 6.1.1, tweede lid, en 6.1.4, eerste lid, onder c.

2. Onze Minister kan zich bij de toepassing van de beleidsregels laten adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.

Artikel 6.1.5. Waarschuwing

2a. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder c, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de naleving van een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3, waarbij wordt bepaald aan welke maatregelen het bevoegd gezag gevolg dient te geven. Aan de waarschuwing kan een termijn van ten minste drie maanden worden verbonden waarbinnen aan de maatregelen gevolg moet worden gegeven.

3. Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.

Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs

Artikel 2

Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 6.1.1, tweede lid, en 6.1.4, eerste lid, onder c, van de wet uitoefent.

Artikel 3. Signalen niet-naleving zorgplichten

1. De minister kan een onderzoek naar de naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief dan wel de zorgplicht doelmatigheid starten:

a. indien een of meer instellingen, het bedrijfsleven, een gemeente of andere belanghebbenden daartoe een verzoek hebben ingediend in verband met een vermoeden van niet-naleving van een dan wel beide genoemde zorgplichten.

Artikel 5. Criteria voor beoordeling naleving zorgplicht arbeidsmarktperspectief

1. Aan de hand van in ieder geval de volgende criteria wordt beoordeeld of voldaan is aan de zorgplicht arbeidsmarktperspectief:

a. heeft 70% of meer van de gediplomeerden van de betreffende beroepsopleiding ruim een jaar na afstuderen een baan gevonden;

b. heeft 50% of meer van de werkende gediplomeerden van de betreffende beroepsopleiding ruim een jaar na afstuderen een baan gevonden op het niveau van de opleiding;

c. heeft het bevoegd gezag zich voldoende rekenschap gegeven van de verwachte behoefte aan gediplomeerden van de betreffende beroepsopleiding op de regionale arbeidsmarkt, hetgeen wordt ondersteund met actuele en zo volledig mogelijke data waarmee die behoefte aannemelijk wordt gemaakt;

d. heeft het bevoegd gezag in voldoende mate bezien, indien het een beroepsopleiding betreft die mede op de landelijke arbeidsmarkt is gericht, wat de verwachte behoefte aan gediplomeerden op de landelijke arbeidsmarkt is, en is op basis hiervan het aanbieden van de betreffende beroepsopleiding te rechtvaardigen;

e. heeft het bevoegd gezag bij het inschrijven van deelnemers in voldoende mate met andere aanbieders van eenzelfde beroepsopleiding afstemming bereikt met het oog op het arbeidsmarktperspectief van de betreffende beroepsopleiding;

f. heeft het bevoegd gezag zich voldoende rekenschap gegeven van de bijdrage van de betreffende beroepsopleiding aan doorstroom naar een hoger opleidingsniveau of naar het hoger beroepsonderwijs;

g. heeft het bevoegd gezag onderzocht of de benodigde beroepspraktijkvormingsplaatsen in voldoende mate beschikbaar zijn voor het aantal deelnemers van de betreffende beroepsopleiding, en

h. borgt het bevoegd gezag de toegankelijkheid van onderwijs voor kansarme groepen in de arbeidsmarktregio met het verzorgen van de betreffende beroepsopleiding.

Artikel 7. Besluitvorming door de minister

1. Bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder c, van de wet dan wel bij het geven van een waarschuwing, als bedoeld in artikel 6.1.5, lid 2a, van de wet betrekt de minister in ieder geval de volgende aspecten:

a. de verwachte gevolgen van het besluit op de kwaliteit van het opleidingenaanbod in het betreffende verzorgingsgebied van de betrokken instellingen;

b. de verwachte gevolgen van het besluit voor de keuzevrijheid van deelnemers, en

c. de verwachte gevolgen van het besluit voor de toegankelijkheid van onderwijs voor kansarme groepen.

d. de verwachte gevolgen van het besluit voor de financiële stabiliteit van de instelling.

2. De minister maakt het advies van de adviescommissie macrodoelmatigheid mbo openbaar:

a. tegelijk met het openbaar maken van het besluit tot het ontnemen van rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ten aanzien van een beroepsopleiding indien niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten bedoeld in artikel 6.1.3 van de wet;

b. tegelijk met het openbaar maken van de waarschuwing bedoeld in artikel 6.1.5, lid 2a, van de wet; of

c. na het nemen van de beslissing geen gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder c, van de wet.

Het advies wordt in bovengenoemde gevallen openbaar gemaakt door het elektronisch beschikbaar te stellen op de website van de adviescommissie macrodoelmatigheid mbo.