Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1930

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2511
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek naar het aangifte gedrag van gemachtigde geeft aanleiding tot het stellen van vragen aan belastingplichtige en het opleggen van een navorderingsaanslag. De kosten van levensonderhoud van het kind zijn niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-03-2019
V-N Vandaag 2019/609
FutD 2019-0746
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/2511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2019 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 13 mei 2017 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.257, vermeerderd met € 82 belastingrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019 te Haarlem.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van Wendel de Joode en L. Kwakman.

Overwegingen

Feiten

1. De dochter van eiser, [A] (hierna: [A] ), is geboren op [a] 1995. Zij staat niet ingeschreven op het woonadres van eiser.

2. Eiser heeft aangifte ib/pvv over 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.597. In die aangifte is aan aftrek kosten levensonderhoud kinderen een bedrag van € 1.660 aangegeven.

3. Verweerder heeft de aanslag 2012 ib/pvv opgelegd conform de aangifte.

4. Bij brief van 14 maart 2017 heeft verweerder aan eiser geschreven dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar het aangiftegedrag van gemachtigde over 1 of meerdere van de jaren 2012 tot en met 2015. Uit dit onderzoek is, aldus de brief van 14 maart 2017, gebleken dat diegene voor meerdere personen aangiften met onjuiste aftrekposten heeft gedaan. Gelet op deze omstandigheid zijn aan eiser vragen gesteld. Dit heeft geleid tot het corrigeren van de onderhavige aangiften middels het opleggen van een navorderingsaanslag, waarbij verweerder de aftrekpost kosten levensonderhoud kinderen van € 1.660 heeft geschrapt.

Geschil
5. In geschil is of verweerder terecht de aftrek uitgaven voor kosten levensonderhoud kinderen heeft gecorrigeerd.

6. Eiser stelt dat ten onrechte een navorderingsaanslag aan hem is opgelegd. Er was geen sprake van kwade trouw en de aangifte is niet gedaan door iemand die gefingeerde aftrekposten opvoert. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de correctie niet terecht is, omdat aan alle voorwaarden voor aftrek kosten levensonderhoud kinderen wordt voldaan. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correctie terecht is, omdat eiser de kosten voor levensonderhoud kinderen niet dan wel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit?

9. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen.

10. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de AWR kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

11. Op grond van vaste, door verweerder in zijn verweerschrift gespecificeerde, jurisprudentie is verweerder niet gehouden onderzoek te doen naar de juistheid van een ingediende aangifte indien voor de daarin opgenomen posten een redelijke verklaring mogelijk is. Verweerder mag er in dergelijke gevallen van uitgaan dat de belastingplichtige zijn aangifte, juist, volledig en zonder voorbehoud heeft ingevuld.

12. Naar het oordeel van de rechtbank vormde de inhoud van de aangifte van eiser, gelet op de aard en hoogte van de daarin opgenomen aftrekposten, op zichzelf geen aanleiding voor nader onderzoek. De rechtbank heeft uit de stukken begrepen dat verweerder, gelet op zijn bevindingen dat de gemachtigde van eiser geregeld hoge aftrek van kosten opgeeft in de aangiften, een onderzoek is gestart naar de gemachtigde. In de uitkomsten van dat onderzoek heeft verweerder aanleiding gezien alle aangiften ingediend door deze gemachtigde nader te onderzoeken, waaronder de aangifte van eiser. Verweerder heeft eiser bij brief van 14 maart 2017 vragen gesteld over de in zijn aangifte opgenomen aftrekpost kosten levensonderhoud kinderen. Vanwege het uitblijven van een onderbouwing van de kosten levensonderhoud heeft verweerder geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op de aftrekpost omdat hij hiervoor geen bewijs heeft geleverd. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

13. Gelet op het voorgaande behoeft de grief ten aanzien van het ontbreken van kwade trouw geen bespreking meer.

Inhoudelijke beoordeling

14. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001, tekst 2012) worden uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking genomen als het uitgaven betreft voor kinderen jonger dan 21 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt een kind in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 408 per kwartaal beloopt. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat hij voor ieder kind aan deze voorwaarden heeft voldaan.

15. Eiser stelt dat hij in 2012 ruimschoots € 115 per maand aan uitgaven voor het levensonderhoud van [A] heeft gehad. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat [A] twee dagen per week bij hem verbleef, dat hij met haar op vakantie ging, dat hij haar zakgeld gaf en haar autorijlessen en examengeld betaalde.

16. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat eiser in 2012 niet langer maandelijks bedragen ten behoeve van het levensonderhoud aan de moeder van [A] overmaakte. Voorts heeft de gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld gesteld dat eiser in de voorafgaande jaren maandelijks € 136,13 aan kinderalimentatie heeft overgemaakt naar de bankrekening van de moeder van [A] . Eveneens heeft gemachtigde onweersproken gesteld dat in de loop van 2012 eiser en de moeder van [A] een nieuwe afspraak hebben gemaakt ten aanzien van –onder meer– de kosten van levensonderhoud van [A] . Deze afspraak hield in dat eiser niet langer kinderalimentatie zou betalen en dat [A] twee dagen per week bij eiser kwam wonen.

17. Gelet op de omstandigheid dat verweerder hetgeen de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, zoals hiervoor onder overweging 16 is weergegeven, niet althans onvoldoende heeft weersproken, zal de rechtbank bij de beoordeling van dit geschil uitgaan van de juistheid van die stellingen.

18. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit echter niet met zich dat eiser heeft voldaan aan de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat hij in 2012 hij per kwartaal minstens € 408 als kosten van het levensonderhoud van [A] voor zijn rekening heeft genomen. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen calculatie overgelegd van de kosten die verband houden met het levensonderhoud van [A] . Eiser heeft voorts op geen enkele wijze inzicht gegeven in de (extra) kosten die verband houden met het verblijf van [A] bij eiser. Verder is niet gebleken dat de kosten van de door eiser genoemde autorijlessen, nog daargelaten of die zijn aan te merken als kosten voor levensonderhoud, in 2012 op eiser hebben gedrukt. Eveneens is niet gebleken dat de kosten van het deelnemen aan het rijexamen in 2012 op eiser hebben gedrukt. Dat [A] twee dagen per week bij eiser verbleef en dat zij met eiser op vakantie ging, brengt verder niet automatisch met zich dat aannemelijk is geworden dat op eiser € 408 per kwartaal heeft gedrukt in verband met kosten voor het levensonderhoud van [A] . De verklaring van [A] , inhoudende dat zij twee dagen per week in de kost was bij haar vader en zakgeld van hem ontving, maakt dit oordeel niet anders.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.