Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2019:1865

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
C/15/251009/FA RK 16-6680 en C/15/256547/FA RK 17-1588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Pensioenverweer kan slechts betrekking hebben op een verminderd vooruitzicht op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen. Artikel 1: 153 lid 1 BW dateert van voor de invoering van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, ten gevolge van deze wet ontstaat vaak een toereikende voorziening.

De bepaling - zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de doctrine - ziet uitdrukkelijk niet op spaargelden en onroerende zaken en is niet bedoeld voor een voorziening als ouderdomspensioen. Voor zover de vrouw stelt dat zij recht heeft op een aandeel in het vermogen dat / de bedrijfswinst die door de man kan worden aangewend als pensioen en inkomen, kan dit bij de verdeling aan de orde komen, maar kan zulks niet leiden tot een geslaagd pensioenverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/53
PJ 2019/58
RFR 2019/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/251009 / FA RK 16-6680 en C/15/256547 / FA RK 17-1588

beschikking d.d. 21 februari 2018 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te Zaandam,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A. de Visser, gevestigd te Zaandam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te Westzaan,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.H. Visser, gevestigd te Wormerveer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 10 november 2016;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 31 januari 2017;

- het verweer op zelfstandig verzoek, met bijlagen, van man, ingekomen op 6 maart 2017;

- het formulier verrekenen en verdelen van de advocaat van de vrouw van 13 april 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 23 november 2017;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 1 december 2017;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 5 december 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 4 januari 2018;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 18 januari 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 december 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de man, zoals ter zitting afgesproken, nadere stukken in het geding gebracht, waarop de vrouw heeft gereageerd.

De nadien nog ongevraagd door de advocaat van de man aan de rechtbank toegezonden reactie met bijlagen heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] te Koog aan de Zaan, thans gemeente Zaanstad.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist. Zij verzet zich echter vooralsnog tegen de verzochte echtscheiding op basis van het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW). De vrouw voert aan dat zij niet kan overzien of er als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op een uitkering aan haar in geval van vooroverlijden van de man teloor zou gaan of in ernstige mate zou verminderen. De man heeft één of meer polissen van levensverzekering en / of pensioenpolissen, maar de vrouw weet niet hoe in geval van overlijden van de man de uitkering geregeld is. Mogelijk is de begunstiging onvoorwaardelijk aan de echtgenote gedaan en vervalt het recht op uitkering aldus in geval van scheiding. De vrouw wenst dat de man de desbetreffende polissen in het geding brengt om haar aanspraken te kunnen vaststellen.

2.2.3.

De man stelt zich op het standpunt dat het pensioenverweer niet opgaat. De advocaat van de vrouw beschikt sinds december 2016 over alle relevante financiële gegevens van de man. De man wijst op de jurisprudentie waarin is neergelegd dat een pensioenverweer concreet moet worden onderbouwd en voert aan dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast. De man stelt zijn gegevens inzake pensioen en levensverzekering in de echtscheidingsprocedure te hebben ingebracht.

2.2.4.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie het pensioenverweer een preliminair verweer betreft, waarop moet worden beslist alvorens eventueel de echtscheiding kan worden uitgesproken. Bovendien kan het pensioenverweer slechts betrekking hebben op een verminderd vooruitzicht op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen. De rechtbank merkt op dat artikel 1: 153 lid 1 BW dateert van voor de invoering van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en dat ten gevolge van deze wet vaak een toereikende voorziening ontstaat.

2.2.5.

De bepaling - zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de doctrine - ziet uitdrukkelijk niet op spaargelden en onroerende zaken en is niet bedoeld voor een voorziening als ouderdomspensioen. Voor zover de vrouw stelt dat zij recht heeft op een aandeel in het vermogen dat / de bedrijfswinst die door de man kan worden aangewend als pensioen en inkomen, kan dit bij de verdeling aan de orde komen, maar kan zulks niet leiden tot een geslaagd pensioenverweer. Uit hetgeen overigens door de vrouw is aangevoerd ter onderbouwing van het pensioenverweer is niet af te leiden dat door de echtscheiding rechten op nabestaandenpensioen voor de vrouw verloren gaan; waar ten tijde van de pensioendatum gekozen is voor een hoger ouderdomspensioen ten koste van het partnerpensioen, geschiedt dit niet als gevolg van de echtscheiding en kan dit evenmin leiden tot een geslaagd pensioenverweer.

2.2.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep van de vrouw op het pensioenverweer ongegrond verklaren en het verzoek tot echtscheiding toewijzen.

2.3.

Woning

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij zo lang zij leeft, althans gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, om niet in de echtelijke woning kan blijven wonen. Subsidiair heeft zij verzocht om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de beschikking voort te zetten.

2.3.2.

De man heeft als verweer gevoerd dat hij eigenaar is van de echtelijke woning en deze op termijn wil kunnen verkopen. Zolang de scheiding niet rond is en hij nog eigenaar van de woning is, is het voor hem onmogelijk alternatieve woonruimte te verkrijgen. Een afweging van de belangen van partijen dient daarom in het nadeel van de vrouw uit te vallen. Het verzoek van de vrouw om levenslang - of gedurende een andere termijn - om niet de woning van de man te mogen bewonen vindt geen steun in het recht, ook niet in het kader van de onderhoudsplicht. De man verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen.

2.3.3.

Voor zover het verzoek van de vrouw ertoe strekt dat wordt bepaald dat zij de woning voor onbepaalde tijd althans langer dan zes maanden om niet kan blijven bewonen zal dit verzoek worden afgewezen, aangezien de vrouw de grondslag ervan niet heeft onderbouwd.

2.3.4.

Voor zover het verzoek van de vrouw ziet op het voortgezet gebruik op grond van artikel 1:165 BW, overweegt de rechtbank dat de wet slechts een termijn van zes maanden kent.

2.3.5.

Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en de door hem aangevoerde argumenten niet zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij toewijzing van het verzoek, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen voor de termijn van zes maanden.

2.4.

Onderhoudsbijdrage

2.4.1.

Aanvankelijk heeft de vrouw voorwaardelijk verzocht om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.000 per maand vanaf het moment dat zij de voormalige echtelijke woning verlaat. De vrouw heeft ter zitting haar verzoek gewijzigd in een onvoorwaardelijk verzoek om een partnerbijdrage met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking vast te stellen van € 2.000 per maand, maar daarbij vermeld dat dit ook afhangt van wat er met de woning gebeurt.

2.4.2.

De man heeft primair de behoefte van de vrouw aan de door haar gevraagde bijdrage betwist. Subsidiair heeft hij een draagkrachtverweer gevoerd.

2.4.3.

De rechtbank stelt vast dat de kwestie van de partneralimentatie nauw samenhangt met de verdeling/verevening van de pensioenrechten en met de hoogte van de hierna te bespreken vergoedingsrechten. Aangezien hieromtrent te weinig duidelijkheid is verschaft, is de rechtbank nog niet in staat een beslissing hierover te nemen en zal, zoals hierna in rechtsoverweging 2.5.5 is vermeld, een nadere zitting worden bepaald.

2.5.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.5.1.

Partijen hebben beiden verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2.5.2.

De rechtbank stelt vast dat partijen blijkens de huwelijkse voorwaarden, opgemaakt op 28 april 1971, buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat geen verrekenbeding is overeengekomen. Tijdens het huwelijk is geen eenvoudige gemeenschap ontstaan.

Volgens de man zijn partijen op huwelijkse voorwaarden gehuwd om te voorkomen dat vermogen van (de familie van) de vrouw in de gemeenschap zou vloeien. De vrouw heeft ter zitting erkend dat dit de achtergrond van de huwelijkse voorwaarden was.

2.5.3.

Het geschil tussen partijen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden spitst zich – kort gezegd - toe op vergoedingsrechten. De vrouw maakt aanspraak op een vergoeding van haar investering in de aflossing van de hypotheek van de woning van de man. De vrouw stelt dat de man de woning in 1974 heeft gekocht voor een bedrag van

ƒ 55.000. De woning is gefinancierd met een hypothecaire lening bij de NMB van

ƒ 20.000 en een lening bij haar moeder van ƒ 25.000. Volgens de vrouw heeft zij in 1981 een schenking van ƒ 5.000 ingezet om de schuld van de man aan haar moeder te verlagen. Na het overlijden van haar moeder, op 20 oktober 1981, is het nog openstaande deel van de lening, ƒ10.937, door de notaris verrekend met het aandeel van de vrouw in de erfenis van haar moeder. Bovendien heeft de vrouw altijd uit haar vermogen bijgedragen in het onderhoud en de vaste lasten van de woning. De vrouw begroot het totale door haar geïnvesteerde bedrag op € 42.444,74. Inmiddels is de woning vrij van hypotheek en is de geschatte waarde ervan ongeveer € 300.000. De vrouw wenst een vergoeding van de man voor haar investeringen in zijn woning.

2.5.4.

Voorop moet worden gesteld dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan, doordat de goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd. Indien sprake is van een investering van privévermogen in een goed van de ander, dan ontstaat een vordering op die ander.

2.5.5.

Zoals hiervoor is overwogen zal een datum voor voortzetting van de behandeling bepaald worden. Van partijen wordt verwacht dat de vrouw uiterlijk 21 dagen voor de zitting een duidelijke cijfermatige onderbouwing geeft van haar vordering, met daarbij voor zoveel nodig nadere bewijsstukken en dat de man daarop uiterlijk 14 dagen voor de zitting reageert.

Binnen diezelfde termijn dienen partijen de rechtbank eveneens duidelijk en cijfermatig onderbouwd te informeren over hun inkomenspositie vanaf datum echtscheiding, na verevening van de bestaande pensioenen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Koog aan de Zaan, thans gemeente Zaanstad op [datum] ;

3.2.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.3.

verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

bepaalt dat de behandeling van de verzoeken betreffende de partnerbijdrage en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal worden voortgezet op een nader te bepalen zitting van deze rechtbank in juli / augustus 2018 en bepaalt dat de griffier partijen en hun advocaten voor deze zitting zal oproepen;

3.5.

bepaalt dat de advocaten van partijen de rechtbank 21 respectievelijk 14 dagen voor de zittingsdatum dienen te informeren zoals in rechtsoverweging 2.5.5 is neergelegd.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van Dam, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.M. Kroon op 21 februari 2018.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..